Einde inhoudsopgave
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/10.9
10.9 Eenzijdige rechtshandelingen onder voorwaarde of tijdsbepaling
C. Spierings, datum 06-02-2016
- Datum
06-02-2016
- Auteur
C. Spierings
- JCDI
JCDI:ADS376786:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Voetnoten
Voetnoten
Parl Gesch. Boek 3 BW, p. 185 (TM).
Soergel/Schreiber §388 BGB, nr. 1; Staudinger/Gursky §388 BGB, nr. 8; Münchener Kommentar zum BGB, §388, nr. 3 (Schlüter); Medicus en Lorenz 2012, p. 31.
Flume 1992, p. 137.
Münchener Kommentar zum BGB, §959, nr. 5 (Oechsler).
§2074 en §2075 BGB; Zimmermann 2013, p. 75.
Stolz 2015, p. 391-392.
W. Snijders 1999 I, p. 564.
Zie bv. HR 20 november 2015, NJ 2015/2112 over de zgn. cautio Socini.
Hof Amsterdam 1 februari 2007, JOR 2007/144; P.M. van der Zanden, noot bij Hof Amsterdam 28 februari 2007, JOR 2007/145.
Bloembergen 1971, p. 18-19; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014/349; Parl. Gesch. Boek 5 BW, p. 314 (MO) ten aanzien van de toestemming van art. 5:87 lid 2 BW; W. Snijders 1999 I, p. 564; Groene Serie Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 202, K.J.O. Jansen; Rb. Midden-Nederland 12 november 2014, JOR 2015/56.
Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 881 (MvA II); Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014/178; W. Snijders 1999 I, p. 564; Groene Serie Verbintenissenrecht, art. 6:219 BW, aant. 10, Y.G. Blei Weissmann.
K.F.M. Berger, ‘Vernietiging tengevolge van dwaling na levering’, WPNR 6178 (1995), p. 281.
Potjewijd 2002, p. 26; Peter 2007, p. 184.
Van Schaick 2011, nr. 57; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014/349; Groene Serie Vermogensrecht, art. 3:38 BW, aant. 34.1, M.M. Olthof.
Asser/Hartkamp& Sieburgh 6-III 2014/178; Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 880 (MvA II); Groene Serie Verbintenissenrecht, art. 6:225 BW, aant. 1.68.3, Y.G. Blei-Weissmann.
Groene Serie Rechtspersonen, art. 2:19 BW, aant. 3, B. Snijder-Kuipers.
Art. 4:190 lid 3 BW.
W. Snijders 1999 II, p. 589; Groene Serie Erfrecht, art. 4:18 BW, aant. 2, M.R. Kremer; Asser/Perrick 4 2013/100.
Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 185 (TM). Er is echter ruimte voor uitzonderingen, bijvoorbeeld opzegging onder voorwaarde waarbij de opzegtermijn gaat lopen vanaf het tijdstip van vervulling. Zie ook Strijbos 1985, p. 135 die schrijft dat opzegging van een duurovereenkomst slechts onder voorwaarde kan als de wederpartij instemt met voorwaardelijke opzegging. Anders: Asser/Heerma van Voss 7-V 2012/328 die stelt dat een arbeidsovereenkomst voorwaardelijk kan worden opgezegd.
Stolz 2015, p. 447.
Bakels 2011, nr. 19.
Faber 2005, nr. 143; Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 512 (MvA II).
Faber 2005, nr. 144; Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 512 (MvA II).
Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 512 (MvA II); Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014/349.
Faber 2005, nr. 144.
Zie voor de stichting: Asser/Rensen 2-III* 2012/310; Asser/Van der Grinten & Maeijer 2-II 1997/455. Zie voor de NV en BV Van der Heijden/Dortmond 2013, nr. 152.
Asser/Rensen 2-III* 2012/310; Asser/Van der Grinten & Maeijer 2-II 1997/455. Anders: Van der Heijden/Dortmond 2013, nr. 152.
451. Art. 3:38 BW bepaalt dat rechtshandelingen onder tijdsbepaling of voorwaarde verricht kunnen worden, tenzij uit de wet of uit de aard van de rechtshandeling anders voortvloeit. In de parlementaire geschiedenis bij art. 3:38 BW wordt overwogen dat vooral bij eenzijdige rechtshandelingen de aard van de rechtshandeling onvoorwaardelijke verklaringen verlangt.1 In deze paragraaf onderzoek ik of het feit dat een rechtshandeling eenzijdig is, meebrengt dat verrichting onder voorwaarde is uitgesloten.
Naar Duits recht kunnen einseitig-gestaltende Rechtsgeschäfte (eenzijdige rechtshandelingen waarmee een wilsrecht wordt uitgeoefend) niet voorwaardelijk worden verricht. Dit zadelt de wederpartij op met teveel onzekerheid over het al dan niet in te treden rechtsgevolg.2 Alleen eenzijdige rechtshandelingen die de rechtspositie van een ander niet direct ongunstig beïnvloeden, kunnen onder voorwaarde of tijdsbepaling worden verricht,3 zoals uitloving, derelictie,4 volmachtverlening of de uiterste wilsbeschikking.5 Ik vind dit onderscheid niet gerechtvaardigd. De genoemde rechtshandelingen kunnen ook de rechtspositie van een ander direct beïnvloeden, terwijl een voorwaardelijk verrichte quasi-contractuele eenzijdige rechtshandeling mogelijk minder bezwaarlijk is omdat partijen van elkaar beter weten waar ze aan toe zijn en wat de kans is dat de voorwaarde wordt vervuld. Zeker in het geval het verrichten van de eenzijdige rechtshandeling een reactie is op gedrag van de wederpartij, is het niet per definitie onredelijk bezwarend voor de wederpartij om met een voorwaardelijke rechtshandeling geconfronteerd te worden. Ook Stolz is kritisch op het argument dat ‘opgedrongen onzekerheid’ het verrichten van een eenzijdige rechtshandeling onder voorwaarde ontoelaatbaar maakt. Hij overweegt dat met zoveel handelingen in het rechtsverkeer anderen mogelijk tekortgedaan worden, zonder dat het recht daar een consequentie aan verbindt.6
452. Voor het Nederlandse recht wordt uit de door mij onderzochte voorbeelden van eenzijdige rechtshandelingen geen duidelijke lijn zichtbaar. Het onderscheid tussen gerichte en ongerichte eenzijdige rechtshandelingen lijkt op dit punt geen doorslaggevende rol te spelen. Mijns inziens moet per geval worden bezien of de aard van de rechtshandeling zich verzet tegen verrichting onder voorwaarde. De onzekerheid die voor de wederpartij of het rechtsverkeer gepaard zou gaan met voorwaardelijk rechtsgevolg is daarbij de belangrijkste factor.7
Wettelijk geregeld is dat uiterste wilsbeschikkingen voorwaardelijk verricht kunnen worden, in afdeling 4.5.5.8 In de literatuur en jurisprudentie wordt voorwaardelijke verrichting mogelijk geacht voor de 403-verklaring,9 het verlenen van toestemming,10 het aanbod,11 vernietiging,12 bekrachtiging,13 volmachtverlening,14 aanvaarding van een aanbod15 en een besluit tot ontbinding van de vennootschap.16
Andere eenzijdige rechtshandelingen kunnen alleen onvoorwaardelijk worden verricht. Dit is wettelijk bepaald voor de aanvaarding of verwerping van een nalatenschap.17 De reden hiervoor is dat de belangen van de schuldeisers van de nalatenschap zich verzetten tegen een voorwaardelijke keuze.18 In de literatuur wordt aangenomen dat dit ook geldt voor aanvaarding of verwerping van een legaat19 en voor de ongedaanmaking van de wettelijke verdeling van een nalatenschap.20 Ook voor opzegging wordt overwogen dat dat in beginsel niet onder voorwaarde kan.21 Stolz schrijft dat voor het uitoefenen van wilsrechten moet worden aangenomen dat deze “misschien of zelfs waarschijnlijk” niet onder voorwaarde kunnen worden verricht, waarbij hij aantekent dat dit in de parlementaire geschiedenis en literatuur slechts beperkt wordt onderkend en soms ook ontkend.22
453. Ten aanzien van bepaalde eenzijdige rechtshandelingen wordt in de literatuur onderscheid gemaakt tussen het stellen van een opschortende en een ontbindende voorwaarde of tijdsbepaling.
Zo schrijft Bakels dat een ontbindingsverklaring onder ontbindende voorwaarde de positie van de schuldenaar in onaanvaardbare mate bezwaart.23 Een opschortende voorwaarde is mogelijk wel geldig. Dit geldt volgens Bakels zeker voor het geval dat de ontbindingsverklaring is gekoppeld aan een ingebrekestelling, waarbij de ontbinding werking verkrijgt onder de opschortende voorwaarde van niet-nakoming door de schuldenaar. Voor andere voorwaarden hangt het ervan af of vervulling in de risicosfeer van de schuldeiser ligt (deze kunnen te bezwarend zijn voor de schuldenaar), in de risicosfeer van de schuldenaar (deze zullen in meer gevallen redelijk zijn), of dat vervulling afhangt van externe feiten of omstandigheden (geldigheid hangt af van de omstandigheden van het geval).
Een verrekeningsverklaring kan onder opschortende voorwaarde of tijdsbepaling verricht worden.24 Een ontbindende tijdsbepaling wordt onverenigbaar geacht met de aard van de rechtshandeling.25 Discussie bestaat over de mogelijkheid van een ontbindende voorwaarde. In de toelichting is het standpunt ingenomen dat dit te onzeker is voor de wederpartij.26 Faber concludeert echter dat niets zich verzet tegen verrekening onder ontbindende voorwaarde.27
Oprichting van een rechtspersoon onder tijdsbepaling wordt mogelijk geacht, mits een vaste datum wordt aangewezen.28 Over oprichting onder voorwaarde is de literatuur aarzelender. Een opschortende voorwaarde schept teveel onzekerheid voor het rechtsverkeer, nu onduidelijk is wanneer de rechtspersoon ontstaat. Oprichting onder ontbindende voorwaarde lijkt echter mogelijk, zo lang aangesloten wordt bij de ontbindingsgronden van art. 2:19 BW.29