Einde inhoudsopgave
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/3.3.1
3.3.1 Uitleg
C. Spierings, datum 06-02-2016
- Datum
06-02-2016
- Auteur
C. Spierings
- JCDI
JCDI:ADS375575:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Voetnoten
Voetnoten
Staudinger/Singer §133 BGB, nr. 3. Zie voor een kritische uiteenzetting over de vraag of het mogelijk is uitleggingsmethoden wettelijk vast te stellen: D. Vollmer, Auslegung und “Auslegungsregeln”, Berlijn: Duncker & Humblot 1990.
Staudinger/Roth §157 BGB, nr. 12; Münchener Kommentar zum BGB, §157, nr. 29 (Busche).
Staudinger/Singer §133 BGB, nr. 5.
Staudinger/Singer §133 BGB, nr. 6.
Staudinger/Singer §133 BGB, nr. 11.
Larenz/Wolf/Neuner 2012, §35, nr. 7, 17; Staudinger/Singer §133 BGB, nr. 18; Palandt/Ellenberger §133 BGB, nr. 5.
Schmidt 2013, p. 136.
Staudinger/Singer §133 BGB, nr. 18.
Larenz/Wolf/Neuner 2012, § 35, nr. 31; Staudinger/Singer §133 BGB, nr. 15; Münchener Kommentar zum BGB, §133, nr. 11 (Busche).
Medicus 2010, p. 130.
Staudinger/Singer §133 BGB, nr. 16; Larenz/Wolf/Neuner 2012, §35 nr. 32.
Münchener Kommentar zum BGB, §959, nr. 3 (Oechsler). Dit wordt herleid tot de eigendomsbescherming van §14 GG.
Hirsch 2013, p. 43.
Kornblum 1981, p. 803; Larenz/Wolf/Neuner 2012, §35 nr. 32; Staudinger/Singer §133 BGB, nr. 17; Münchener Kommentar zum BGB, §133, nr. 11 (Busche). Dit geldt ook voor de oprichting van een stichting (§81 BGB); oprichting van een eenmans-GmbH (§1 en §7 Abs 1 GmbHG).
Zie ook §362 HGB.
Larenz/Wolf/Neuner 2012, §37 nr. 39.
Staudinger/Singer §133 BGB, nr. 16; Larenz/Wolf/Neuner 2012, §35 nr. 32.
Vgl. HR 13 maart 1981, NJ 1981/635 (Ermes/Haviltex) en HR 17 september 1993, NJ 1994/173 (Gerritse/HAS).
HR 21 september 2012, NJ 2013/97.
117. §133 bevat een algemene uitlegnormen die geldt voor alle Willenserklärungen.1 Bij uitleg van een wilsverklaring moet de werkelijke wil worden gezocht in plaats van vast te houden aan de taalkundige betekenis van de gebruikte woorden. Volgens §157 BGB moet daarnaast in acht worden genomen wat de goede trouw (Treu und Glauben) en gewoonteregels eisen. Deze norm is deel van de titel over overeenkomsten, maar geldt volgens de literatuur ook voor eenzijdige rechtshandelingen.2 Binnen de uitlegnorm vertegenwoordigt §133 BGB de subjectieve elementen (het gaat om de werkelijke wil van partijen) en §157 BGB de normatieve elementen (Treu und Glauben en de gebruiken in het rechtsverkeer).3 De subjectieve wil die §133 BGB als uitgangspunt neemt, gaat in beginsel vóór op de objectieve verklaring ervan, namelijk in het geval de wil voortkomt uit de Selbstbestimmung van partijen en er geen grond bestaat het vertrouwen van de contractuele wederpartij of het rechtsverkeer te beschermen.4 Bij de wirkliche Wille van §133 BGB komt het overigens niet aan op de innerlijke wil van de verklarende, maar op hoe hij zijn wilsverklaring subjectief heeft bedoeld.
Het primaat van de wil geldt echter alleen, als belangen van de ontvanger zich daar niet tegen verzetten. §157 BGB brengt tot uitdrukking dat bij de uitleg van empfangsbedürftige wilsverklaringen de Empfängerhorizont, het perspectief van de ontvanger, in acht moet worden genomen. Dat perspectief wordt echter wel geobjectiveerd.5 Het gaat er niet om hoe de ontvanger de wilsverklaring heeft begrepen, maar hoe hij die redelijkerwijs had behoren te begrijpen.6 De bewoordingen van de verklaring worden daarbij tot uitgangspunt genomen.7 De ontvanger wordt enigszins geholpen door de bescherming van zijn vertrouwen op grond van §119-122 BGB. Blind vertrouwen wordt echter niet beschermd. Wie niet begrijpt wat werd bedoeld met de wilsverklaring, maar dat wel had kunnen begrijpen, mag zich niet op zijn individuele begrip van de inhoud van de wilsverklaring beroepen.8
118. Voor nichtempfangsbedürftige Willenserklärungen geldt een iets andere uitlegmaatstaf. Er wordt minder belang gehecht aan hoe derden de verklaring opvatten, zelfs niet als die toch op een of andere manier worden geraakt door de rechtshandeling. De uitleg richt zich naar de subjectieve betekenis die de verklarende zelf aan de verklaring geeft.9 Medicus heeft verdedigd dat vertrouwensbescherming geen overweging is.10 Dat is wellicht te stellig. Zo vindt §122 BGB, dat ziet op schadevergoeding in geval van vertrouwensbreuk, uitdrukkelijk ook toepassing bij nicht empfangsbedürftige Willenserklärungen.
Een illustratie van het samenspel tussen het grotere gewicht van de subjectieve bedoeling en de positie van derden bij nichtempfangsbedürftigeWillenserklärungen is de figuur van derelictie. Bij de vaststelling of iemand zijn eigendom prijsgeeft, komt het aan op de subjectieve wil van de eigenaar. Daar staat tegenover dat de wil tot prijsgeving ‘erkennbar betätigt’ moet zijn, dus hangt het toch van objectieve omstandigheden af, of in een concreet geval sprake is van derelictie.11 Derelictie moet welwillend worden uitgelegd (benignainterpretatio), wat inhoudt dat bij twijfel de eigendom geacht wordt niet te zijn prijsgegeven.12
In een tweetal gevallen wordt bij nicht empfangsbedürftige Willenserklärungen juist de nadruk gelegd op objectieve uitleg. Ten eerste is dat het geval bij eenzijdige rechtshandelingen die tot het publiek zijn gericht, en naar Duits recht dus nicht empfangsbedürftig.13 Rekening moet worden gehouden met de mogelijke betekenis die in het rechtsverkeer aan de wilsverklaring kan worden gehecht. Dit is met name relevant voor de uitloving. De rechtshandeling is gericht tot het publiek, en dus is het perspectief van het publiek maatgevend. Uitleg moet dus plaatsvinden op grond van objectieve maatstaven.14 Ten tweede wijs ik op de situatie geregeld in §151 BGB. Aanvaarding kan op grond van dit artikel ook worden afgeleid uit gedragingen en hoeft niet te blijken uit een uitdrukkelijke verklaring aan de aanbieder.15 Deze niet aan de aanbieder gecommuniceerde aanvaarding wordt gezien als een nicht empfangsbedürftige Willenserklärung. De wil om te aanvaarden moet wel op enigerlei wijze naar buiten toe blijken, door uitvoerings-, toe-eigenings- of gebruikshandelingen.16 Of hier sprake van is, wordt beoordeeld naar of een objectieve derde de gedragingen van de aanvaardende op grond van alle uiterlijke aanwijzingen beschouwt als een ‘werkelijke aanvaardingswil’. Het resultaat van de uitleg komt dichtbij de Empfängerhorizont die zo belangrijk is bij empfangsbedürftige Willenserklärungen.17
119. Het onderscheid dat naar Duits recht gemaakt wordt voor de uitleg van wilsverklaringen weerklinkt in de artikelen 3:33, 3:35 en 3:36 BW. Voor de uitleg van empfangsbedürftigeWillenserklärungen wordt in beginsel meer nadruk gelegd op de positie van de ontvanger van de verklaring, terwijl bij nichtempfangsbedürftige Willenserklärungen als uitgangspunt de subjectieve bedoeling van de verklarende doorslaggevend is. De geadresseerde van een rechtshandeling heeft op grond van art. 3:35 BW een sterkere positie bij het bepalen van de inhoud van een rechtshandeling dan een ‘derde’ op grond van art. 3:36 BW. De uit Nederlandse jurisprudentie voortvloeiende uitlegregels sturen erop aan dat een objectievere uitlegmaatstaf geldt voor wilsverklaringen die iemands rechtspositie beïnvloeden die geen invloed heeft gehad op de totstandkoming van die verklaring.18 Anderzijds heeft de Hoge Raad in 2012 geoordeeld dat bij uitleg van de eenzijdige aanwijzing van de begunstigde van een sommenverzekering primair moet worden gelet op de bedoeling van de verzekeringnemer, een subjectieve maatstaf dus.19 Dit strookt met hoe in het Duitse recht invulling wordt gegeven aan §133 en §157 BGB.