Het nationale budgetrecht en Europese integratie
Einde inhoudsopgave
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/8.5.2.2.1:8.5.2.2.1 Het advies van de Raad van State
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/8.5.2.2.1
8.5.2.2.1 Het advies van de Raad van State
Documentgegevens:
mr. S.P. Poppelaars, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. S.P. Poppelaars
- JCDI
JCDI:ADS455291:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2011/12, 33221, 4, p. 5-6.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het advies van de Raad van State over de goedkeuringswet bij het ESM-verdrag besteedde in een afzonderlijke paragraaf aandacht aan de positie van de Staten-Generaal bij de inzet van het ESM.1 Het ging daarbij in op de positie van het parlement bij het opvragen en bij het verhogen van kapitaal. De Raad van State erkende in het kader van het eerste element dat de Staten-Generaal met de goedkeuring van het ESM-verdrag instemmen met de daarbij behorende financiële verplichtingen voor Nederland.2 Volgens de Raad van State is daarmee strikt genomen democratische invloed uitgeoefend op de financiële claim die het ESM-verdrag op Nederland vestigt en die kan oplopen tot 40 miljard euro. De Raad van State was echter van oordeel, gelet op de grote financiële verplichtingen, dat het gewenst is de Staten-Generaal ook te betrekken bij de besluitvorming door de ESM-organen over de effectuering van deze claim.3 Tevens stelde de Raad van State dat er, mede in het licht van artikel 105 Gw, een voorziening op nationaal niveau dient te bestaan die recht doet aan de noodzaak van democratische controle op het handelen van de minister van Financiën in het kader van het ESM, maar tegelijkertijd niet in de weg staat aan de slagvaardigheid van het ESM. Dit was volgens de Raad van State in het bijzonder van belang, nu er geen sprake is van democratische controle vanuit het Europees Parlement, omdat het ESM-verdrag intergouvernementeel is. De toelichting bij het ESM-verdrag verwees in dit kader naar het hierboven besproken voorstel dat de minister van Financiën eerder had gedaan om nadere afspraken te maken met het parlement rondom de besluitvorming over EFSF-operaties.4 De regering stelde in de toelichting opnieuw voor om die afspraken ook van toepassing te laten zijn op het ESM. De Raad van State was hiermee echter nog niet tevreden en adviseerde om in de toelichting aandacht te besteden aan de inhoud van een dergelijke behandelprocedure.5 De regering heeft aan dit advies echter geen gevolg gegeven.
Ten aanzien van de verhoging van het maatschappelijk kapitaal stelde de Raad van State dat het ESM-verdrag niet duidelijk maakt wat moet worden verstaan onder de ‘toepasselijke nationale procedures’, die volgens het verdrag gevolgd moeten worden.6 Uit het advies blijkt dat de toelichting bij de goedkeuringswet die naar de Raad van State is gestuurd, vermeldde dat dit voor Nederland betekent dat een verhoging van het maatschappelijk kapitaal goedgekeurd moet worden door het parlement. De Raad van State adviseerde echter om in de toelichting duidelijk te maken dat dit vereist is op grond van artikel 91, eerste lid, Gw. Die bepaling schrijft voor dat verdragen door het parlement goedgekeurd moet worden. Hieronder moeten ook wijzigingen van bestaande verdragen worden geschaard, aldus de Raad van State. Nu het maatschappelijk kapitaal in het ESM-verdrag is vastgelegd, betekent een verhoging daarvan een wijziging van het verdrag. Door de toelichting op dit punt aan te vullen kan hierover geen onduidelijkheid bestaan, zo luidde het advies van de Raad van State. Als gevolg van deze opmerkingen van de Raad van State werd de memorie van toelichting aangevuld met een verwijzing naar artikel 91, eerste lid, Gw.7 Daarmee stond vast dat een verhoging van het maatschappelijk kapitaal goedkeuring behoeft van het parlement.