Einde inhoudsopgave
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/I.1.6.6
I.1.6.6 Interpretatie van het Unierecht
W.J. Blokland, datum 01-06-2016
- Datum
01-06-2016
- Auteur
W.J. Blokland
- JCDI
JCDI:ADS492899:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
M. Poiares Maduro, ‘Interpreting European Law: Judicial Adjudication in a Context of Constitutional Pluralism’, European Journal of Legal Studies 2007, no. 2, p. 4-5.
Idem, p. 1.
HvJ 6 oktober 1982, zaak 283/81, Jur. 1982, p. 3415 (CILFIT).
Zie nader Swinkels 2001, p. 71-115.
P. Craig & G. De Búrca, EU Law, Oxford (GB): Oxford Univerity Press 2008, p. 72-76; C. Bohn Jespersen, Intermediation of Insurance and Financial Services in European VAT, Alphen aan den Rijn: Kluwer Law International 2011, p. 81-85.
Zie nader Ch.P.A. Geppaart, Fiscale rechtsvinding in het kader van de Europese Unie, Deventer: Kluwer 1999, p. 35-44, in het bijzonder p. 41-43.
HvJ 6 oktober 1982, zaak 283/81, Jur. 1982, p. 3415, r.o. 18 (CILFIT).
Zie voor een fraai voorbeeld HvJ 11 juli 1985, zaak 107/84, FED 1987/340, r.o. 10 (Commissie/Duitsland; m.aant. D.B. Bijl).
Bv. HvJ 28 maart 1996, zaak C-468/93, FED 1996/690, r.o. 21 (concl. A-G Fennelly; GemeenteEmmen; m.aant. Y.E.J. Geradts); HvJ 27 april 1999, zaak C-48/97, V-N 1999/27.15, r.o. 23 (Kuwait Petroleum); HvJ 6 maart 2008, zaak C-98/07, BNB 2008/219, r.o. 22 (concl. A-G Bot; Nordania Finans; m.nt. J.J.P. Swinkels); HvJ 16 juli 2015, zaken C-108/14 en C-109/14, BNB 2016/25, r.o. 40 (concl. A-G Mengozzi; Larentia + Minerva/Marenave; m.nt. J.J.P. Swinkels). Zie ook Swinkels 2001, p. 100-105; A. van Dongen, De harmonisatie van de btw (diss. Tilburg), z.p. 2007, p. 46-49; C. Bohn Jespersen, Intermediation of Insurance and Financial Services inEuropean VAT, Alphen aan den Rijn: Kluwer Law International 2011, p. 65-68.
Swinkels 2001, p. 100-105. Na 2001 zijn mij ook geen gevallen bekend waarin het Hof van Justitie naar genoemde voorstukken heeft verwezen.
J. Watson & K. Garcia, ‘EU VAT and the Rule of Economics’, International VAT Monitor 2009, p. 190-197. Zie ook A. van Dongen, De harmonisatie van de btw (diss. Tilburg), z.p. 2007, p. 48 en 288-289; Beelen 2010, p. 19-22.
Zie ook D. Berlin, ‘Trends in the Tax Jurisprudence of the Court of Justice of the European Community’, EC Tax Review 1993, p. 80-95: ‘the contents of the decisions in the tax area may only reveal the same logic and the application of the same principles as that of the other judgements rendered in other areas: the reason is simple. It is above all a question of applying and interpreting EC law’.
In de EU-verdragen zijn geen voorschriften te vinden over de interpretatie van die verdragen en andere wetgevingsproducten van de EU. Men zou daarom te rade kunnen gaan bij artikel 31 van het Verdrag van Wenen waarin is afgesproken dat ‘[a] treaty shall be interpreted in good faith in accordance with the ordinary meaning to be given to the terms of the treaty in their context and in the light of its object and purpose’.Wetgevingsproducten van de EU zijn echter geen ‘treaty’. Bovendien is de heersende leer dat de EU-verdragen een autonome rechtsorde instellen. Zij vormen een overeenkomst tussen de burgers van de EU-lidstaten en niet tussen de lidstaten zelf.1
Het heeft tegen deze achtergrond meer zin te bezien hoe het Hof van Justitie met interpretatie omgaat binnen de autonome rechtsorde. Wat de interpretatie van het Hof betreft wordt aangenomen dat het zwaartepunt ligt bij de tekst van bepalingen, de context waarin bepalingen voorkomen, de context van de regeling in het Unierecht als geheel, en het doel (telos) van de bepaling of de regeling.2 Die aanknopingspunten zijn genoemd in het arrest in de zaak CILFIT.3 Het Hof van Justitie heeft daarbij geen duidelijke rangorde aangebracht.4 Niettemin wordt een tendens waargenomen dat het Hof van Justitie naar interpretaties zoekt die, gegeven de gehele context waarin een bepaling voorkomt, aansluiten bij hetgeen met de bepaling zou worden nagestreefd.5 Dit kan in de praktijk tot interpretaties leiden die betrekkelijk ver afstaan van een grammaticale interpretatie of die zelfs lijnrecht tegen de tekst ingaan. Dit wordt wel verklaard met de observatie dat het Unierecht ‘recht in aanbouw’ is dat moet leiden tot Europese integratie. Daardoor wordt het gekenmerkt door een zeker dynamisch element.6
De tekst, context en telos hanteert het Hof van Justitie ook bij de interpretatie van de richtlijnen over het btw-stelsel. Bij grammaticale interpretatie is een aandachtspunt dat alle taalversies van de richtlijn gelijkelijk authentiek zijn.7 In voorkomende gevallen is vergelijking van de diverse taalversies daarom noodzakelijk.8 Afgezien van de tekst, context en telos, grijpt het Hof van Justitie incidenteel terug op de historie in de vorm van het voorstellen voor een zesde richtlijn uit 1973 en 1974 en toelichtingen daarop.9 Andere voorstukken, zoals het ABC-rapport en het Neumark-rapport, heeft het Hof van Justitie nooit expliciet in zijn interpretatie betrokken.10 In de literatuur wordt verder verdedigd dat het Hof van Justitie bij de uitleg van de Btw-richtlijn in het algemeen opvallend veel gewicht toekent aan het systeem en het economische doel van de belasting. Watson en Garcia verwoorden dat treffend als volgt:11
‘The ECJ clearly recognizes that the legal provisions of the VAT Directives are subservient to the conceptual structure of the tax. Rather than regarding the detailed legal provisions of the Sixth Directive (or now the VAT Directive) as sacred text to be given effect in accordance with the expressed intention of the draftsman, it treats them as the legal delivery mechanism for an economically conceived tax and also as a mechanism which has to comply with various general principles of European law. Where the detailed provisions of the Directives do not deliver the economics or do not follow the principles of the First Directive, they are ruthlessly corrected by the ECJ.’
Deze benadering sluit aan bij de hiervoor genoemde wijze van interpreteren die het Hof van Justitie in het algemeen volgt. Dat is weinig verrassend, omdat het Hof van Justitie geen gespecialiseerde belastingkamer kent met belastingrechters.12 Van belang is ten slotte te realiseren dat bedoelde wijze van interpreteren, die soms ook wel activistisch wordt genoemd, geen absolute regel is die het Hof van Justitie altijd en onverkort toepast.