Einde inhoudsopgave
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/I.2.4.4
I.2.4.4 Vergelijking met het systeem van nationale rekeningen
W.J. Blokland, datum 01-06-2016
- Datum
01-06-2016
- Auteur
W.J. Blokland
- JCDI
JCDI:ADS497722:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
I. Roxan, ‘The nature of VAT supplies of services in the twenty-first century’, British Tax Review 2000, p. 603-623; I. Roxan, ‘VAT Supplies of Services: A Definition in Search of a Meaning’ in: A. Lymer & D. Salter (red.), Contemporary Issues in Taxation Research, Aldershot (GB): Ashgate 2003, p. 169-200. Zie ook R.W. Lindholm, ‘The origin of the Value-Added Tax’, Journal ofCorporation Law 1980-81, nr. 1, p. 11-14; Henkow 2008, p. 65-75.
Zie ook, betreffende enkel de omzetbelasting, L.F. Ploeger, ‘Het verbruik in de omzetbelasting (I)’, WFR 1972/969; A.H.R.M. Denie, De overheid in de omzetbelasting (diss. Leiden), Deventer: Kluwer 1987, p. 170; Van Norden 2007, p. 27; Van Doesum 2009, p. 35; Van Hilten & Van Kesteren 2014, p. 9-10.
A. Smith, An Inquiry into the Nature and Causes of the Wealth of Nations, 1776, heruitgegeven door: feedbooks.com, z.p./z.j., p. 363; A. Heertje, De kern van de economie, Leiden: Stenfert Kroese 1962, p. 4; N.G. Mankiw, Macroeconomics, New York (USA): Worth Publishers 2002, p. 25.
Y = C + I + G + NX, waarin Y staat voor nationaal product, C voor consumptie, I voor investeringen, G voor overheidsbestedingen en NX voor het saldo van export en import (netto export).
In de literatuur heeft Roxan een interessant verband gelegd tussen de omzetbelasting volgens het btw-stelsel en het systeem van de nationale rekeningen, dat bijvoorbeeld gebruikt wordt om het bruto binnenlands product (bbp) van een land vast te stellen.1 Hij stelt in het bijzonder dat het systeem van de nationale rekeningen doorschemert in de omzetbelasting. Dat ben ik met hem eens. Een overeenkomst is vooral te zien in de bepaling van de totale productie in een land. Een methode daarvoor is de opgetelde toegevoegde waarde van bedrijven te nemen. Deze bestaat uit salarissen, winsten en per saldo betaalde interest. In de omzetbelasting volgens het btw-stelsel voldoen alle belastingplichtigen, die de schakels in de productie- en distributieketen worden geacht te zijn, in beginsel belasting en per saldo over de door hen toegevoegde waarde. Ook die toegevoegde waarde bestaat (vooral) uit salarissen, winsten en per saldo betaalde interest. Dat zijn immers typisch de omzetbelastingvrije kostencomponenten.
Verschillen tussen de omzetbelasting en het systeem van de nationale rekeningen zijn er ook. Zo worden bepaalde duurzame consumptiegoederen – met name woningen – in het systeem van de nationale rekeningen niet geacht ineens te zijn geconsumeerd bij besteding door een consument, maar wordt de consumptie geacht in de tijd gespreid plaats te vinden. Daarentegen wordt direct bij de besteding voor het geheel omzetbelasting geheven. Het verschil is echter minder groot dan het lijkt. Voor veruit de meeste goederen en diensten gaat ook het systeem van de nationale rekeningen uit van onmiddellijke consumptie. Voor het overige lijkt vooral sprake van een verschil in het moment waarop verbruik dan wel consumptie in aanmerking wordt genomen.
Als uitgangspunt geldt in beide gevallen hoe dan ook dat de besteding de maatstaf is van de consumptie dan wel het verbruik.2
Aan het systeem van nationale rekeningen zijn twee interessante gezichtspunten te ontlenen. Het eerste betreft de veronderstelling dat alle productie uiteindelijk op consumptie is gericht. In de woorden van Adam Smith: ‘consumption is the sole end and purpose of all production’.3 Deze veronderstelling kom terug in de vergelijking dat de productie in een land gelijk is aan de consumptie, investeringen, overheidsbestedingen, en het saldo van export en import.4 Binnen deze vergelijking kan consumptie alleen voortvloeien uit productie, desinvesteringen of import; anders klopt de vergelijking niet meer. Voorts moet van consumptie sprake zijn als productie niet in de investeringen, overheidsbestedingen of export vloeit. De kapot gevallen fles cognac waarop Reugebrink zijn stelling mede baseert dat de omzetbelasting een bestedingenbelasting is (zie par. 2.3.3.1), is in macro-economische zin daarom verbruikt. De fles is immers geproduceerd, heeft de productiesfeer verlaten en van een investering, een overheidsbesteding of export is geen sprake.
Het tweede gezichtspunt hangt met het eerste samen. Het gaat erom dat waardeoverdrachten die geen toegevoegde waarde vertegenwoordigen (dat wil zeggen, niet voortvloeien uit productie), moeten worden geëlimineerd in de bepaling van de waarde van de consumptie. Het voorbeeld van een dergelijke waardeoverdracht is bij uitstek de overdracht van geld (valuta).