Einde inhoudsopgave
Het uniciteitsbeginsel in het goederenrecht (O&R nr. 92) 2016/1.1
1.1 De algemeenheid van goederen en het uniciteitsbeginsel
V. Tweehuysen, datum 31-01-2016
- Datum
31-01-2016
- Auteur
V. Tweehuysen
- JCDI
JCDI:ADS452042:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Ook buiten het geval waarin een erfgenaam beneficiair aanvaardt, vormt de nalatenschap een afgescheiden vermogen, namelijk wanneer er meerdere erfgenamen zijn of wanneer er slechts één erfgenaam is en de nalatenschap wordt vereffend. Zie over de nalatenschap als afgescheiden vermogen Asser/Perrick 4 2013, nr. 483, 529-531; Van Es, GS Vermogensrecht, art. 3:80 BW, aant. 17.3 (online, laatst bijgewerkt op 1 mei 2013); Lammers, GS Vermogensrecht, art. 3:189 BW, aant. 7, art. 3:190 BW, aant. A, art. 3:192 BW, aant. 2 (online, laatst bijgewerkt op 18 december 2013); Van Mourik e.a. 2011, p. 33-38, 63, 451, 475-476, 487; Reinhartz, GS Erfrecht, art. 4:200 BW, aant. 3, art. 4:224 BW, aant. 1 (online, laatst bijgewerkt op 1 oktober 2011); Steneker 2005, p. 99-102; Vegter 2005, p. 357-358.
Parl. Gesch. Boek 3, p. 624.
Zie Asser/De Boer 1* 2010, nr. 355-356. Ook vormt de bijzondere gemeenschap een afgescheiden vermogen (art. 3:190-193 BW), zie Asser/De Boer 1* 2010, nr. 356; Asser/Perrick 3-V 2015, nr. 72; Faber 1996, p. 198; Lammers, GS Vermogensrecht, art. 3:192 BW, aant. A, aant. 2 (online, laatst bijgewerkt op 18 december 2013); Van Mourik e.a. 2011, p. 33; Parl. Gesch. Boek 3, p. 574-575; Steneker 2005, p. 96-99.
Zie paragraaf 3.3.1.
Bijvoorbeeld omdat het vruchtgebruik van de nalatenschap bij uiterste wilsbeschikking aan de langstlevende is gelegateerd, zie Asser/Perrick 4 2013, nr. 154; Van Mourik e.a. 2011, p. 148.
Zie hierover Tweehuysen 2009 en paragraaf 3.3.2.
Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 74; Fesevur 2005, p. 30; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 16; Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 59. Zie voorts paragraaf 3.2.
Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 74-75; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 16; Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 59, 307.
Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 74; Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 59.
Denizot 2008, p. XII; Libchaber, Rép. civ., “Biens”, nr. 64 (online, laatst bijgewerkt april 2015); Mazeaud, Mazeaud & Chabas 1996, nr. 280; Meiller 2012, nr. 1; zie ook Terré & Simler 2010, nr. 17.
Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 58; Fesevur 2005, p. 39; Parl. Gesch. Boek 3, p. 74-75; Wichers 2002, p. 61.
Zie hierover paragraaf 7.2.2.
Raaijmakers 2002a, par. 6.5, 8.1, 9; Pitlo/Raaijmakers 2006, par. 1.4, 1.6; Raaijmakers 2009; Van der Steur 2003, p. 203 e.v. Zie ook bij de stemuitslagen in het verslag van het congres “Eyes on Insolvency” 18 april 2013, Kentie & Kloet 2013: “Het zou mogelijk moeten zijn een pandrecht te vestigen op de onderneming als een ‘going concern’-geheel, inclusief goodwill. 56% vóór.” Voorts Tollenaar 2013, p. 14-16. Vgl. De Groot 2002.
Uiteraard kan deze gang van zaken voorkomen worden door de onderneming in een BV (of NV) onder te brengen en de aandelen daarin over te dragen of te verpanden. Economisch wordt dan hetzelfde bereikt. Juridisch betreft het echter een ander geval en bovendien zal het niet altijd gewenst zijn een onderneming in een BV in te brengen. Zie paragraaf 4.3.2.1.
Pitlo/Raaijmakers 2000, nr. 1.79-81; Pitlo/Raaijmakers 2006, p. 445, 451; Raaijmakers 2002a, p. 3-6; Raaijmakers 2002b, p. 684, 687, 691.
Zo bedienen zij zich bijvoorbeeld van de ‘verzamelpandakte-constructie’ om zo gemakkelijk mogelijk aan het vereiste uit art. 3:239 lid 1 BW te voldoen bij verpanding van toekomstige vorderingen, HR 3 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT6947, NJ 2012/261, JOR 2012/200, met noot Schuijling (Dix q.q./ING). Zie voorts Van den Heuvel 2004, p. 2-5; Kieninger 2004, p. 649-650.
Van Velten 2015, paragraaf 10.3.2. Zie hierover paragraaf 8.2.1.
Zie over deze vraag Kaptein 2011; Van Berkel 2011; Verdaas 2013; rb. Roermond 1 augustus 2012, ECLI:NL:RBROE:2012:BX5087, JOR 2012/309, met not Steneker. Zie hierover paragraaf 4.4.3.2.
Deze aanname wordt in paragraaf 2.3.2 verder onderbouwd.
In hoofdstuk 2 zal ik nader ingaan op het bestaan van het uniciteitsbeginsel in het Nederlandse recht.
Zie Struycken 2007, p. 779-796, waar wordt gewezen op het belang van het blootleggen van de beginselen van het goederenrecht. Overigens schaart Struycken het uniciteitsbeginsel daar niet onder.
1. Een erfgenaam aanvaardt een nalatenschap beneficiair. De erfgenaam is dan in de regel niet verplicht een schuld van de nalatenschap ten laste van zijn overig vermogen te voldoen (art. 4:184 lid 2 BW). Hoewel alle rechten en verplichtingen van de erflater over zijn gegaan op de erfgenaam (art. 4:182 BW), kunnen de schuldeisers de schulden die tot de nalatenschap behoren dus niet op het gehele vermogen van de erfgenaam verhalen, zoals zou volgen uit de hoofdregel van art. 3:276 BW. De schulden van de nalatenschap kunnen op grond van art. 4:184 lid 2 BW slechts worden verhaald op de goederen uit de nalatenschap. En op grond van art. 4:224 BW kunnen de overige schuldeisers van de erfgenaam zich pas op de goederen van de nalatenschap verhalen indien de bekende schuldeisers van de nalatenschap volledig zijn voldaan. Ook dat is een uitzondering op art. 3:276 BW: hoewel de goederen van de nalatenschap tot het vermogen van de erfgenaam zijn gaan behoren, kunnen de schuldeisers als bedoeld in art. 4:224 BW zich pas op die goederen verhalen ná de schuldeisers van de nalatenschap. De nalatenschap vormt binnen het vermogen van de erfgenaam dus een afgescheiden geheel: een afgescheiden vermogen (zie ook art. 4:200).1
Een huwelijk eindigt door echtscheiding, waardoor een ontbonden huwelijksgemeenschap ontstaat (art. 1:93, 99 en 149 BW). In de ontbonden huwelijksgemeenschap bevinden zich diverse goederen, zoals een stuk grond met daarop een huis, vorderingen op verscheidene banken, een auto en diverse andere roerende zaken. Eén van de deelgenoten wenst zijn aandeel in de (eigendom van de) auto over te dragen. Een ontbonden huwelijksgemeenschap is een bijzondere gemeenschap in de zin van art. 3:189 lid 2 BW. Op grond van art. 3:191 BW kan een deelgenoot in de gemeenschap in beginsel over zijn aandeel in de gehele gemeenschap beschikken. De deelgenoten kunnen echter in principe niet beschikken over hun aandeel in een tot de gemeenschap behorend goed afzonderlijk (art. 3:190 BW). De deelgenoot kan dus wel zijn aandeel in de gehele gemeenschap, in alle goederen, vervreemden of bezwaren (art. 3:191 BW), maar niet zijn aandeel in de auto afzonderlijk. Zo wordt voorkomen dat de andere deelgenoot bij elk goed telkens met een andere medegerechtigde geconfronteerd kan worden.2 Door deze beperking in de beschikkingsbevoegdheid van de deelgenoot, heeft de wet samenhang tussen de goederen van de bijzondere gemeenschap gecreëerd.3
Een onderneming4 of een nalatenschap5 wordt in vruchtgebruik gegeven. De hoofdgerechtigde kan van de vruchtgebruiker verlangen dat de tot de onderneming of nalatenschap behorende schulden uit de tot het vruchtgebruik behorende goederen worden voldaan (art. 3:222 lid 1 BW). De vruchtgebruiker verkoopt dan de goederen en draagt ze over, waarbij het vruchtgebruik op die goederen tenietgaat. Vervolgens voldoet de vruchtgebruiker de schulden uit de opbrengst van de goederen. Zonder art. 3:222 lid 1 BW zou, vanwege het zaaksgevolg dat aan het vruchtgebruik is verbonden, het vruchtgebruik bij overdracht van de goederen daarop blijven rusten, hetgeen mogelijk de prijs drukt. De hoofdgerechtigde zou dan meer goederen moeten verkopen of uit zijn overige vermogen bij moeten passen om de schulden te kunnen voldoen. De regeling van art. 3:222 BW zorgt er daarentegen voor dat de vruchtgebruiker gehouden is zijn vruchtgebruik ‘op te offeren’ om de schulden van de onderneming of nalatenschap te voldoen. Deze regeling zorgt daarmee voor een samenhang tussen de goederen en de schulden van de onderneming of nalatenschap.6
2. De nalatenschap, de bijzondere gemeenschap en de onderneming zijn allemaal te kenmerken als een algemeenheid van goederen: een hoeveelheid goederen die in het economische verkeer als eenheid wordt beschouwd.
Een eenheid die als zodanig blijft bestaan ook al wisselen de samenstellende onderdelen ervan.7 Andere klassieke voorbeelden van de algemeenheid zijn een kudde schapen, een kunstcollectie en een bibliotheek. Hoewel uit bovenstaande voorbeelden blijkt dat de wet de algemeenheid in sommige gevallen als eenheid behandelt, wordt de algemeenheid van goederen in het Nederlandse recht niet als object van goederenrechtelijke rechten erkend.8
Dat de algemeenheid van goederen niet als rechtsobject erkend wordt, is geen noodzakelijkheid. Onder het oud BW was de algemeenheid geen rechtsobject, maar bij de totstandkoming van het huidige BW is overwogen de algemeenheid van goederen als rechtsobject in te voeren. Uiteindelijk is dit niet gebeurd.9 In andere rechtsstelsels, bijvoorbeeld het Franse, is de algemeenheid object van goederenrechtelijke rechten.10 En in het Nederlandse recht is een zogenoemde ‘samengestelde zaak’ een rechtsobject. Losse lades in een ladekast, een spel kaarten, een huissleutel van een huis, een doos met deksel, een net sinaasappels; deze verzamelingen van stoffelijke objecten zijn zaken.11 Tussen deze samengestelde zaken en een algemeenheid zoals een bibliotheek bestaat slechts een gradueel en geen principieel verschil.12
In de Nederlandse rechtsliteratuur gaan stemmen op om in ieder geval de onderneming als rechtsobject te erkennen.13 Omdat de onderneming, als algemeenheid van goederen, niet als object van goederenrechtelijke rechten erkend wordt, is overdracht van een onderneming als geheel niet mogelijk; goederenrechtelijk bezien is een onderneming opgebouwd uit afzonderlijke goederen, die elk afzonderlijk overgedragen dienen te worden. Wil een ondernemer zijn onderneming aan een ander overdragen dan zal er een activa-passivatransactie plaats dienen te vinden.14 Raaijmakers acht het recht op dit punt onnodig gecompliceerd en wijst er op dat dit tot hoge maatschappelijke kosten leidt, omdat ondernemers zich bij het verrichten van dergelijke transacties moeten bedienen van een overvloed aan adviseurs zoals advocaten, notarissen en accountants.15
Deze gedachtegang kan van de overdracht van een onderneming doorgetrokken worden naar de vestiging van beperkte rechten op een onderneming. Eén zekerheidsrecht op een gehele onderneming is niet mogelijk. Maar banken lijken zo veel mogelijk zekerheid te willen verkrijgen.16 Zij kunnen dit slechts bereiken door alle onderdelen van een onderneming afzonderlijk aan zich te laten verpanden of te verhypothekeren. De gedachtegang kan ook doorgetrokken worden naar andere rechtsobjecten, zoals de aan het begin van deze paragraaf genoemde voorbeelden van het vruchtgebruik op een nalatenschap en het beschikken over een aandeel in de gehele gemeenschap als bedoeld in art. 3:191 lid 1 BW. Telkens valt de vraag te stellen of het niet onnodig gecompliceerd is dat deze algemeenheden niet als rechtsobject erkend worden, zoals Raaijmakers suggereert over de onderneming.
Ook wanneer een geheel van goederen strikt genomen niet als algemeenheid van goederen gekarakteriseerd kan worden, doet zich de vraag voor of het geheel een object van goederenrechtelijke rechten is of zou moeten zijn. Neem bijvoorbeeld de betrekking van meerdere onroerende zaken in één appartementensplitsing (art. 5:106 lid 6 BW). Op die manier kan een verband gecreëerd worden tussen verschillende registergoederen.17 Aangezien een appartementseigenaar een aandeel verkrijgt in de goederen die in de splitsing zijn betrokken, lijkt zich hier een vergelijkbare situatie voor te doen als bij de bijzondere gemeenschap. De bijzondere gemeenschap is echter tevens te karakteriseren als een algemeenheid van goederen, terwijl dit bij de in de splitsing betrokken goederen niet noodzakelijkerwijs het geval hoeft te zijn. De verzekeringsportefeuille is een ander voorbeeld. Het is de vraag of een pandrecht op een verzekeringsportefeuille mogelijk is.18 Oftewel, is dit samenstel van goederen een object van goederenrechtelijke rechten en zou het dat moeten zijn? Deze vraag is van belang, los van de vraag of een verzekeringsportefeuille als algemeenheid van goederen te kwalificeren is.
Ook wanneer een samenstel van objecten niet gekwalificeerd kan worden als algemeenheid van goederen kan zich dus de vraag voordoen of één recht op dit samenstel van goederen kan bestaan. Dit onderzoek beperkt zich daarom niet tot de algemeenheid van goederen; het startpunt is de aanname dat het Nederlandse recht slechts afzonderlijke goederen als rechtsobject erkent.19 Dit principe is wat ik het uniciteitsbeginsel zal noemen. Uniciteit houdt in dit verband in dat goederenrechtelijke rechten slechts op één object kunnen rusten en niet op meer dan één object tegelijk.
De afwijzing van de algemeenheid van goederen als rechtsobject wijst erop dat het Nederlandse recht het uniciteitsbeginselhanteert.20 Gezien het pleidooi van Raaijmakers en de (internationale) tendens tot het steeds omvattender worden van zekerheidsrechten, is het van belang dit beginsel aan een kritische analyse te onderwerpen.21 Waarom gaat het Nederlandse recht uit van dit beginsel en is het ook wenselijk om daar vanuit te gaan? Wat zouden de consequenties zijn van het loslaten van dit beginsel? Biedt het laten varen van het beginsel, zoals in het kader van de onderneming wordt gesuggereerd, voordelen? Of juist niet?