Einde inhoudsopgave
Het legaliteitsbeginsel en de doorwerking van Europees recht (Meijers-reeks) 2016/3.5.1
3.5.1 Grondrechten in het Europees recht
J.G.H. Altena, datum 01-09-2015
- Datum
01-09-2015
- Auteur
J.G.H. Altena
- Vakgebied(en)
Internationaal strafrecht / Europees strafrecht en strafprocesrecht
Materieel strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Hoewel er wel over is gedacht, en zelfs is overwogen om de grondrechtencatalogus die in het EVRM zou komen te staan op te nemen in het EEG-Verdrag. Zie o.m. Jacque 2011, p. 995.
HvJ EG 12 november 1969, 29/69, ECLI:EU:C:1969:57 (Stauder), r.o. 7.
HvJ EG 17 december 1970, 11/70, ECLI:EU:C:1970:114 (Internationale Handelsgesellschaft), r.o. 3-4.
HvJ EU 18 december 2014, Advies 2/13, ECLI:EU:C:2014:2454 (Advies over ontwerpakkoord toetreding tot het EVRM).
Art. 67 lid 1 VWEU. Dat artikel bepaalt inderdaad dat de Unie een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht is.
Art. 6 lid 1 VEU.
Art. 51 lid 1 Hv.
HvJ EU 26 februari 2013, C-617/10, ECLI:EU:C:2013:105 (Åkerberg Fransson), r.o. 19-21. Kennelijk beschouwt het Hof de bepalingen over de reikwijdte van het Handvest als een codificatie van de bestaande jurisprudentie over algemene beginselen van Gemeenschapsrecht.
Art. 53 Hv.
Art. 52 lid 3 Hv.
Toelichtingen bij het Handvest van de Grondrechten, PbEU 2007, C 303/02.
HvJ EG 17 december 1970, 11/70, ECLI:EU:C:1970:114 (Internationale Handelsgesellschaft).
HvJ EU 26 februari 2013, C-399/11, ECLI:EU:C:2013:107 (Melloni).
In het EEG-, Euratom- en EGKS-verdrag waren geen verwijzingen te vinden naar fundamentele rechten en vrijheden. Gezien het economische karakter van de bedoelingen met deze verdragen werd daartoe geen noodzaak ervaren.1 Grondrechten zouden van weinig relevantie zijn voor de economische doelstellingen die men voor ogen had. Die positie hield maar enige tijd stand. Het Europees recht kreeg met de voorrang en rechtstreekse werking al snel grote invloed op het recht van de lidstaten, waar men zich zorgen begon te maken over het waarborgen van fundamentele rechten. In 1969 erkende het Hof van Justitie in het Stauder-arrest het bestaan van ‘algemene beginselen van Gemeenschapsrecht’ waarin de fundamentele rechten besloten liggen.2 In de zaak Internationale Handelsgesellschaft bevestigt het Hof dat ‘de eerbiediging der grondrechten een bestanddeel uitmaakt van de algemene rechtsbeginselen’ en dat deze grondrechten, hoewel voortvloeiend uit de gemeenschappelijke tradities van de lidstaten, moeten worden verzekerd in het kader van de Gemeenschap en de doelstellingen daarvan.3 Deze rechten en beginselen destilleert het Hof van Justitie uit de rechtsstelsels van de lidstaten en uit internationale verdragen waar de lidstaten zich aan verbonden hebben, met name het EVRM.
Inmiddels neemt de bescherming van grondrechten een belangrijke plaats in in het primaire Europees recht: niet alleen in het Handvest, maar ook in het VEU en VWEU. De belangrijkste mensenrechtenbepaling in het VEU is artikel 6. In lid 1 wordt de gebondenheid aan het Handvest bevestigd, en in lid 3 wordt bevestigd dat de grondrechten deel uitmaken van het Unierecht als algemene beginselen. Voor die grondrechten verwijst het VEU naar het EVRM en naar de constitutionele tradities van de lidstaten. Het EVRM en de nationale constituties blijven dus een bron van in ieder geval inspiratie bij het formuleren en uitleggen van fundamentele rechten. Lid 2 van artikel 6VEU stelt dat de Unie toetreedt tot het EVRM. Deze onvoorwaardelijk geformuleerde belofte kan echter niet op korte termijn worden ingelost. De met veel moeite uitonderhandelde toetredingsovereenkomst werd in december 2014 door het Hof van Justitie getorpedeerd omdat het Hof vond dat de bijzondere kenmerken van de Europese Unie daarin onvoldoende gewaarborgd werden.4 Toetreding zal daarom niet op korte termijn plaats kunnen vinden. In artikel 67VWEU wordt ten slotte gesteld dat de EU een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht is ‘waarin de grondrechten en de verschillende rechtsstelsels en -tradities van de lidstaten worden geëerbiedigd.5‘
Veel algemene beginselen van Gemeenschapsrecht hebben hun beslag gekregen in het Handvest van de Grondrechten voor de Europese Unie. Het Handvest bestaat al sinds 2000, maar heeft sinds 2009 de status van primair recht van de Europese Unie.6 Het Handvest moet te allen tijde worden gewaarborgd door alle instellingen van de EU en door de lidstaten wanneer en voor zover zij Europees recht uitvoeren.7 Het Hof van Justitie heeft een ruime uitleg gegeven aan de toepasbaarheid van het Handvest. Onder uitvoering moet niet alleen de omzetting van EU-wetgeving worden verstaan: op alle regelingen die binnen het toepassingsgebied van het Unierecht vallen, is het Handvest van toepassing.8 Het Handvest staat niet in de weg aan strengere grondrechtenbescherming door de lidstaten.9 Bovendien wordt het Handvest, waar overlap bestaat met het EVRM, geacht ten minste dezelfde rechten te garanderen, terwijl de mogelijkheid wordt opengehouden om in het kader van de Europese Unie verdergaande bescherming te bieden.10
In het Handvest is de relatie tussen grondrechtenbescherming in Unierechtelijk kader en het EVRM geformaliseerd. Artikel 52 lid 3Hv bepaalt dat rechten uit het Handvest die corresponderen met rechten uit het EVRM, eenzelfde inhoud en reikwijdte hebben. Tegelijkertijd wordt in de tweede volzin van dat artikel de mogelijkheid opengelaten voor ruimere bescherming op grond van het Handvest. Blijkens de toelichting op artikel 52 Hv moet onderscheid worden gemaakt tussen rechten die met het EVRM corresponderen, en rechten die een ruimere bescherming bieden. Het legaliteitsbeginsel in het Handvest, vervat in artikel 49, correspondeert blijkens de toelichting op dat artikel met het legaliteitsbeginsel in artikel 7EVRM.11 Op basis daarvan is de verwachting gerechtvaardigd dat de uitleg van artikel 49 Hv in de praktijk zal aansluiten bij de uitleg van artikel 7 EVRM.12
Het Handvest bepaalt in artikel 53 dat het aldus moet worden uitgelegd dat het geen afbreuk doet aan de mensenrechten en fundamentele vrijheden zoals die worden erkend in onder meer de grondwetten van de lidstaten. Die bepaling heeft echter niet tot gevolg dat lidstaten het Unierecht mogen toetsen aan hun nationale Grondwet. Wanneer in het secundaire Unierecht overeenstemming wordt bereikt over hoe grondrechten of vrijheden moeten worden beschermd, bijvoorbeeld bij de wederzijdse erkenning van bepaalde beslissingen, dan is de grondrechtenbescherming als het ware gefixeerd op dat niveau. Al sinds het arrest Internationale Handelsgesellschaft is duidelijk dat het Europees recht ook voorrang heeft op de nationale constituties.13 In het Melloni-arrest bevestigt het Hof van Justitie deze stand van zaken: artikel 53 Hv heeft niet tot gevolg dat de overlevering in het kader van een Europees Aanhoudingsbevel mag worden geweigerd op grond van een nationaal grondrecht, in casu het recht van verdachten om aanwezig te zijn bij hun proces.14 In het kaderbesluit zijn de lidstaten overeengekomen op welke wijze het door het Handvest gegarandeerde recht op een eerlijk proces, meer specifiek de bijzondere bescherming bij verstekveroordelingen, moet worden gegarandeerd in overleveringsprocedures. Daarmee is in wezen voor dat onderwerp de grondrechtenbescherming geharmoniseerd: het is niet alleen het minimum aan bescherming dat moet worden geboden, maar ook het maximum. In het kaderbesluit ligt een afweging besloten tussen de doelstellingen van het kaderbesluit en de rechten van de verdachte, die niet door de lidstaten op grond van de nationale constitutie kan worden overgedaan en anders kan uitvallen.