Stil pandrecht op vorderingen op naam
Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/432:432 Het belang van de pandgever bij een procedure tegen de debiteur
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/432
432 Het belang van de pandgever bij een procedure tegen de debiteur
Documentgegevens:
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 04-03-2026
- Datum
04-03-2026
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD48666:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De bevoegdheid van de inningsbevoegde pandhouder om de verpande vordering door middel van een procedure te innen, roept de vraag op of de pandgever het recht heeft om in een procedure tussen de pandhouder en de debiteur zijn belangen te behartigen en zo ja op welke wijze. Deze vragen worden hierna onderzocht, in samenhang met de vraag of het wenselijk is dat de pandhouder tot inning van de verpande vordering door middel van een procedure bevoegd is. Als leidraad worden daarbij de in hoofdstuk 2 geformuleerde uitgangspunten genomen.
Het is een redelijke, logische en welhaast noodzakelijke consequentie van het exclusief inningsbevoegd worden van de pandhouder dat hij al de rechten kan uitoefenen waarmee de nakoming van de verpande vordering kan worden afgedwongen, waaronder het vorderen van een veroordeling van de debiteur van de vordering tot betaling daarvan. Dat de inningsbevoegde pandhouder in een procedure nakoming van de vordering kan eisen, is in overeenstemming met het in hoofdstuk 2 geformuleerde uitgangspunt dat hij de rechten kan uitoefenen die met de inning van de verpande vordering samenhangen.
De inning van een verpande vordering door middel van een procedure is geen bevoegdheid die op grond van de wet of de aard van de bevoegdheid exclusief aan de pandgever toekomt. Dat die bevoegdheid toekomt aan de inningsbevoegde pandhouder is derhalve ook in overeenstemming met het uitgangspunt dat persoonlijke rechten van de pandgever niet door de pandhouder kunnen worden uitgeoefend. Inning van de vordering in rechte door de pandhouder is ook in overeenstemming met het uitgangspunt dat uitoefening van een recht door de pandhouder uitsluitend gevolgen mag hebben voor de verpande vordering en niet voor andere rechten en plichten van de pandgever, mits de rechter, waartoe hij mijns inziens gehouden is, zijn beslissingen tot geschillen over de vordering beperkt.
Is inning in rechte ook in overeenstemming met het uitgangspunt dat het door de pandhouder uit te oefenen recht een beheersdaad is die geen ingrijpende gevolgen heeft voor de positie van de pandgever? Enerzijds is de inning van een vordering een beheersdaad bij uitstek. Zonder (uitzicht op) een prestatie is een vordering waardeloos. Anderzijds kan de vaststelling van de vordering in rechte ingrijpende gevolgen hebben voor de pandgever doordat hij er rechtstreeks in zijn vermogen door kan worden geraakt. Voorstelbaar is bijvoorbeeld dat de pandhouder zich onvoldoende inspant om het bestaan van de vordering te bewijzen en dat deze om die reden wordt afgewezen, hoewel bewijs van de vordering wel mogelijk geweest zou zijn. Dit bezwaar tegen inning in rechte door de pandhouder zou niet of in veel minder mate gelden, als de pandgever zijn belangen in een procedure tussen de pandhouder en de debiteur zou kunnen behartigen. Hierna wordt onderzocht of de pandgever zich daartoe kan voegen in zo een procedure.