Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/4.2.5
4.2.5 Gelijkheidsargument
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS594987:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Löwensteyn stelt weliswaar dat art. 1401 oud BW (aansprakelijkheid voor onrechtmatige daden van ondergeschikten) naar zijn strekking zo moet worden geïnterpreteerd dat die voor de rechtspersoon tot dezelfde rechtsgevolgen leidt als voor de natuurlijke persoon (Löwensteyn 1965, p. 7-8), maar beargumenteert dit niet vanuit het belang van de wederpartij, zoals men in Duitsland doet.
Wansink 2006, p. 312-318.
Zie over dergelijke normen par. 7.12.
Buck 2001, p. 319. Aldus ook Lang (raadsheer bij het BGH) ten aanzien van Dachpfetten (zie par. 9.6.3) in zijn bijdrage aan het Karlsruher Forum 1994, p. 37. Zie voor rechtspraak waarin het Gleichstellungsargument onderdeel vormt van de motivering bijv. BGH8 december 1989, NJW1990, 975; BGH15 april 1997, NJW1997, 1917; BGH 13 oktober 2000, NJW 2001, 359; BGH 26 juni 2007, NJW 2007, 2989. Positief over het gelijkheidsargument: Medicus 1994, p. 15-16.
Aden 1999, p. 3099; volgens Buck (2001, p. 153) ook Hofmann, Jagenburg en Meyer.
Faßbender & Neuhaus 2002, p. 1259; Koller 1998, p. 77-79; Buck 2001, p. 322; Goldschmidt 2005, p. 1308-1309.
Buck 2001, p. 322.
Flume 1997, p. 443.
100. Een wederpartij mag niet slechter af zijn doordat hij een rechtspersoon in plaats van een natuurlijke persoon tegenover zich treft, zo luidt een laatste argument voor de toerekening van kennis aan rechtspersonen. Een rechtspersoon mag niet beter af zijn dan een natuurlijke persoon doordat de rechtspersoon meerdere individuen inzet om zijn werkzaamheden uit te voeren en de daarmee verbonden kennis te vergaren. Indien maar één individu de werkzaamheden had uitgevoerd, zou de kennis niet versplinterd zijn geraakt. De rechtspersoon mag zich er daarom niet op beroepen dat voor de wederpartij relevante kennis binnen de organisatie niet is gedeeld. Dit argument speelt bij de toerekening van kennis in het Nederlandse recht geen noemenswaardige rol.1 Alleen Wansink beroept zich op het gelijkheidsargument, maar dan juist ten behoeve van een beperking van de kring van personen wier geestesgesteldheid geldt als die van de rechtspersoon. Hij doet dit in het kader van de regeling van eigen schuld in het verzekeringsrecht. Wansink pleit ervoor die kring te beperken tot die van de bestuurders. Eigen schuld van ondergeschikte van een natuurlijke persoon geldt immers ook niet als eigen schuld van die natuurlijke persoon voor de toepassing van art. 7:952 BW.2 Deze redenering gaat echter alleen op in de context van normen waarvan de rechtsgevolgen uitsluitend intreden bij eigen kennis van de debiteur.3
Het ‘Gleichstellungsargument’ is een belangrijke pijler onder de rechtspraak van het BGH over kennistoerekening bij organisaties in geval van kennisversplintering.4 Dat stuit in Duitsland echter ook op kritiek. Indien een rechtspersoon geacht wordt de kennis te hebben van al haar medewerkers gezamenlijk – zoals meerdere auteurs hebben bepleit5 – is er geen sprake van gelijkstelling. De rechtspersoon zal zich in dat geval veel minder vaak op onwetendheid kunnen beroepen dan een natuurlijke persoon, zodat de wederpartij juist beter af is.6 Buck vraagt zich af waarom het gelijkheidsargument – dat door het BGH alleen wordt toegepast op rechtspersonen en personenvennootschappen – niet ook zou gelden voor natuurlijke personen die gebruik maken van hulppersonen en vertegenwoordigers.7
101. Het belangrijkste argument tegen het gelijkheidsargument is wat mij betreft dat een natuurlijke persoon en een rechtspersoon op het gebied van kennis fundamenteel onvergelijkbaar zijn. Bij natuurlijke personen kan kennisversplintering zich per definitie niet voordoen. De kennis van hulppersonen is nooit eigen (interne) kennis van de natuurlijke persoon, maar altijd kennis van een ander, terwijl kennis van een hulppersoon (functionaris) van een rechtspersoon wel als eigen kennis van de rechtspersoon kan gelden. Het is dus helemaal niet mogelijk om aan de hand van een vergelijking met een natuurlijke persoon te bepalen of een rechtspersoon in geval van kennisversplintering als wetend moet worden behandeld. Flume noemt beide situaties “incommensurabel”.8 Ik acht het gelijkheidsargument geen solide rechtvaardiging voor de toerekening van kennis.