Einde inhoudsopgave
Fusies en overnames in de Europese BTW (FM nr. 146) 2016/7.7.2
7.7.2 A priori belastbaarheid en het belang van de geruisloze overgang
S.B. Cornielje, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
S.B. Cornielje
- JCDI
JCDI:ADS413321:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Eenzelfde standpunt zou kunnen worden ingenomen met betrekking tot de toepassing van artikel 13 Btw-richtlijn. In het arrest HvJ EU 26 juni 2007, nr. C-284/04, V-N 2007/32.21 (T-Mobile Austria) bepaalde het Hof van Justitie dat het door een overheidsinstelling via een openbare veiling verkopen van UMTS-rechten geen economische activiteit in de zin van artikel 9 Btw-richtlijn vormt, waardoor aan de toepassing van artikel 13 Btw-richtlijn niet wordt toegekomen. Ook daar kan de vraag worden opgeroepen of artikel 13 Btw-richtlijn van toepassing kan zijn niettegenstaande de vraag of het overheidshandelen a priori belastbaar moeten worden geacht. In het genoemde arrest had dit naar mijn idee bovendien tot een eenvoudiger uitkomst geleid, aangezien er in die omstandigheden geen verwarring mogelijk was geweest over de gevolgen van het arrest op de reikwijdte van artikel 9 Btw-richtlijn. Zie in dit verband ook H.W.M. van Kesteren en M.E. van Hilten, Omzetbelasting, Deventer: Kluwer 2014, blz. 119.
In hoofdstuk 4 besprak ik reeds in algemene zin de noodzaak van a priori belastbaarheid voor de toepassing van de geruisloze overgang. Naar mijn overtuiging ontbreekt die noodzaak. Zoals in hoofdstuk 4 uitgebreid is onderbouwd, is het naar mijn idee in dit verband een misverstand te concluderen dat eerst de belastbaarheid van een handeling moet worden vastgesteld om toe te kunnen komen aan de onbelastbaarheid ingevolge artikel 19 Btw-richtlijn.1 Systematisch en dogmatisch wordt niet aan die prealabele vraag toegekomen. Als gevolg daarvan zou a priori belastbaarheid alleen dan een voorwaarde voor toepassing van de geruisloze overgang kunnen zijn, indien die voorwaarde zou zijn gelegen in de rechtsnorm van de geruisloze overgang zelf. Zoals ik heb aangegeven, blijkt uit de tekst van de bepaling, de totstandkoming noch het doel ervan dat die voorwaarde bestaat. Ook het Hof van Justitie heeft een dergelijke voorwaarde niet geformuleerd. Voorts heb ik beargumenteerd dat het tegendeel waar lijkt te zijn: de regeling overstijgt de werkingssfeer van de btw, zodat de regeling functioneert als reikwijdtebepaling. In die functie bevestigt en verscherpt toepassing van de geruisloze overgang de soms rafelige grenzen van de btw. De materiële rechtszekerheid wordt daarmee gediend.
Daarbij ben ik overigens van mening dat toepassing van artikel 19 Btw-richtlijn wel degelijk ‘zinvol’ kan zijn ten opzichte van niet-heffing als gevolg van een ontbrekende bezwarende titel of anderszins. Die toepassing kan duidelijkheid bieden over de indeplaatstreding.
7.7.2.1 Indeplaatstreding