De positie van de vennootschap onder firma
Einde inhoudsopgave
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/7.3.2:7.3.2 De vereniging zonder rechtspersoonlijkheid
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/7.3.2
7.3.2 De vereniging zonder rechtspersoonlijkheid
Documentgegevens:
mr. P.P.D. Mathey-Bal, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. P.P.D. Mathey-Bal
- JCDI
JCDI:ADS383415:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het Burgerlijk Wetboek van 1838 had elke vereniging met een geoorloofd doel van rechtswege rechtspersoonlijkheid, maar dit systeem werd in 1855 verlaten en vervangen door een systeem van bestuurlijke toetsing: nadat de administratie had geoordeeld dat het doel van een vereniging geoorloofd was, werd de vereniging erkend als rechtspersoon. Werd deze toets niet doorstaan, dan was sprake van een vereniging zonder rechtspersoonlijkheid. Vóór de invoering van het huidige BW bestonden er dus twee soorten vereniging: de vereniging met rechtspersoonlijkheid en de vereniging zonder rechtspersoonlijkheid. Bij de parlementaire behandeling van de huidige vereniging is vervolgens de vraag aan de orde geweest welke rechtsgevolgen verbonden moesten worden aan het hebben van rechtspersoonlijkheid en welke rechtsgevolgen moesten ontbreken voor de vereniging zonder rechtspersoonlijkheid. Een van de vragen daarbij was of de vereniging zonder rechtspersoonlijkheid een van het vermogen van de leden afgescheiden vermogen kon hebben en zo ja, of dit vermogen door erfstellingen en legaten kon worden vermeerderd.1
De Hoge Raad had in 1909 al beslist dat een vereniging zonder rechtspersoonlijkheid niet bij testament bevoordeeld kon worden.2 De toenmalige minister sloot zich hierbij aan en stelde dat de vereniging zonder rechtspersoonlijkheid wel een afgescheiden vermogen had, maar dat dit niet door eenzijdige rechtshandelingen zoals erfstellingen of legaten vermeerderd moest kunnen worden.3 Het was de toenmalige leden van de vaste Commissie voor Justitie uit de Tweede Kamer onduidelijk waarom deze mogelijkheid niet gegeven zou moeten worden, terwijl schenkingen aan een vereniging zonder rechtspersoonlijkheid al wel tot de mogelijkheden behoorden.4 Uit de discussie die hierover destijds gevoerd is, maak ik op dat het voornaamste bezwaar tegen de vereniging zonder rechtspersoonlijkheid als erfgenaam niet zozeer is het ontbreken van rechtspersoonlijkheid, maar het feit dat deze niet bestuurlijk getoetste vereniging als een onwenselijke rechtsvorm werd gezien die zo min mogelijk in de buurt moest komen van de vereniging mét rechtspersoonlijkheid.
Vergelijkt men het voorgaande met de VOF: de VOF is geen ongewenste figuur en bovendien hebben rechter noch minister ooit expliciet te kennen gegeven dat de VOF niet tot erfgenaam benoemd zou kunnen worden.