Einde inhoudsopgave
Het uniciteitsbeginsel in het goederenrecht (O&R nr. 92) 2016/9
Hoofdstuk 9 Conclusie
V. Tweehuysen, datum 31-01-2016
- Datum
31-01-2016
- Auteur
V. Tweehuysen
- JCDI
JCDI:ADS458062:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 1.3.2.
Zie paragraaf 2.3.2.
De enige gevallen die ik mijn onderzoek ben tegengekomen en waarin het in het Nederlandse recht wél relevant zou kunnen zijn om te weten of we te maken hebben met één of meer goederenrechtelijke rechten, zijn: 1) het geval waarin bij de vestiging van een erfpachtrecht een beding is gemaakt als bedoeld in art. 5:91 lid 2 BW; 2) het geval waarover het recente arrest van de Hoge Raad (22 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1297, NJ 2015/335) ging, waarin werd beschikt over een aandeel in een gedeelte van een gemeenschappelijk stuk grond. Zie paragraaf 6.3.
Zie paragraaf 2.3.2. In sommige gevallen kent de wet rechtsgevolgen toe aan een bepaalde samenhang tussen goederen, zonder dat er sprake van zou zijn dat zij tezamen het object zijn van één recht, zie bijvoorbeeld de regeling uit art. 3:222 BW, besproken in paragraaf 3.3.2, en de bijzondere gemeenschap, besproken in paragraaf 8.3.
Zie paragraaf 4.3.2.2.
Zie paragraaf 3.3.4 en 4.2.
Zie paragraaf 3.3, 4.2, 4.3.
Zie hierover hoofdstuk 4. Voorts moet opgemerkt worden dat de vraag of sprake is van één zekerheidsrecht op een geheel vermogen, of dat evenzoveel zekerheidsrechten als objecten bestaan, los staat van het in de literatuur gesignaleerde probleem dat concurrente schuldeisers in faillissement van hun schuldenaar veelal met lege handen achterblijven, zie paragraaf 4.3.1
Zo beschreef Meijers in zijn Algemene begrippen dat het alleen zinvol is een algemeenheid als rechtsobject te zien indien dit gevolgen heeft voor de overdraagbaarheid (en uitwinbaarheid) van de afzonderlijke goederen, indien regels bestaan voor de vervreemding en bezwaring van het geheel, die afwijken van de regels die gelden voor de delen en indien de algemeenheid kan worden onderscheiden van het overige vermogen van de rechthebbende. Meijers 1948, p. 136 e.v.
Zie paragraaf 4.4.1.
Om die reden is het uniciteitsbeginsel ook niet allesbepalend in één van de weinige gevallen waarin het wél relevant is of sprake is van één of meer goederenrechtelijke rechten, namelijk het besproken geval van verticale splitsing van erfpacht, zie paragraaf 6.3. Met art. 5:91 BW heeft de wetgever een uitzondering mogelijk willen maken op het uitgangspunt van vrije overdraagbaarheid van goederen. Het moet naar mijn mening daarom vooral afhangen van de uitleg van art. 5:91 BW zelf in hoeverre hier een goederenrechtelijke band gecreëerd kan worden tussen afzonderlijke erfpachtrechten.
Zie paragraaf 7.3.4, 8.2.1, 8.4.1.
Zie paragraaf 4.3.2.2.
Zie paragraaf 5.2.
Zie paragraaf 2.3.2 en 2.3.3.
219. In dit proefschrift heb ik de betekenis van het uniciteitsbeginsel in het goederenrecht onderzocht. Onder het uniciteitsbeginsel versta ik het principe dat goederenrechtelijke rechten slechts op één object kunnen rusten en niet op meer dan één object tegelijk. Om verwarring te voorkomen, heb ik de nieuwe term ‘uniciteitsbeginsel’ gebruikt, omdat andere mogelijke benamingen ook voor andere principes worden gebruikt.1 Mijn bedoeling is echter niet een nieuw beginsel in het goederenrecht te introduceren. Ik heb me slechts afgevraagd of het uitgangspunt dat goederenrechtelijke rechten maar één object hebben een principe is dat aan het Nederlandse goederenrecht ten grondslag ligt en zo ja, wat de gevolgen daarvan zijn. Zou het (op onderdelen) loslaten van dit uitgangspunt tot verbetering van het Nederlandse goederenrecht kunnen leiden? Het blijkt dat in het Nederlandse goederenrecht inderdaad van uniciteit wordt uitgegaan2 en dat het loslaten van dit beginsel niet tot verbetering leidt.
220. Dat het uniciteitsbeginsel ten grondslag ligt aan het Nederlandse goederenrecht, blijkt onder meer uit het feit dat de algemeenheid van goederen niet als zodanig object van goederenrechtelijke rechten is. Dit is algemeen aanvaard en volgt ook uit de totstandkomingsgeschiedenis van het BW, waarbij de wetgever de algemeenheid van goederen heeft gewogen en te licht heeft bevonden. De opbouw van het systeem van het goederenrecht in het Nederlandse BW, waarbij telkens het begrip goed al dan niet via het begrip zaak centraal staat, sluit hierbij aan. Voorts zijn in beginsel3 geen rechtsgevolgen verbonden aan het mogelijke bestaan van één recht op meerdere objecten.4
Dat het Nederlandse goederenrecht uitgaat van het uniciteitsbeginsel neemt niet weg dat in het dagelijks spraakgebruik gesproken kan worden over een goederenrechtelijk recht op meerdere objecten. Ook kan in één klap over meer dan één object tegelijk beschikt worden.5 Geeft men er de voorkeur aan om dergelijke gevallen te karakteriseren als het bestaan van één goederenrechtelijk recht op meerdere objecten, dan dient men zich te realiseren dat deze typering zonder rechtsgevolgen is. Door ervan uit te gaan dat één recht op meer objecten bestaat, gelden bijvoorbeeld nog geen andere leverings- of vestigingsvereisten en wordt het niet onmogelijk de betrokken objecten en rechten afzonderlijk over te dragen of te bezwaren.
221. Uit de vergelijking met het Franse recht blijkt dat het ook anders had gekund. Daar is de feitelijke algemeenheid object van goederenrechtelijke rechten. Zo is bijvoorbeeld het fonds de commerce (de onderneming) één goed en als zodanig vatbaar voor overdracht en verpanding. Aan de kwalificatie van een samenstel van goederen als algemeenheid worden in het Franse recht ook rechtsgevolgen verbonden. Zo treedt zaaksvervanging op binnen de algemeenheid en is de vruchtgebruiker van een algemeenheid bevoegd te beschikken over de goederen uit de algemeenheid, terwijl een vruchtgebruiker van afzonderlijke goederen dat niet is.6
Het blijkt echter dat dit andere uitgangspunt van het Franse recht niet tot wezenlijk andere uitkomsten leidt dan in het Nederlandse en het Duitse recht (dat ook uitgaat van het uniciteitsbeginsel, de Spezialitätsgrundsatz). Dit hangt samen met het feit dat het fonds de commerce vrij eng gedefinieerd is en geen vorderingen en onroerende zaken omvat. Bovendien dienen voor een aantal elementen die wél tot het fonds de commerce behoren alsnog afzonderlijke leverings- en vestigingsvereisten te worden vervuld. In het Nederlandse en Duitse recht wordt het bepaaldheidsvereiste ruimhartig ingevuld en bestaan ‘stille’ leverings- en vestigingsvarianten bij niet-registergoederen. Daardoor bieden het Nederlandse en Duitse recht vergelijkbare mogelijkheden als het Franse recht. Iets dergelijks doet zich ook voor bij het vruchtgebruik van een algemeenheid: de beschikkingsbevoegdheid van de vruchtgebruiker is in het Nederlandse recht in de wet geregeld.7
222. Uit deze vergelijking met het Franse recht volgt dat het uniciteitsbeginsel vooral een keuze is voor een bepaalde manier van inrichten, systematiseren en ordenen van het goederenrecht. In het Franse recht wordt het concept van de algemeenheid gebruikt om bepaalde rechtsgevolgen te verklaren die in het Nederlandse recht op een andere wijze worden verklaard. Het uniciteitsbeginsel is dus vooral een ordeningsprincipe.
Vanuit het Nederlandse recht bezien, biedt het erkennen van – bijvoorbeeld – de onderneming als rechtsobject op de wijze waarop dat in het Franse recht is geschied geen oplossing voor de door sommigen gesignaleerde problemen. De rechtsfiguur van de algemeenheid van goederen brengt op zichzelf geen voordelen met zich. Door het invoeren daarvan zou niets mogelijk gemaakt worden wat nu onmogelijk is, of andersom. Zo worden daardoor de voor de levering of vestiging te verrichten formaliteiten en handelingen niet eenvoudiger. Ook kan door de invoering van de algemeenheid van goederen als rechtsobject niet de hand gelegd worden op de zo felbegeerde goodwill. Dat goodwill iets ongrijpbaars is, dat voor overgang van de goederen van een onderneming duidelijk moet zijn over welke goederen we het dan hebben en dat daarbij een zekere mate van publiciteit gewenst is, zijn ‘problemen’ die bestaan onafhankelijk van het antwoord op de vraag of het recht op de onderneming één recht als zodanig is.8
223. Het erkennen van de algemeenheid van goederen als rechtsobject of het aannemen van het bestaan van één recht op meerdere objecten wordt pas zinvol indien daarmee een goederenrechtelijke band tussen de objecten wordt gesmeed. Bijvoorbeeld omdat in een dergelijk geval de afzonderlijke goederen niet meer overdraagbaar zouden zijn, niet meer over de afzonderlijke goederen beschikt zou kunnen worden of andere – eenvoudigere – leverings- en vestigingsvereisten zouden gelden voor het geheel.9 In het Franse recht worden deze consequenties niet verbonden aan de figuur van de algemeenheid van goederen. De vraag is ook of het verbinden van dergelijke gevolgen aan het bestaan van een algemeenheid van goederen wenselijk zou zijn. De vrije overdraagbaarheid van (afzonderlijke) goederen is een belangrijk principe van ons vermogensrecht en ook bestaan de leverings- en vestigingsformaliteiten niet zonder reden.10 In die zin is het uniciteitsbeginsel dienend aan deze andere principes van het goederenrecht, zoals de vrije (afzonderlijke) overdraagbaarheid en publiciteit.11
224. Dat het uitgangspunt uniciteit is en in principe geen goederenrechtelijke band tussen verschillende objecten bestaat, laat onverlet dat zich in het Nederlandse en Duitse recht uitzonderingen op het uniciteitsbeginsel voordoen. Daar bestaat die goederenrechtelijke band wél. Er kan dan niet meer over de afzonderlijke goederen beschikt worden of er wordt afgeweken van het uitgangspunt dat per goed aan de leverings- en vestigingsvereisten moet worden voldaan. Denk aan de splitsing van een groep gebouwen in appartementsrechten, het aandeel in het verzameldepot en het scheepstoebehoren.12
Telkens betreft het bijzondere gevallen. Bij de splitsing van meerdere goederen in appartementsrechten en bij het aandeel in het verzameldepot vindt in wezen een ‘transformatie’ plaats van meerdere goederen in een nieuw rechtsobject. Bij de appartementsrechten is deze transformatie nodig, omdat men naar Nederlands recht geen eigenaar kan zijn van een gedeelte van een gebouw, en bij de Wge is voor deze constructie gekozen om beleggers een goederenrechtelijke aanspraak te geven. De regeling van het scheepstoebehoren bestaat omdat het Protocol no. 1 bij het Verdrag inzake de inschrijving van binnenschepen bepaalde eisen stelt aan de rechten op binnenschepen en de wetgever dit doorgetrokken heeft naar de regeling van zeeschepen.
De uitzonderingen die in de wet op het uniciteitsbeginsel worden gemaakt, laten zich goed inpassen in het systeem. Steeds is namelijk de positie van de betrokkenen door de bijzondere wettelijke bepalingen duidelijk uitgewerkt. Het object waarover de rechthebbende kan beschikken is telkens dat ene recht, waarvan gezegd zou kunnen worden dat het rust op, of is opgebouwd uit, meerdere goederen. Omdat het dát is waar de rechthebbende over kan beschikken, levert het bestaan van de uitzondering op het uniciteitsbeginsel geen praktische problemen op.
225. Het uniciteitsbeginsel heeft een ordeningsfunctie. Het verschilt hierin van andere principes die ten grondslag liggen aan het goederenrecht en waarmee het uniciteitsbeginsel samenhangt, zoals het bepaaldheidsvereiste en het specialiteitsbeginsel. Het bepaaldheidsvereiste houdt in dat goederen bij de levering of vestiging voldoende bepaald moeten zijn en heeft een identificatiefunctie. Het is nodig om te weten op welk object of welke objecten een beschikkingshandeling betrekking heeft.13 Het specialiteitsbeginsel houdt in dat registergoederen bij beschikking daarover afzonderlijk moeten worden omschreven in de akte. Dat beginsel heeft een faciliterende functie, omdat het de mogelijkheidsvoorwaarde is voor een goed werkend systeem van publiciteit.14
Het uniciteitsbeginsel vervult een rol bij een systematische ordening van de rechtsstof. Ook ondersteunt het andere principes, zoals de vrije overdraagbaarheid en publiciteit. In het Nederlandse goederenrecht staat de overdraagbaarheid van afzonderlijke goederen voorop, zien de bevoegdheden uit goederenrechtelijke rechten doorgaans op afzonderlijke objecten en wordt bovendien waarde gehecht aan de verschillende leverings- en vestigingsvereisten. Een systeem waarin een goederenrechtelijk recht in beginsel steeds slechts één object heeft, sluit het beste bij deze vertrekpunten aan.15