Einde inhoudsopgave
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/6.4.0
6.4.0 Introductie
mr. F. Veenstra, datum 28-10-2010
- Datum
28-10-2010
- Auteur
mr. F. Veenstra
- JCDI
JCDI:ADS467970:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vergelijk ook Maeijer in zijn noot in NJ 2003, 538 (onder HR 4 april 2003 (Skipper Club Charter)): ‘Veel te ver gaat mij echter de stellingname in het cassatiemiddel sub 1.7: dat zulk een beslissing in die procedure een omkering van de (stelplicht en) bewijslast zou meebrengen.’ Maeijer wijst ook op de anders luidende opvatting De Witt Wijnen (1997, p. 103), die opmerkt dat omkering van de bewijslast voor de hand lijkt te liggen indien de OK een afkeurend oordeel heeft gegeven over de rol van individuen.
HR 8 april 2005, JOR 2005, 119, r.o. 3.8 (Laurus, m.nt. Brink).
HR 10 januari 1997, NJ 1997, 360, r.o. 3.3.1(Staleman/Van de Ven, m.nt. Maeijer).
Asser-Maeijer 2-III 2000, nr. 321 (p. 435-436); Borrius 2003, p. 92. Zie in soortgelijke zin Van Solinge in zijn noot (onder 8) in NJ 2006, 443 (onder HR 8 april 2005 (Laurus)). Dat overigens ook het begrip ‘bewuste roekeloosheid’ verschillend kan worden uitgelegd, blijkt uit de noot van Jansen & Loonstra in JOR 2000, 11 (onder HR 10 december 1999 (Moonen)).
Van Schilfgaarde/Winter 2009, p. 168-169. Vergelijk ook Wezeman 2003, p. 232, naar aanleiding van het arrest Berghuizer Papierfabriek van 29 november 2002: ‘De Hoge Raad bevestigt allereerst nog eens de met het arrest Staleman/Van de Ven (...) ingezette lijn, dat een bestuurder alleen op grond van art. 2: 9 BW jegens de vennootschap aansprakelijk is indien hem een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Deze eis is net iets genuanceerder (mijn cursivering, FV) dan het voor aansprakelijkheid van gewone werknemers door de wetgever verlangde opzettelijk of bewust roekeloos handelen (vergelijk art. 7: 661 BW).’
De gedachte dat voor aansprakelijkheid op grond van art. 2: 9 BW een gewone vorm van schuld volstaat, althans zou kunnen volstaan, is eerder geventileerd door Blanco Fernández: Blanco Fernández 2000.
Assink & Olden 2005, p. 10-11.
206. In de inleiding bij dit hoofdstuk is reeds ter sprake gekomen dat hoewel uit Laurus kan worden afgeleid dat de door de Ondernemingskamer gegeven overwegingen géén gezag van gewijsde kunnen hebben doch hooguit vrije bewijskracht, het oordeel wanbeleid ‘onder omstandigheden wel de bewijsrechtelijke betekenis [kan] hebben dat de rechter, mede gelet op de inhoud van het door de onderzoekers opgestelde verslag en het daarover in de tweede procedure van de enquête gevoerde debat, voorshands bewezen acht dat de aangesproken persoon tegenover de rechtspersoon zijn taak niet heeft vervuld op de wijze waarop een redelijk bekwame en redelijk handelende functionaris die taak in de gegeven omstandigheden had behoren te vervullen.’1 Ik onderzoek in paragraaf 6.4.2 of deze nuancering een verbetering inhoudt voor de bestuurders en commissarissen in een latere aansprakelijkheidsprocedure. Daartoe wordt enerzijds bezien in welke gevallen een beroep op art. 236 Rv naar de letter van de wet zou kunnen worden toegewezen en welke hiervan de gevolgen zijn (6.4.2.1) en anderzijds welke de consequenties zijn voor bestuurders en commissarissen van een voorshandse bewezenverklaring (6.4.2.2). Ik besteed echter eerst aandacht aan twee andere vragen aangaande de beschikking inzake Laurus (paragraaf 6.4.1). De beslissing van de Hoge Raad roept in de eerste plaats de vraag op of zij zich eveneens uitstrekt tot de procedure tot kostenverhaal (6.4.1.1). In aansluiting hierop sta ik stil bij de vraag welke de reikwijdte is van de beslissing dat commissarissen in de tweede procedure van de enquête geen recht op tegenbewijs toekomt (6.4.1.2).
Ik maak nog een opmerking vooraf. Ik heb er in paragraaf 6.2.4 op gewezen dat de Hoge Raad in het arrest Staleman/Van de Ven heeft beslist dat voor aansprakelijkheid op de voet van art. 2: 9 BW vereist is dat de bestuurder, alle omstandigheden in acht genomen, een ernstig verwijt kan worden gemaakt.2
Een complicerende factor hierbij is dat in de literatuur geen eenduidige invulling wordt gegeven aan het criterium ernstig verwijt. De discussie betreft in de kern de vraag of het ernstig verwijt een vorm van gekwalif iceerde schuld behelst (vergelijkbaar met bewuste roekeloosheid) en zo ja, of de ernstige verwijtbaarheid een vereiste is náást onbehoorlijke taakvervulling. Ik begeef mij niet in deze discussie, maar bespreek de vraag welke de betekenis is van overwegingen van de Ondernemingskamer aan de hand van twee uiteenlopende visies wat betreft art. 2: 9 BW. Een aantal schrijvers, onder wie Maeijer en Borrius, betoogt dat ernstige verwijtbaarheid aansluit bij respectievelijk op één lijn te stellen is met bewuste roekeloosheid.3 Van Schilfgaarde en Winter stellen in reactie hierop echter dat van het criterium ernstig verwijt mag worden aangenomen dat het eerder tot aansprakelijkheid leidt dan bewuste roekeloosheid.4 Assink en Olden menen dat voor aansprakelijkheid op de voet van art. 2: 9 BW een gewone mate van schuld volstaat5: de bestuurder kon zich in redelijkheid niet anders gedragen of hij wist niet en behoefde niet te weten dat zijn gedraging tot benadeling van de vennootschap zou leiden.6 Zij menen dat de beschermingsgedachte ligt opgesloten in het element ‘onbehoorlijke taakvervulling’: ‘Niet iedere fout, misslag of achteraf bezien onjuiste beoordeling van feiten en omstandigheden (errors in judgment) kan tot bestuurdersaansprakelijkheid leiden. Het moet gaan om serieuze fouten, krasse gevallen, fundamenteel tekortschieten. Kortom, om ernstig onzorgvuldig bestuurlijk gedrag. Pas dan komt de bestuurder niet langer het voordeel van de twijfel toe. Daarmee heeft de kwalif icatie ‘ernstig’ in onze visie ook een plaats gevonden, of: een betere plaats gevonden. Niet het verwijt moet ernstig zijn (...), maar het bestuurlijk tekortschieten.’7