Einde inhoudsopgave
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/10.6.2
10.6.2 De aanvullende en beperkende werking van art. 6:248 BW
C. Spierings, datum 06-02-2016
- Datum
06-02-2016
- Auteur
C. Spierings
- JCDI
JCDI:ADS379241:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Voetnoten
Voetnoten
Parlementaire Geschiedenis Boek 3 BW, p. 222 (MvA II).
In het Ontwerp Meijers was in artikel 6:222 BW over verval van het aanbod een tenzij-formule opgenomen, inhoudend dat een aanbod niet vervalt door dood of verlies van handelingsonbekwaamheid, tenzij anders voortvloeit uit overeenkomst, gewoonte of billijkheid. Deze formule is gesneuveld, omdat volgens de minister hetzelfde resultaat bereikt kan worden door een redelijke uitleg van het aanbod, waarbij zowel de billijkheid als de aard van de transactie waarop het aanbod betrekking heeft van belang zullen zijn, vgl. Parlementaire Geschiedenis Boek 6 BW p. 887 (MvA II).
Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 222 (MvA II).
Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 222 (MvA II).
Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 222 (MvA II); Groene Serie Verbintenissenrecht, art. 6:228 BW, aant. 7.1, Jac. Hijma.
Zie over de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid bij uiterste wilsbeschikkingen par. 7.3.6.3.
Zie Hof Den Haag 24 juni 2014, NJF 2014/382.
Hof Amsterdam 30 september 2010, JOR 2010/306 (Jones Lang LaSalle/BosGijze).
440. Een specifiek aspect van de redelijkheid en billijkheid is de aanvullende en beperkende werking van art. 6:248 BW. Het artikel ziet alleen op overeenkomsten. Het is mijns inziens echter analoog van toepassing op gerichte eenzijdige rechtshandelingen.1 De bevoegdheid om bepaalde eenzijdige rechtshandelingen te verrichten kan contractueel worden toegekend, zoals een recht tot ontbinding of tot wijziging van contractsbepalingen. De ontbinding of wijziging zelf hangt dan zo sterk samen met het contract, dat zij door dezelfde norm moet worden beheerst. De toepasselijkheid van de redelijkheid en billijkheid op het aanbod,2 ontbindings-3 , opzeggings-4 en verrekeningsverklaringen5 wordt uitdrukkelijk aangenomen in de parlementaire geschiedenis.
441. Anders is dat mijns inziens voor ongerichte eenzijdige rechtshandelingen. De rechtsgevolgen van die eenzijdige rechtshandelingen worden, zoals ook bleek in nr. 431 over uitleg, in beginsel alleen bepaald door de (tekst van de) eenzijdige rechtshandeling zelf. In de wet of jurisprudentie kan wel worden bepaald dat de redelijkheid en billijkheid invloed hebben op een specifieke rechtshandeling. Dit kan echter niet direct op art. 6:248 BW gegrond worden.
Ten aanzien van de uiterste wilsbeschikking wordt bijvoorbeeld in Boek 4 BW op drie plaatsen aan de redelijkheid en billijkheid gerefereerd. Ten eerste kan ingevolge art. 4:123 BW de rechter de verbintenissen uit een legaat wijzigen of opheffen op grond van na het overlijden gewijzigde omstandigheden als naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding niet kan worden verwacht. Art. 4:133 BW ziet op de testamentaire last onder voorwaarde. Wordt de vervulling van een opschortende voorwaarde belet door degene op wie de last rust, dan geldt de voorwaarde als vervuld als de redelijkheid en billijkheid dat eisen. Andersom kunnen volgens lid 2 de redelijkheid en billijkheid verlangen dat een ontbindende voorwaarde geldt als niet-vervuld als de vervulling teweeggebracht is door degene op wie de last rust. Buiten deze specifieke bepalingen is de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid op uiterste wilsbeschikkingen beperkt (zie hierover uitgebreid par. 7.3.6.3). De regeling van art. 4:47 BW inzake het mogen aanvullen van een beschikking die onmogelijk uit te voeren blijkt, is niet gegrond op de redelijkheid en billijkheid, maar op de veronderstelde wil van de erflater. Er mag geen andere beschikking voor in de plaats worden gesteld, tenzij de wet anders bepaalt of uit de uiterste wil zelf afgeleid kan worden dat de erflater die andere beschikking gemaakt zou hebben als hij op de hoogte was geweest van de onmogelijkheid.6 Voor de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid is weinig ruimte, gelet op de rechtszekerheid.7
Ook bij de 403-verklaring is de werking van de redelijkheid en billijkheid zeer beperkt. In 2010 aanvaardde het Hof Amsterdam het beroep van een moedermaatschappij op de billijkheid om aansprakelijkheid voor intercompany vorderingen af te wenden,8 maar de toepassing van deze billijkheidscorrectie is, zoals uiteengezet in hoofdstuk 6, een uitzondering. De voorzichtige houding van lagere rechters is een indicatie dat de aanvullende en beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid niet zonder meer van toepassing is op de 403-verklaring.
442. De betrokkenen bij een eenzijdige rechtshandeling zijn kortom gehouden zich jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van de redelijkheid en billijkheid. De norm van art. 6:2 BW vindt overeenkomstige toepassing in situaties waarin de betrokkenen niet als schuldenaar en schuldeiser kunnen worden geduid. De aanvullende en beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid ex art. 6:248 BW kan analoog worden toegepast bij gerichte eenzijdige rechtshandelingen, maar in beginsel niet bij ongerichte eenzijdige rechtshandelingen.