Einde inhoudsopgave
Uitbesteding in de financiële sector (O&R nr. 88) 2015/3.5.3
3.5.3 Belangen van anderen dan begunstigden
mr. drs. P. Laaper, datum 01-09-2015
- Datum
01-09-2015
- Auteur
mr. drs. P. Laaper
- JCDI
JCDI:ADS602194:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Een bijzondere en extreme casus deed zich voor in Rb Rotterdam 16 februari 2015, PJ 2015/53, m.nt. Witte (GSFS II). De beleggingsactiviteiten van het pensioenfonds waren geheel uitbesteed aan de bijdragende onderneming die tevens vermogensbeheerder was. De hoofdactiviteit van deze vermogensbeheerder bestond uit dividendarbitrage. Als gevolg daarvan bestonden ook de beleggingsactiviteiten van het pensioenfonds vrijwel uitsluitend uit dividendarbitrage. De effectenportefeuille werd gefinancierd met geleend geld dan wel derivaten, waarvan de omvang de ingelegde pensioenpremies tot soms 800 maal overschreed. De opbrengsten van de beleggingen bestonden uitsluitend uit dividendbelasting die het pensioenfonds vanwege haar fiscale status kon terugvragen. Een groot deel van die opbrengsten kwamen ten goede van de vermogensbeheerder.
Zo ook DNB en de Rechtbank Rotterdam in Rb Rotterdam 25 april 2013, JOR 2013/ 178, m.nt. Voerman & Kuiper (Johnson & Johnson), r.ov. 5.3.
Kuiper & Lutjens 2011a, p. 9 en Kuiper & Lutjens 2011b, p. 162 wijzen op art. 105, lid 2, Pw.
Maatman wijst daartoe op Principe A5 uit de STAR-Principes voor goed pensioenfondsbestuur 2005 (Maatman 2007a, p. 179). Dit Principe is thans opgenomen in Principe 2.1 van de Code Pensioenfondsen.
Art. 18, lid 1, sub a, Pensioenrichtlijn.
Het woord “uitsluitend” is niet in art. 135 Pw opgenomen. De verplichting tot richtlijnconforme interpretatie noopt ertoe dit woord er wel in te lezen. Voor premiepensioeninstellingen is het uitsluitende karakter wel opgenomen (art. 3:267b, lid 2, Wft).
Maatman 2007a, p. 179.
Zie bijv. Rb Rotterdam 25 april 2013, JOR 2013/178, m.nt. Voerman & Kuiper (Johnson & Johnson).
Evenzo Voerman & Kuiper 2013.
Niet enkel de begunstigden hebben belang bij het beleggingssucces van het pensioenfonds. Ook de bijdragende onderneming heeft belang bij de kwaliteit van het door (of namens) het pensioenfonds gevoerde vermogensbeheer. Hij draagt immers bij in de pensioenpremies. Soms ook kennen bijdragende ondernemingen een bijstortingsverplichting in geval van onderdekking van het pensioenfonds.1 Het door de bijdragende onderneming gewenste risico-rendementsprofiel kan afwijken van het risico-rendementsprofiel dat het beste bij de verplichtingenstructuur van het pensioenfonds past. Mag het belang van de bijdragende onderneming meewegen en, zo ja, in welke mate?
Er is wel betoogd dat het pensioenfonds naast het belang van de begunstigden, ook het belang van de werkgever (respectievelijk bijdragende onderneming) moet meewegen.2 Daartoe wordt erop gewezen dat naar Nederlands recht het belang van de werkgever moet meewegen in de besluitvorming van het pensioenfondsbestuur, zodanig dat álle betrokkenen, ook de werkgever, zich bij het pensioenfonds op evenwichtige wijze vertegenwoordigd kunnen voelen in het bestuur.3 Ook wordt gewezen op de Code pensioenfondsen die verlangen dat het pensioenfonds handelt ten behoeve van álle belanghebbenden van het fonds, waaronder ook weer de financieel betrokken werkgever(s).4
De tekst van de Pensioenrichtlijn laat er geen misverstand over bestaan dat de belangen van de begunstigden voorop staan, ook in het geval van tegenstrijdige belangen: “de activa worden belegd in het belang van de deelnemers en de pensioengerechtigden. In geval van mogelijke tegenstrijdige belangen zorgt de instelling of het lichaam dat haar portefeuille beheert, ervoor dat de belegging uitsluitend in het belang van de deelnemers en de pensioengerechtigden geschiedt”.5 Het sleutelwoord is hier “uitsluitend”.6 Maatman formuleert het zo dat “de belangen van de [deelnemers] zwaarder moeten wegen dan het belang van de financieel betrokken werkgever(s), indien deze belangen conflicteren”.7
Hieruit volgt echter ook dat het niet zinvol is apart aandacht te besteden aan het belang van de bijdragende onderneming. Haar belang kan niet tot een aanpassing van het beleggingsbeleid leiden. Als de belangen van de bijdragende onderneming parallel lopen aan die van de begunstigden, dan hoeft het niet; lopen de belangen niet parallel, dan mag het niet.8
Dit laat onverlet dat het pensioenfonds bij meer algemene beleidskeuzes wél met de belangen van de werkgever (en eventuele anderen) rekening moet houden. In het beleggingsbeleid mogen hun belangen echter geen rol spelen.9 Anders gezegd: de verplichting om bij het beleggingsbeleid uitsluitend rekening te houden met de belangen van de begunstigden, maakt een uitzondering op de algemene verplichting om ook met de belangen van de werkgever rekening te houden.