Einde inhoudsopgave
De kapitaalverschaffer zonder stemrecht in de BV (VDHI nr. 116) 2013/6.5.2
6.5.2 Aard van de rechtsfiguur
R.A. Wolf, datum 14-03-2013
- Datum
14-03-2013
- Auteur
R.A. Wolf
- JCDI
JCDI:ADS390102:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 3.7.13.
Anders Van der Grinten 1991, p. 121-122.
Zie 2:23b lid 1 en 2:216 lid 1 BW.
Galavazi & Van Wilsum 1988, p. 133, stellen dat een participatiebewijs zo kan worden ingericht dat feitelijk sprake is van een stemrechtloos aandeel en dat daarom veeleer sprake is van een vennootschapsrechtelijke verhouding dan van een contractuele verhouding tussen de vennootschap en de houder van een participatiebewijs
Eisma 1991, p. 29; Ten Berg, p. 341; Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nr. 233; Slagter 2005, p. 278- 279 en Sanders & Westbroek 2005, p. 100, waar de termen door elkaar worden gebruikt.
Zie paragraaf 3.7.9.
Het gaat daarbij om het beding tussen de houder van het participatiebewijs, als schuldeiser, en de vennootschap, als schuldenaar. Een dergelijke beding in de zin van art. 3:83 lid 2 BW sorteert goederenrechtelijk effect. Het gevolg is dat het participatiebewijs onoverdraagbaar is, zodat ieder overdracht in strijd met het beding ongeldig is. Het beding heeft absolute derdenwerking. Of de derde aan wie het certificaat is overgedragen op de hoogte was het beding, doet niet ter zake. Zie HR 17 januari 2003, LJN AF0168, NJ 2004, 281, m.nt. HJS, JOR 2003, 52, m.nt. M.H.E. Rongen (Oryx/ Van Eesteren) en Asser/Mijnssen, De Haan & Van Dam 3-I, 2010, nr. 202. Van beschikkingsonbevoegdheid van de vervreemder is geen sprake, omdat aan het voorvereiste van overdraagbaarheid niet is voldaan, zie F.E.J. Beekhoven van de Boezem & G.J.L. Bergervoet, Groene Serie Vermogensrecht, art. 3:83 BW, aant. 33, Deventer: Kluwer. Beekhoven van de Boezem & Bergervoet onderscheiden twee mogelijkheden van werking dat aan het beding toekomt, namelijk (i) obligatoire werking en (ii) absolute derdenwerking, hetgeen een kwestie van uitleg van het beding is. Overigens leidt een en ander ook tot wanprestatie van de vervreemder jegens zijn wederpartij met wie het beding van onoverdraagbaarheid is overeengekomen.
Participatiebewijzen worden tegen storting of inbreng verkregen en vertegenwoordigen kapitaal in de vennootschap.1 Participatiebewijzen worden daarom als financieringsinstrument van een onderneming gebruikt. Het eigen vermogen kan ermee worden vergroot. Bij uitgifte kan worden bepaald dat de vennootschap niet gehouden is de inbreng terug te betalen, anders dan bij ontbinding en liquidatie van de rechtspersoon.2
Aan een participatiebewijs zijn soms alle rechten die een aandeelhouder toekomen verbonden, behalve het stemrecht. Houders van participatiebewijzen hebben aanspraak op een deel van de winst en/of het liquidatiesaldo. Participatiebewijzen hebben een statutaire basis3 en een contractuele grondslag.4 Vanwege die grondslag geldt een grote vrijheid de participatievoorwaarden naar wens of behoefte in te richten. In de literatuur worden participatiebewijzen ook wel als statutaire winstrechten omschreven.5 Zoals betoogd, moet het participatiebewijs worden onderscheiden van het winstbewijs.6 In een BV zullen participatiebewijzen veelal op naam luiden, maar strikt noodzakelijk is dat niet. Participatiebewijzen kunnen ook aan toonder of aan order luiden. Gelet op het besloten karakter van de BV zal dat in de praktijk echter niet of nauwelijks voorkomen. Participatiebewijzen zijn vrij overdraagbaar, tenzij de participatievoorwaarden dat uitsluiten.7 Voor het onderscheid ten opzichte van het stemrechtloze aandeel verwijs ik naar paragraaf 4.7.