Einde inhoudsopgave
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/2.3.1
2.3.1 Optimaal?
mr. S.E. van der Waals, datum 30-01-2017
- Datum
30-01-2017
- Auteur
mr. S.E. van der Waals
- JCDI
JCDI:ADS389194:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Bangma & De Ridder 2004 en Van Veen e.a. 2013. Zie daarnaast ook De Waard 2003, p. 41-45 (deze laatste bijdrage betreft overigens geen kwantitatief onderzoek).
Bangma & De Ridder 2004, p. 11-12 (zie ook aldaar voor de methodologische verantwoording), Van Veen 2013, p. 14-17.
Zie voor de methodologische verantwoording van dit onderzoek: Van Veen 2013, p. 13.
Wuisman 2013, p. 55.
Vgl. o.a. Buitendijk & Arendse 2002, Boschma 2013, Tervoort 2015, p. 9, Boschma & Mathey-Bal 2012, Zaman & Grapperhaus 2011.
Zie o.a. Furer e.a. 2010, Wasch 2012 en Stevens & De Smit 2015.
Zie bijv. Wuisman 2011, p. 266-267, Vording 2010, Mol-Verver 2008, Mol-Verver 2005, p. 68 en Legters 1999, p. 109.
Met betrekking tot de (rechtsvorm) coöperatie en (beroepsgroep) medisch specialisten.
Zaman 2008, p. 25.
Zie Van Veen 2013, Kroeze, Timmerman & Wezeman 2013, p. 1, Tervoort 2012, Dorresteijn & Van het Kaar 2012, Zaman 2008, McCahery & Vermeulen 2005, voetnoot 28, De Waard 2003, p. 39.
Zo wordt een NV vaak gekozen vanwege haar serieuze, zakelijke uitstraling. Zie ook Tervoort 2012a.
Zo blijkt uit Bangma & De Ridder 2004, alsmede uit de questionnaire die Tervoort bespreekt in Tervoort 2012a.
Zie hierover hoofdstuk 5, paragraaf 5.6.4.
Zoals in hoofdstuk 1 al aan de orde kwam, zal in dit proefschrift geen antwoord worden gegeven op de vraag naar de motieven achter de keuze voor een bepaalde rechtsvorm. Deze motieven, waaraan in dit onderzoek de verschillende rechtsvormen worden getoetst, zullen worden ontleend aan eerder onderzoek.1 De onderzoeken waar ik naar verwijs zijn beide kwantitatief van aard. In beide gevallen werd aan een representatieve groep van ondernemers c.q. beroepsbeoefenaren (onder andere) gevraagd welke factoren de belangrijkste rol spelen bij de keuze voor een rechtsvorm.2 Meest recent gebeurde dit in het onderzoek van Van Veen e.a..3 Wuisman concludeert op basis van de uitkomsten hiervan:
‘Er wordt wel gezegd dat al het goede in drieën komt. Bij de rechtsvormkeuze spelen drie elementen in de meeste gevallen een centrale rol. Dit zijn de organisatiestructuur, de aansprakelijkheid en de fiscale behandeling.’4
Ook in literatuur die niet specifiek gaat over rechtsvormkeuze, maar waarin bijvoorbeeld verschillende rechtsvormen tegen elkaar worden afgezet, zijn het steeds deze factoren die aan de orde komen als motieven achter rechtsvormkeuze.5 Daarom zal in dit onderzoek van de(ze) volgende keuzefactoren worden uitgegaan:
aansprakelijkheid (en het kunnen beperken ervan);
fiscaliteit; en
juridische organisatiestructuur.
In hoofdstuk 3 zal allereerst worden beschreven welke aansprakelijkheidsrisico’s beroepsbeoefenaren precies lopen en op welke manier deze risico’s door middel van het gebruik van een (in dit onderzoek betrokken) rechtsvorm (zie paragraaf 2.3.2) beperkt kunnen worden. Daarnaast zal onderzocht worden in hoeverre andere methoden toereikend zijn om de aansprakelijkheid (of de gevolgen daarvan) van beroepsbeoefenaren (aanvullend) te beperken. In dit kader kan men denken aan het gebruik van algemene voorwaarden of een beroepsaansprakelijkheidsverzekering.
In hoofdstuk 4 zal vervolgens gekeken worden hoe aantrekkelijk de verschillende rechtsvormen zijn op fiscaal gebied. De civielrechtelijke motieven voor de keuze van een rechtsvorm door beroepsbeoefenaren zullen echter centraal staan in dit onderzoek. Uitgangspunt van het onderzoek is dat de fiscale keuze voor een bepaalde rechtsvorm reeds is gemaakt (een vaststaand feit is) en dat vervolgens op basis van civielrechtelijke gronden gekozen wordt voor de meest optimale rechtsvorm om in samen te werken. De keuze om in dit onderzoek de nadruk op de civiele aspecten van de rechtsvormkeuze te leggen, is gebaseerd op verschillen motieven. In de eerste plaats hoeft ‘het fiscale wiel niet opnieuw te worden uitgevonden’. Er is reeds veel onderzoek gedaan naar de rol van fiscaliteit in het beroep en er is dus al voldoende bronmateriaal beschikbaar over dit onderwerp.6 Een ander, misschien wel belangrijker, argument voor deze aanpak is het feit dat er in de literatuur al geruime tijd wordt gepleit voor de stelling dat belastingen in beginsel rechtsvormneutraal zouden moeten zijn.7 Met andere woorden, fiscaliteit zou (juist) niet de doorslag moeten geven bij de keuze voor een rechtsvorm. Voor elke ondernemer zou in beginsel hetzelfde belastingregime moeten gelden. Omdat dit tot op heden echter nog niet het geval is, en fiscaliteit wel een belangrijke keuzefactor is, zal ten behoeve van de overzichtelijkheid en volledigheid van dit onderzoek toch (beknopt) aandacht worden besteed aan de fiscale gevolgen van het samenwerken in de in dit onderzoek besproken rechtsvormen. Er zal met name worden gekeken naar de belangrijkste fiscale verschillen tussen de rechtsvormen. Daarnaast zal een aantal bijzondere onderwerpen ten aanzien van de fiscaliteit in het beroep worden besproken.8
In hoofdstuk 5 wordt ten slotte de juridische organisatiestructuur van de verschillende rechtsvormen besproken. Met juridische organisatiestructuur wordt bedoeld: het specifieke rechtskarakter van de rechtsvorm.9 Met andere woorden: wat zijn (naast het al dan niet kunnen beperken van aansprakelijkheid en het fiscaal regime van de rechtsvorm) de kenmerken van een rechtsvorm? Wat zijn de mogelijkheden en beperkingen ten aanzien van oprichting(seisen), inschrijving, kapitaal, bestuur en besluitvorming en herstructurering? Deze civielrechtelijke karaktertrekken van de in dit onderzoek betrokken rechtsvormen worden besproken aan de hand van de levensloop van de rechtsvorm. Gekeken wordt naar het ontstaan, het bestaan en het eindigen van de rechtsvorm.
Vervolgens zullen de uitkomsten van deze beschrijving met elkaar worden vergeleken en worden gewogen. Deze weging vindt plaats aan de hand van een aantal maatstaven. Immers, slechts wanneer we waarde toekennen aan de uitkomsten kunnen we deze daadwerkelijk tegen elkaar afzetten. Flexibiliteit, continuïteit en rechtszekerheid zijn de maatstaven die in dit onderzoek zijn gekozen om de juridische structuur van verschillende rechtsvormen met elkaar te vergelijken. Deze maatstaven zijn gekozen, omdat uit veel verschillende bronnen blijkt dat dit (in het algemeen) de motieven zijn die gelden wanneer men streeft naar (een min of meer) duurzame vorm van samenwerking.10 Benadrukt moet worden dat het hier gaat om drijfveren (drivers) achter de keuze voor de interne juridische structuur van een rechtsvorm; flexibiliteit, continuïteit en rechtszekerheid spelen immers bij de (keuze) factoren aansprakelijkheid en fiscaliteit een veel minder belangrijke rol.
Aan de hand van deze vergelijking en weging zal ten slotte worden bepaald welke juridische (interne) organisatiestructuur het meest geschikt is voor de samenwerking in het beroep.
De optimale rechtsvorm is (derhalve) een rechtsvorm die de mogelijkheid tot het beperken van aansprakelijkheid combineert met gunstige belastingheffing en een flexibel in te richten organisatiestructuur die tevens continuïteit en rechtszekerheid waarborgt.
Uiteraard spelen er meer (dan de hiervoor besproken) factoren een rol bij de keuze van een rechtsvorm. Zo wordt ook vaak de reputatie van een rechtsvorm genoemd als argument om voor een bepaalde rechtsvorm te kiezen.11 Omdat dit echter niet de belangrijkste factoren zijn12 en deze bovendien vaak subjectief van aard zijn en daarmee lastig te onderzoeken, is ervoor gekozen om deze factoren, door mij overigeonderscheidende kenmerken van de rechtsvorm genoemd, in dit onderzoek slechts voor de volledigheid, kort te bespreken.13