Einde inhoudsopgave
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/10.6.1
10.6.1 De gedragsnorm van art. 6:2 BW
C. Spierings, datum 06-02-2016
- Datum
06-02-2016
- Auteur
C. Spierings
- JCDI
JCDI:ADS381640:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Voetnoten
Voetnoten
Zie over het verbintenisscheppende karakter van het aanbod par. 5.5.
Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 222 (MvA II).
Volgens Bloembergen wordt de vrijheid om verzochte toestemming te weigeren, begrensd door de redelijkheid en billijkheid, Bloembergen 1971, p. 15. In de parlementaire geschiedenis en literatuur wordt bijvoorbeeld aanvaard dat de eigenaar gebonden is aan de goede trouw voor het verlenen van toestemming voor overdracht van een erfpachtrecht. Zie Parl. Gesch. Boek 5 BW, p. 311 (MvT); Bloembergen 1971, p. 15; Plantenga en Treurniet 1957, p. 24, 38, 111-112.
Zie hierover nr. 42.
HR 19 februari 1982, NJ 1982/571, vgl. J.E. Fesevur, ‘Redelijkheid en billijkheid’, in Bartels & Milo 2000, p. 51; Vonck 2013, p. 248, 260; Huijgen in Van Velten, Snijders en Huijgen 1995, p. 159; De Vries & Pleysier 2002, p. 55-56.
Zie ten aanzien van het aanbod Asser/Hijma 7-I* 2013/169; Van Erp 1990, p. 35; Schut 1987 p. 77-78; Drion, ‘Precontractuele verhoudingen naar Nederlands recht’, Geschriften, p. 247; Groene Serie Verbintenissenrecht, Art. 6:219 BW, aant. 38.2, Y.G. Blei Weissman. Zie over (on)herroepelijkheid van een volmacht Parl. Gesch. Boek 3, p. 294 (MvA II); Asser/Van der Grinten & Kortmann 2-I 2004/72.
Asser/Van der Grinten & Kortmann 2-I 2004/84.
Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 222 (MvA II); Groene Serie Verbintenissenrecht, art. 6:228 BW, aant. 7.1, Jac. Hijma; W. Snijders 1999 I, p. 563; Faber 2005, nr. 134; Wessels 1996, p. 13.
In het kader van art. 3:74 lid 4 BW, zie Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 294 (MvA II); Asser/Van der Grinten & Kortmann 2-I 2004/72.
Drion, ‘Precontractuele verhoudingen naar Nederlands recht’, Geschriften, p. 247; Groene Serie Verbintenissenrecht, art. 6:221 BW, aant. 2.16.1 en aant. 1.11.2, Y.G. Blei-Weissmann.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014/398; Wolters 2013, p. 17; Bakker 2012, p. 5 e.v.
Zie art. 2:15 lid 1 sub b BW; Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/365; HR 30 oktober 964, NJ 1965/107; Hof Amsterdam 31 januari 2012, JOR 2012/108.
Asser/Mijnssen, Van Velten & Bartels 5* 2008/351; vgl. Hof Amsterdam 15 november 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:BC2947.
Van Mourik in Handboek Erfrecht 2011, p. 79; W. Snijders 1999 II, p. 589.
W. Snijders 1999 II, p. 589.
438. De norm van art. 6:2 BW geldt mijns inziens ook voor betrokkenen bij een gerichte eenzijdige rechtshandeling. Als de eenzijdige rechtshandeling een verbintenis in het leven roept, is één partij schuldeiser en de ander schuldenaar. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer een aanbod wordt gedaan.1 Ook als de eenzijdige rechtshandeling zelf geen verbintenissen schept, wordt de rechtshandeling vaak verricht in een rechtsverhouding waar partijen als schuldeiser en schuldenaar tegenover elkaar staan, en zich dus jegens elkaar moeten gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid. Volgens de parlementaire geschiedenis worden de rechtsgevolgen van eenzijdige rechtshandelingen die in het kader van een contractuele rechtsverhouding verricht worden mede beheerst door de eisen van redelijkheid en billijkheid.2
In literatuur en jurisprudentie wordt aangenomen dat betrokkenen gebonden zijn aan de gedragsnorm van de redelijkheid en billijkheid bij toestemmingverlening,3 opzegging van overeenkomsten4 en beperkte rechten,5 herroeping,6 bekrachtiging,7 verrekening,8 volmacht9 en de aanvaarding van een aanbod.10
439. Ook voor ongerichte eenzijdige rechtshandelingen geldt dat de gedragsnorm van art. 6:2 BW rechtstreeks van toepassing is op rechtshandelingen die verbintenissen scheppen, zoals de 403-verklaring en het legaat. Ook bij het aanvaarden of verwerpen van een legaat is de legataris als schuldeiser gebonden aan de maatstaf van art. 6:2 BW.
In eerste instantie lijkt het verregaand om een algemeen geldende norm aan te nemen die inhoudt dat degene die een ongerichte eenzijdige rechtshandeling verricht daarbij beperkt wordt door de redelijkheid en billijkheid. De rechtshandeling heeft immers geen adressant. Het zou een te onbepaalde verplichting zijn om op te leggen dat de redelijkheid en billijkheid in acht wordt genomen jegens de hele wereld. Aangenomen wordt echter dat iedere vermogensrechtelijke rechtsverhouding onderworpen is aan de redelijkheid en billijkheid.11 In de literatuur en jurisprudentie wordt voor een aantal ongerichte eenzijdige rechtshandelingen gebondenheid aan de redelijkheid en billijkheid aangenomen, namelijk voor besluiten van rechtspersonen,12 splitsing in appartementsrechten13 en de ongedaanmaking van de wettelijke verdeling van de nalatenschap.14 Ten aanzien van die laatste rechtshandeling schetst W. Snijders de situatie dat de overlevende echtgenoot de wettelijke verdeling ongedaan maakt omdat de waarde van de goederen van de nalatenschap onmiddellijk na het overlijden sterk is gedaald, bijvoorbeeld doordat het huis is afgebrand door een fout van de echtgenoot.15 Gebruikmaking van de regeling van ongedaanmaking kan dan volgens W. Snijders onaanvaardbaar zijn, wat er op grond van art. 6:2 lid 2 BW toe leidt dat de bevoegdheid tot de handeling ontbrak en de ongedaanmaking niet geldig tot stand is gekomen.