Toerekening van kennis aan rechtspersonen
Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/11.2:11.2 Wat hebben ‘hoedanigheidssituaties’ gemeen?
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/11.2
11.2 Wat hebben ‘hoedanigheidssituaties’ gemeen?
Documentgegevens:
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS599667:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
463. Vragen over de toerekening van kennis die een functionaris draagt in een andere hoedanigheid zullen zich voordoen wanneer de wederpartij ontdekt of vermoedt dat een functionaris van de rechtspersoon weliswaar bepaalde kennis had, maar die kennis niet heeft aangewend, met als meest waarschijnlijke reden dat hij die kennis in een andere hoedanigheid heeft opgedaan. Hoedanigheidsproblematiek kan zich zowel voordoen in standaardsituaties als in situaties van kennisversplintering.1 In het eerste geval draagt de handelende functionaris kennis in een andere hoedanigheid; in het tweede geval is dat de wetende functionaris.2
Waar situaties van kennisversplintering gemeen hebben dat de handelende functionaris de relevante kennis ontbeert,3 hebben ‘hoedanigheidssituaties’ gemeen dat de handelende of wetende functionaris de relevante kennis juist wél bezit. De wederpartij zal zich op het standpunt stellen dat mét de functionaris ook de rechtspersoon de relevante kennis droeg; de rechtspersoon zal zich op het standpunt stellen dat die kennis is opgedaan in een andere hoedanigheid en daarom niet aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. Indien voor de toerekening van die kennis niet al een andere norm is geformuleerd (zoals bij de decharge4) zal de rechter aan wie deze situatie wordt voorgelegd, de vraag moeten beantwoorden of de rechtspersoon naar verkeersopvattingen een beroep toekomt op het feit dat de functionaris zijn kennis niet heeft gebruikt, opgeslagen of doorgegeven, omdat hij die in een andere hoedanigheid heeft opgedaan. Met andere woorden: rechtvaardigt het feit dat kennis in een andere hoedanigheid is opgedaan, het niet-toerekenen daarvan aan de rechtspersoon?
‘Hoedanigheidssituaties’ hebben dus gemeen dat in essentie telkens dezelfde vraag moet worden beantwoord. Dat antwoord moet in verschillende gevalstypen echter worden gevonden aan de hand van verschillende uitgangspunten. In het hiernavolgende onderzoek formuleer ik voor een aantal gevalstypen uitgangspunten en breng ik daarop nuanceringen aan. Doel is om daarmee zo veel mogelijk handvatten te bieden voor de beoordeling van gevallen die zich in de praktijk voordoen. ‘Hard and fast rules’ zijn op dit gebied vrijwel niet te geven. Dat brengt mee dat ik in dit hoofdstuk de uitgangspunten en nuanceringen veelal formuleer in termen van terughoudendheid: mag een bepaalde omstandigheid een aanleiding vormen voor de rechter om terughoudend te zijn met de toerekening van kennis waarvan vaststaat dat een functionaris die heeft (maar deze heeft opgedaan in een andere hoedanigheid)? Wanneer het antwoord op die vraag ‘ja’ is, betekent dat niet automatisch dat de kennis niet mag worden toegerekend; het betekent dat er, om de kennis aan de rechtspersoon toe te kunnen rekenen, andere omstandigheden aanwezig moeten zijn die meer gewicht in de schaal leggen.