Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/III.13.3.1.1
III.13.3.1.1 Limitatieve opsomming van intrekkingsgronden?
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS375289:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
De korpschef was bevoegd om in mandaat dergelijke vergunningen te verlenen, tenzij inmiddels was gebleken dat in het herkomstland geschikte opvang aanwezig was. In casu had de korpschef, ondanks aanwezigheid van geschikte opvang in het land van herkomst, aan appellant een vergunning verleend. Zie meer uitgebreid de noot van Groenewegen in NAV 2004, 261.
ABRvS 13 juli 2004, JV 2004/353 en NAV 2004/261 m.nt. Groenewegen.
Klap 2005, p. 75. Ortlep stemt in met deze constatering. Zie zijn annotatie in AB 2010, 8.
De in de RWN gegeven gronden om de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap in te trekken zijn limitatief. Het is niet mogelijk dat het Nederlanderschap verloren gaat op andere gronden dan die welke zijn genoemd in de artikelen 14 e.v. RWN. De wetgever heeft een en ander met zoveel woorden bepaald. Art. 14 lid 5 RWN luidt namelijk:
‘Het Nederlanderschap wordt niet verloren dan krachtens een van de bepalingen van dit hoofdstuk.’
Voor een constructie als deze valt mijns inziens veel te zeggen. In de eerste plaats bestaat meteen duidelijkheid over de gronden op basis waarvan het Nederlanderschap verloren kan gaan. Aldus hoeft de vraag naar de eventuele mogelijkheid tot het aanvaarden van buitenwettelijke intrekkingsgronden niet aan de bestuursrechter te worden voorgelegd. Daarnaast is het, gelet op de aard van de in de RWN geregelde materie en de consequenties die het verlies van het Nederlanderschap met zich mee kan brengen, gelet op de rechtszekerheid van groot belang dat intrekking op andere dan de in de RWN genoemde gronden is uitgesloten.
De vraag of de in de Vw 2000 gegeven intrekkingsgronden al dan niet limitatief zijn, is niet aan de hand van de wet zelf te beantwoorden. De wettekst bepaalt niet uitdrukkelijk dat sprake is van een limitatieve opsomming van intrekkingsgronden. Wel bestaat op dit punt jurisprudentie. Deze laat echter een wisselend beeld zien.
In een uitspraak uit 2004 buigt de Afdeling bestuursrechtspraak zich voor de eerste maal over de vraag of de in art. 19 jo 18 lid 1 Vw 2000 gegeven intrekkingsgronden limitatief moeten worden geacht. De feiten waren als volgt. Aan appellante was een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend. Echter, dit bleek bij nader inzien een vergissing te zijn.1 Op grond van art. 19 jo 18 lid 1 Vw 2000 was de minister echter niet bevoegd om tot intrekking over te gaan. De vraag die moest worden beantwoord was of de minister niet toch bevoegd was om de verblijfsvergunning in te trekken. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog het volgende:
‘Nu de in artikel 19, gelezen in samenhang met artikel 18, van de Vw 2000 vermelde intrekkingsgronden zien op bevoegd verleende vergunningen, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de bevoegdheid tot het intrekken van een onbevoegd verleende verblijfsvergunning regulier geacht moet worden besloten te liggen in artikel 14 van de Vw 2000.’2
In het in de uitspraak genoemde art. 14 Vw 2000 wordt echter enkel de minister aangewezen als bevoegd gezag voor onder meer het intrekken van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. De intrekkingsregeling zelf is neergelegd in art. 19 Vw 2000. Een intrekkingsbevoegdheid met betrekking tot ten onrechte verleende verblijfsvergunningen kan mijns inziens dan ook niet in deze bepaling worden gelezen. Groenewegen merkt in zijn annotatie bij deze uitspraak mijns inziens terecht op dat in art. 19 Vw 2000 helemaal niet wordt gesproken over bevoegd of onbevoegd verleende verblijfsvergunningen en dat de redenering van de Afdeling leidt tot ondoorzichtigheid in bevoegdheidsgrondslagen. Klap noemt de redenering van de Afdeling een juridische truc, nu art. 19 Vw 2000 juist de gronden bevat voor de intrekking bedoeld in art. 14 van die wet. Geen van die gronden deed zich in casu echter voor.3
In een uitspraak van latere datum met betrekking tot art. 22 Vw 2000 oordeelt de Afdeling dat deze bepaling een limitatieve opsomming van intrekkingsgronden bevat:
‘Voorts kan het betoog dat de staatssecretaris, nu hij bevoegd is een vergunning te verlenen, reeds daarom ook een bevoegdheid tot intrekking daarvan heeft, niet worden gevolgd. In artikel 22, eerste lid, van de Vw 2000 (BdK: nu tweede lid) is ten aanzien van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd een uitdrukkelijke intrekkingsbevoegdheid gegeven voor specifieke gevallen. Niet kan worden aangenomen dat, indien zich geen van die specifieke gevallen voordoet, de staatssecretaris, in afwijking van voornoemd artikel, in dit geval een verder strekkende bevoegdheid tot intrekking toekomt’.4
De uitkomst van laatstgenoemde uitspraak komt mij veel juister voor. De redenering van de Afdeling bestuursrechtspraak in eerstgenoemde uitspraak is naar mijn idee niet zuiver. Daarnaast geldt hetgeen de Afdeling in voornoemd citaat ten aanzien van art. 22 Vw 2000 overweegt, eveneens voor art. 19 Vw 2000. Ook in die bepaling is immers een uitdrukkelijke intrekkingsbevoegdheid neergelegd. Tot slot staat de aard van de in de Vreemdelingenwet 2000 geregelde materie mijns inziens in de weg aan het aannemen van ongeschreven intrekkingsgronden, naast de in de wet neergelegde uitdrukkelijke intrekkingsgronden.