Einde inhoudsopgave
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/7.3.5.3
7.3.5.3 Art. 4:46 BW ontleed
C. Spierings, datum 06-02-2016
- Datum
06-02-2016
- Auteur
C. Spierings
- JCDI
JCDI:ADS380443:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Voetnoten
Voetnoten
HR 22 januari 1965, NJ 1966/177, m.nt. Beekhuis (Admiraal); HR 9 april 1965,NJ 1966/178 m.nt. Beekhuis (Van Es/Ponjée); HR 3 december 2004, NJ 2005/58; HR 18 februari 2011, NJ 2011/353 m.nt. Perrick; HR 8 februari 2013, NJ 2013/238.
Kritisch hierop, onder meer: J. Eggens, ‘Uitleg van uiterste wilsbeschikkingen’, in: Meijers en Eggens 1951, p. 85.
Mollema 2008, p. 822.
Handboek Erfrecht 2011, p. 204; Parl. Gesch. Boek 4 BW, p. 277 (TM).
Parl. Gesch. Boek 4 BW, p. 279 (MvA); Handboek Erfrecht 2011, p. 206.
Parl. Gesch. Boek 4 BW, p. 279; Van Mourik 2007, p. 415.
HR 3 december 2004, NJ 2005/58; HR 19 september 1990, NJ 1992/649; Mollema 2008, p. 823; Perrick 1997, p. 325.
J.M. van Dunné, ‘De methode van uitleg bij testamenten, in het bijzonder in geval van oneigenlijke dwaling bij het testeren’, WPNR 5050 (1969), p. 331; Perrick 1997, p. 331. Zie ook de Conclusie van AG De Vries Lentsch-Kostense bij HR 9 mei 2014, RvdW 2014/690.
Perrick 1997, p. 325-326; Asser/Perrick 4 2013/174.
Van Mourik meent dat het artikellid in ieder geval ‘ten overvloede beklemtoont’ dat de erflater geen uiterste wilsbeschikkingen kan maken buiten de wettelijke vormen om, zie Van Mourik 2014, p. 423.
Parl. Gesch. Boek 4 BW, p. 281 (MvA I).
HR 3 december 2004, NJ 2005/58; HR 18 februari 2011, NJ 2011/353 m.nt. Perrick; HR 8 februari 2013, NJ 2013/238; HR 11 oktober 2013, RvdW 2013/1192.
Eindverslag CommissieErfrecht KNB inzake Boek4 BW, Deventer: Kluwer 2012, p. 17. Zie ook L.A.G.M. van der Geld, ‘10 jaar nieuw erfrecht en uitleg van uiterste wilsbeschikkingen’, TE 2013/6, p. 100.
W.D. Kolkman, ‘Uitleg van uiterste wilsbeschikkingen’, in: J.W.A. Biemans, W.D. Kolkman en L.C.A. Verstappen (red.), Uitleg van notariële akten, Deventer: Kluwer 2015, p. 115-132. Hierdoor zou in een geval als aan de orde was in Hof ’s-Hertogenbosch 9 september 2002, NJ 2003/446 gemakkelijker recht gedaan kunnen worden aan de bedoeling van de erflaatster; zie Vredevoogd 2009, p. 309. Schrapping van lid 2 zou Eggens niet ver genoeg gaan. Hij pleitte ervoor alle algemene uitlegartikelen af te schaffen, zie J. Eggens, ‘Uitleg van uiterste wilsbeschikkingen’, in: Meijers en Eggens 1951, p. 96.
305. Art. 4:46 BW bevat de algemene regels voor uitleg van uiterste wilsbeschikkingen Lid 1 schrijft voor dat bij de uitlegging van een uiterste wilsbeschikking dient te worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen, en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt. Dat met de ‘verhoudingen en omstandigheden’ rekening moest worden gehouden, was onder het oude recht al vaste jurisprudentie. Een verschil tussen het oude en het nu geldende recht is, dat onder het oude recht eerst aan de hand van de ‘verhoudingen en omstandigheden’ moest worden vastgesteld of de bewoordingen van een uiterste wilsbeschikking duidelijk waren.1 Alleen bij onduidelijke bewoordingen kwam men toe aan uitleg.2 De formulering van art. 4:46 lid 1 BW is breder: uitleg moet plaatsvinden op basis van de ‘verhoudingen en omstandigheden’.3 Het artikellid vereist niet dat dit alleen is toegestaan bij onduidelijke bewoordingen. Tot zover is het nieuwe regime een vooruitgang.
306. Het onderscheid tussen duidelijke en onduidelijke bewoordingen weerklinkt wel in art. 4:46 lid 2 BW.4 Alleen als de uiterste wilsbeschikking anders geen ‘duidelijke zin’ heeft, mogen daden en verklaringen van de erflater die niet zijn opgenomen in de uiterste wil worden meegenomen in de uitleg. De ratio achter de beperkte strekking van dit artikellid is dat zonder deze regel de vormvoorschriften kunnen worden uitgehold.5 Als uitleg aan de hand van daden en verklaringen buiten de uiterste wil is toegestaan, mogen zowel verklaringen en gedragingen van vóór het maken van het testament als die van nà het maken van het testament worden meegewogen.6
Mijn eerste bezwaar tegen art. 4:46 lid 2 BW is het gebruik van de zinsnede ‘geen duidelijke zin’. Wat wordt daarmee bedoeld? Heeft de uiterste wilsbeschikking ‘geen duidelijke zin’ als de beschikking onmogelijk kan worden uitgevoerd? Voor dat geval geeft art. 4:47 BW echter al een specifieke regeling. De wetgever koppelt de ‘zin’ van de uiterste wilsbeschikking aan de ‘bedoeling’ van de erflater.7 Als die bedoeling niet duidelijk kan worden vastgesteld, ook niet door te kijken naar de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen en de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt, mogen pas dan verklaringen en gedragingen buiten de uiterste wil worden gebruikt om te achterhalen wat de erflater nu heeft bedoeld te regelen. Voorstelbaar is, dat in de uiterste wilsbeschikking bewoordingen worden gebruikt waaruit achteraf niet blijkt wat de erflater ermee bedoeld heeft. Maar waarom gebruikt de wetgever in art. 4:46 lid 2 BW de woorden ‘geen duidelijke zin’? Hoe kan een bedoeling ‘duidelijk’ worden vastgesteld? Uiteindelijk zal een rechter toch al dan niet overtuigd zijn van een door één der partijen betoogde bedoeling? Het woord ‘duidelijk’ in de wettekst werkt, ironisch genoeg, verwarrend.
307. Als ratio voor art. 4:46 lid 2 BW wordt aangevoerd dat al te ruimhartig gebruik van verklaringen en gedragingen bij de uitleg van uiterste wilsbeschikkingen de vormvoorschriften kan uithollen. Tot op zekere hoogte is begrijpelijk dat als de wet voorschrijft dat een uiterste wilsbeschikking slechts geldig gemaakt kan worden als bepaalde vormvereisten in acht worden genomen, de bewoordingen in het document niet zomaar een andere betekenis mogen krijgen op basis van buiten het document liggende informatie. De constructie die de wetgever heeft gekozen in art. 4:46 lid 2 BW, is mijns inziens echter onnodig gekunsteld. Het was mijns inziens inzichtelijker geweest om aan te sluiten bij de meer taalkundige uitlegmaatstaf die ook in het contractenrecht worden gehanteerd. Ik kom hier later op terug.
Dit tweede bezwaar tegen art. 4:46 lid 2 BW hangt samen met het feit dat de Hoge Raad het begrip ‘omstandigheden’ uit lid 1 ruim uitlegt, zodat ook gedragingen van de erflater als bedoeld in lid 2 daaronder vallen.8 Daarmee is de verhouding tussen lid 1 en lid 2 onoverzichtelijk. Perrick en Van Dunné hebben hierop kritiek geuit en menen dat de rechter altijd rekening zou moeten houden met verklaringen en gedragingen buiten de uiterste wilsbeschikking.9 Volgens Perrick kunnen ook daden en verklaringen van de erflater buiten de uiterste wil omstandigheden zijn die de uiterste wil onduidelijk maken.10 De beperkende werking van art. 4:46 lid 2 BW moet volgens hem niet worden overschat. Hierbij tekent Perrick wel aan dat dan alleen mag worden gelet op verklaringen en gedragingen voor zover daarmee de bedoelingen ten tijde van het maken van het testament kunnen worden achterhaald.11 Ik sluit mij aan bij de opvatting van Perrick en Van Dunné. Dat heeft tot gevolg dat art. 4:46 lid 2 BW geen betekenis heeft.12
308. Ten slotte bevat lid 3 van art. 4:46 BW een specifieke uitlegregel die kan worden toegepast bij kennelijke vergissingen in de aanduiding van een persoon of een goed. De wil wordt dan ten uitvoer gelegd volgens de bedoeling van de erflater, mits deze bedoeling ondubbelzinnig met behulp van de uiterste wil of andere gegevens kan worden vastgesteld. Lid 3 wijkt dus af van het in lid 2 neergelegde beginsel dat buiten de uiterste wil liggende verklaringen of gedragingen alleen kunnen worden ingeroepen als de uiterste wil anders geen duidelijke zin heeft. De werkingssfeer van lid 3 is beperkt. Men komt er pas aan toe als de ‘verhoudingen en omstandigheden’ als bedoeld in lid 1 geen uitkomst bieden en er ondanks de vergissing wel een duidelijke zin is als bedoeld in lid 2. De wet biedt in die gevallen wel de ruimste uitlegmogelijkheden, nu de bedoeling van de erflater doorslaggevend is.13Art. 4:46 lid 3 BW draagt bij aan nog grotere onduidelijkheid. Want wanneer kan een bedoeling ‘ondubbelzinnig’ worden vastgesteld? En in welke concrete situaties kan lid 3 uitkomst bieden?
309. De Hoge Raad behandelt het leerstuk van uitleg van uiterste wilsbeschikkingen met de nodige flexibiliteit.14Ook in de literatuur wordt de kritiek op art. 4:46 BW luider. De Commissie Erfrecht bepleitte in 2011 de afschaffing van art. 4:46 lid 2 en 3 BW en de toevoeging van het woord ‘mede’ aan lid 1,15 een visie die gedeeld wordt door Kolkman.16 Art. 4:46 BW zou dan bepalen dat ‘bij de uitlegging van uiterste wilsbeschikkingen dient mede gelet te worden op de verhoudingen die de uiterste wilsbeschikking kennelijk wenst te regelen, en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt’.