Stil pandrecht op vorderingen op naam
Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/257:257 Verband met het recht om de vordering te innen
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/257
257 Verband met het recht om de vordering te innen
Documentgegevens:
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 10-11-2025
- Datum
10-11-2025
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD33688:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
In dezelfde zin Molkenboer en Verdaas 2002, p. 208-209. Eveneens in dezelfde zin, althans voor wat betreft de voor het doen van mededeling van een stil pandrecht benodigde informatie, N.E.D. Faber over Rb. Dordrecht 6 februari 2002, JOR 2002/36 (ABN AMRO/Hamm q.q.) in nr. 3 van zijn noot onder JOR 2002/35-38. Anders Van Hees 2002.
Vgl. Wiarda 1937, p. 286 en Asser/Hartkamp 4-I 2004, nr. 567.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een essentieel onderdeel van de geldende wettelijke regeling van het stil pandrecht op vorderingen is dat de pandhouder, indien de pandgever tekortschiet of tekort dreigt te gaan schieten, bevoegd is mededeling van zijn pandrecht te doen en daardoor exclusief bevoegd wordt om de vordering te innen.
Bij de rechten om mededeling van het pandrecht te doen en de verpande vordering te innen, past een recht van de pandhouder op de voor de mededeling en de inning relevante informatie. Zonder die informatie zijn deze rechten, die een essentieel onderdeel van een (stil) pandrecht op een vordering vormen, van weinig betekenis. De door de wet aan de (stil) pandhouder toegekende rechten om mededeling van zijn pandrecht te doen en de openbaar verpande vordering te innen, veronderstellen - en strekken er daarom ook toe - dat de pandhouder tot de inning in staat gesteld moet worden door de pandgever doordat de pandgever de pandhouder de informatie verschaft die voor de mededeling en de inning relevant is.1
Hieraan kan nog worden toegevoegd dat er geen reden is om de tot mededeling dan wel inning bevoegde pandhouder anders te behandelen dan een cessionaris. Aangenomen wordt, dat een cedent gehouden is een cessionaris in staat te stellen om zijn vorderingsrecht te kunnen uitoefenen.2 Art. 6:143 lid 1 BW, dat in geval van overgang van een vordering de oude schuldeiser verplicht om de op de vordering betrekking hebbende bewijsstukken af te geven aan de nieuwe schuldeiser, brengt dit beginsel tot uitdrukking. Uitvloeisel van dit beginsel is mijns inziens dat een cessionaris ook aanspraak kan maken op andere voor de inning van de vordering relevante informatie dan bewijsstukken. Dit is een extra grond om aan te nemen dat een tot openbaarmaking dan wel inning bevoegde pandhouder jegens de pandgever recht heeft op de voor de openbaarmaking dan wel inning relevante informatie.