Einde inhoudsopgave
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/7.5.3.3
7.5.3.3 Toepassing
mr. J.H.L. Beckers, datum 01-01-2016
- Datum
01-01-2016
- Auteur
mr. J.H.L. Beckers
- JCDI
JCDI:ADS363926:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Willems 2010, p. 170.
In de parlementaire geschiedenis is opgemerkt dat eventuele druk van certificaathouders op het bestuur van de doelvennootschap en het bestuur van het AK niet als overwegende zeggenschap kwalificeert (§ 12.3.2.2). Maar, dit gaat over het formele zeggenschapsbegrip uit de definitie van overwegende zeggenschap in art. 1:1 Wft en is dus enkel van belang voor de individuele certificaathouder (§ 12.4.3.2).
Daarnaast komt veel voor dat voor niet door het bestuur, de RvC dan wel de prioriteit gesteunde voorstellen tot statutenwijziging een verhoogde besluitvormingsdrempel geldt.
Het uitoefenen van doorslaggevende invloed is niet beperkt tot het afdwingen van veranderingen, maar ziet ook op het tegenhouden daarvan. Ook in het tweede geval bestaat immers gevaar van benadeling van minderheidsaandeelhouders. Denk bijvoorbeeld aan het dwarsbomen van een bestuurswissel of het tegenhouden van een herfinanciering door een groep aandeelhouders met een versterkte positie in een naderend faillissement. Uiteraard is er verschil tussen nee zeggen tegen wat een ander graag zou willen doen en die ander voorschrijven wat hij te doen heeft1. Echter, gelet op de strekking van de biedplicht is dit verschil niet van belang. Ook bij het blokkeren van besluiten is gevaar van benadeling van minderheidsaandeelhouders denkbaar, waartegen de biedplicht bescherming beoogt te bieden.
Doorslaggevende invloed kan ook indirect worden uitgeoefend. Hierbij kan worden gedacht aan de controle van het bestuur van de doelvennootschap door certificaathouders die het AK-bestuur controleren.2 Een ander voorbeeld is het controleren van de RvC van een structuur-doelvennootschap, die op haar beurt weer het bestuur controleert (zie § 7.5.6.3 sub II.ii.).
Ten slotte is niet relevant of de samenwerkende aandeelhouders over een bepaald onderwerp feitelijk iets te zeggen hebben. Denk bijvoorbeeld aan het belangrijke onderwerp statutenwijziging; in de praktijk is dat dusdanig dichtgetimmerd via oligarchische clausules dat aandeelhouders daarover niet zonder de medewerking van het bestuur, de RvC of de prioriteit kunnen besluiten.3 Het is overigens maar de vraag in hoeverre aandeelhouders een besluit zouden willen beïnvloeden waarover zij defacto niks te zeggen hebben (vgl. eerder § 6.2.3.2).