Einde inhoudsopgave
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/II.7.4.5
II.7.4.5 Invloed van rente
W.J. Blokland, datum 01-06-2016
- Datum
01-06-2016
- Auteur
W.J. Blokland
- JCDI
JCDI:ADS499086:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ 26 juni 2003, zaak C-305/01, FED 2003/513, r.o. 18 (MKG-Kraftfahrzeuge-Factoring; m.aant. J.J.P. Swinkels).
Zie bv. G.J. van Bruggen & I.C. Blankemeijer, ‘Factoring’, BtwBrief 2003, 26.
A-G Jääskinen, conclusie bij: A-G Jääskinen, conclusie bij: HvJ 27 oktober 2011, zaak C-93/10, V-N 2011/55.17 (GFKL Financial Services), punt 91; BFH 15 mei 2012, nr. XI R 28/10 (te vinden via www.bundesfinanzhof.de). De Bundesfinanzhof heeft voor het afwijzen van vrijgestelde kredietverlening in deze zaak de verplichte onmiddellijke betaling van de koopprijs door de factor van belang geacht (r.o. 36-37). Het arrest wekt de indruk dat het mogelijk anders ligt als de koopprijs in beginsel pas verschuldigd is bij betaling door de debiteur, maar de klant tegen vergoeding van rente eerdere uitbetaling kan verlangen. De kredietverlening moet dan echter niet net als de overname van het debiteurenrisico opgaan in de belaste dienstverlening, zodat alsnog sprake is van één belaste prestatie.
HMRC VAT Notice 701/49: finance, onderdeel 5.5 (te vinden via www.www.gov.uk/government/publications/vat-notice-70149-finance.uk/government/publications/vat-notice-70149-finance); Leaflet ‘VAT treatment of factoring and invoice discounting’, onderdeel 4.iii. e.v. (te vinden via www.revenue.ie/en/tax/vat/leaflets/vattreatment-of-factoring-and-invoice-discounting.html).
Zie ook A.G.J. Wentink, ‘Identificatie en kwalificatie van prestaties bij factorovereenkomsten’, BtwBrief 2012, 30.
Het is niet duidelijk of factoring in de zin van de omzetbelasting kan worden gesplitst in een component invordering van schuldvorderingen en een component kredietverlening. Dit speelt vooral als de factor rente in rekening brengt. Bijvoorbeeld, de factor in de zaak MKG-Kraftfahrzeuge-Factoring ontving een factoringcommissie, een delcredereprovisie en rente over het uitstaande saldo van nog niet als oninbaar aangemerkte vorderingen.1 De rente strekte tot vergoeding voor de financiering, de delcredereprovisie tot vergoeding voor overname van het oninbaarheidsrisico en de factoringcommissie tot vergoeding voor al het overige. Uit het arrest valt op te maken dat de delcrederecomissie en factoringcommissie samen de vergoeding vormen voor een belaste invorderingsdienst. De rente blijft onbesproken. Omdat het factoringcontract mede de rente regelt en een ruime uitleg van de uitzondering op de vrijstelling voor handelingen inzake schuldvorderingen volgens het Hof van Justitie geboden is, kan worden betoogd dat ook de rente tot de vergoeding voor de belaste factoring behoort.2 Op deze koers zitten A-G Jääskinen en de Duitse Bundesfinanzhof, die expliciet over deze kwestie heeft geoordeeld.3 De Britse en Ierse belastingautoriteiten stellen daarentegen dat rente in de context van factoring de vergoeding voor vrijgestelde kredietverlening is.4 Er is geen Nederlands beleid of Nederlandse jurisprudentie op dit punt bekend.
Naar mijn mening brengt de neutraliteit die het Hof van Justitie in de zaak MKG-Kraftfahrzeuge-Factoring aanhaalt met zich mee dat, afhankelijk van de omstandigheden uiteraard, factoring niet mede kredietverlening omvat.5 Bij reguliere vormen van invordering van schuldvorderingen, waarbij geen sprake is van een overname van schuldvorderingen, zal het tegen vergoeding van rente verlenen van een voorschot door de incasseur ook een afzonderlijk in aanmerking te nemen verlening van krediet zijn (vgl. par. 6.4.3). Als het Hof van Justitie werkelijk een gelijke behandeling van alle vormen van invordering van schuldvorderingen voorstaat, dan moet het die ook op dit punt doortrekken en rente bij factoring in beginsel als vergoeding voor verlening van krediet aanmerken.