Einde inhoudsopgave
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/7.5.6.3
7.5.6.3 Toepassing
mr. J.H.L. Beckers, datum 01-01-2016
- Datum
01-01-2016
- Auteur
mr. J.H.L. Beckers
- JCDI
JCDI:ADS367597:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Idem Rebers 2007, p. 365 en Nieuwe Weme 2004, p. 124. Vgl. art. 2:24a lid 1 sub b BWen in het buitenland: Note 2 bij Rule 9 City Takeover Code en de Belgische en de Franse regeling (zie eerder § 5.7.2.2 en § 5.5.2.2).
Anders: Van Olffen 2000, p. 11, die zich, onder meer vanwege het feit dat bestuurders gehouden zijn tot behartiging van het vennootschappelijk belang en aandeelhouders derhalve geen board control kunnen uitoefenen, afvraagt of beschermingsconstructies nog langer noodzakelijk zijn. Daarnaast wijst hij op andere waarborgen voor stakeholders zoals het medezeggenschapsrecht en het enquêterecht.
Vgl. Kamerstukken II, 1997/98, 25 732, nr. 3, p. 1 en 10.
Aangenomen mag worden dat de kandidaat van een of meer grootaandeelhouder(s) aan een door die aandeelhouder(s) gewenst profiel voldoet, vgl. de City Code waar de omstandigheid dat de kandidaat afkomstig is uit de eigen kring van de samenwerkende aandeelhouders relevant is voor het Takeover Panel om te bepalen of sprake is van acting in concert (§ 5.3.2.2).
Daarvan gaat ook het Takeover Panel uit, zie Response Statement 2002/10, nr. 4.3.9.
Idem De Mol van Otterloo 2005, p. 341.
Als praktijkvoorbeeld kan op de ASMI-casus worden gewezen waar de aandeelhouders die het ontslag van de hele RvC en de CEO van ASMI agendeerden tegelijkertijd nieuwe kandidaten voordroegen (OK 5 augustus 2009, JOR 2009/254 m.nt. Hermans, r.o. 2.31).
Oppelaar 2000, p. 275 voorspelde om die reden reeds dat er – uitgaande van een materieel controlecriterium – weinig verplichte biedingen zouden zijn als wordt gekeken naar de ontslagmogelijkheden.
Idem Practice Statement no. 26 van het Takeover Panel van 9 september 2009, nr. 3.4. Vgl. eerder Response Statement 2002/10 van 4 juli 2002, nr. 4.3.3 waar het Panel overweegt dat het aantal bestuurders hooguit kan fungeren als deelfactor.
Vgl. Best Practice Bepaling IV.4.4 en II.1.9 Corporate Governance Code. Opmerkelijk dat onder de Code reeds bij agendering van het ontslag van een of meer bestuurder of commissarissen sprake is van een “onderwerp dat kan leiden tot wijziging van de strategie”. Zie hierover eerder Beckers 2010-1, p. 115.
Wel is er een trend zichtbaar van een vermindering van het aantal leden van besturen, zie Abma 2013-2 met verklaringen daarvoor.
Vgl. Practice Statement no. 26 van het Takeover Panel van 9 september 2009, nr. 3.4.
Zie daarover Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/418 en 420. In de praktijk komt vaak een bepaling in het bestuursreglement voor dat besluitvorming zoveel mogelijk unaniem geschiedt, maar als dit niet lukt een gewone meerderheid volstaat, zie bijvoorbeeld art. 16.11 van de statuten van Ahold.
Ook in de City Code wordt gekeken naar het mandaat van de bestuurder in kwestie, zie Note 2 bij Rule 9.
Hetgeen ook volgt uit art. 2:9 BW en art. 2:129 lid 1 BW, vgl. Van Schilfgaarde/Winter/Wezeman 2013, nr. 42.
Kamerstukken II, 2008/09, 31 763, nr. 3, p. 17. Vgl. Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/417.
Van Schilfgaarde/Winter/Wezeman 2013, nr. 42: Dumoulin 2005, p. 267 en A.G. van Solinge 1988, p. 310.
Huizink, Rechtspersonen (Groene Serie), art. 129, aant. 14 en 15a.
Sinds 1 januari 2013 heeft een aantal Nederlandse beursvennootschappen voor een dergelijke structuur gekozen. Bootsma 2013, p. 93 e.v. noemt: Cryo-Save Group, D.E. Master Blenders 1753, Heineken Holding, Kardan, New Sources Energy en Unilever en TMC.
Vgl. Bulten 2012, p. 10.
Dat wil zeggen bij reglement of bestuursbesluit, zie Kamerstukken II, 2008/09, 31 763, nr. 3, p. 8. Vgl. hierover Dumoulin 2012, p. 493.
Kamerstukken II, 2008/09, 31 763, nr. 3, p. 17. Vgl. Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/424, waar dit “opmerkelijk” wordt genoemd.
In het algemeen: Dumoulin 1999, p. 17-19 en p. 231.
Idem Dumoulin 2012, p. 489.
De toelichting draagt de overige bestuurders ook op om “zich regelmatig op de hoogte stellen van de wijze waarop door bestuurders met deze bevoegdheid wordt omgegaan”; dit duidt niet op de mogelijkheid om het nemen van het besluit te voorkomen of terug te draaien, vgl. Kamerstukken II, 2008/09, 31 763, nr. 3, p. 17.
Zie hierover ook Van Olffen 2012, p. 483 en Dumoulin 2012, p. 494.
Zie Note 2 bij Rule 9: “If it is proposed to replace the entire board, or [onderstr. JHLB] if the implementation of the proposal would result in the proposed directors representing a majority of the directors on the board […].” Als samenwerkende partijen worden dan aangemerkt: de aandeelhouder die het voorstel doet om een of meer bestuurder(s) te benoemen of te ontslaan, de betrokken bestuurder(s) en de aandeelhouders die het voorstel steunen.
Zie daarover ook § 11.3.2.
Zie § 5.5.2.2 (Frankrijk) en § 5.7.2.2 (België).
Zie eerder § 5.4.2.2.
In Rule 9, Note 2 wordt enkel gesproken van benoeming (appoint) of vervanging (replace). De nadruk ligt op de benoeming van nieuwe bestuurders. Doorslaggevend voor de kwalificatie als board control-seeking proposal is de verhouding tussen de voorgestelde bestuurders en degenen die het voorstel doen of steunen, zie eerder § 5.3.2.2.
De nadruk ligt net als in het Verenigd Koninkrijk op de benoeming van bestuurders, zie eerder § 5.6.2.2.
Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/562.
Daarnaast heeft de OR, net als de algemene vergadering, een “gewoon” aanbevelingsrecht, zie art. 2:158 lid 5 BW.
De RvC kan zich verzetten tegen de aanbeveling (art. 2:158 lid 7 BW). Neemt de RvC de aanbeveling over dan kan de algemene vergadering zich tegen de voordracht verzetten (art. 2:158 lid 9 BW). De RvC moet dan een nieuwe voordracht doen. Zie nader hierover Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/569.
Hier moet onderscheid worden gemaakt tussen vennootschappen met een volledig structuurregime, vennootschappen met een verzwakt regime en vennootschappen die het regime vrijwillig toepassen. In de laatste twee gevallen kan er namelijk voor worden gekozen voor het buiten toepassing laten van art. 2:162 BW, dat ziet op benoeming en ontslag van bestuurders, zie ook Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/592.
Op instigatie van een grootaandeelhouder, die dit op de agenda had laten plaatsen, verzocht de algemene vergadering van (de structuurvennootschap) Batenburg Techniek de RvC in 2011 haar ledental uit te breiden. Later dat jaar werd de RvC uitgebreid met een vertegenwoordiger van die grootaandeelhouder, zie het persbericht van 8 november 2011.
Een bekend voorbeeld is KPN waar grootaandeelhouder AMX (van Carlos Slim) in ruil voor steun aan een omvangrijke emissie twee commissarissen mocht “benoemen”, zie het persbericht van 27 februari 2013. De RvC van KPN telt acht leden.
Het enige geval dat ik tegenkwam is BESI waar in 2009 een aantal samenwerkende aandeelhouders een bestuurder en vier commissarissen aandroeg, zie Effect 27 juni 2009, p. 29 e.v. Voor de goede orde vermeld ik dat in dit geval geen sprake kon zijn van een biedplicht omdat de drie samenwerkende aandeelhouders “slechts” 13% van de stemrechten bezaten en omdat hun samenwerking dateerde van februari 2007, blijkens de gezamenlijke melding bij de AFM, waarmee zij – waarschijnlijk – in aanmerking kwamen voor de overgangsrechtelijke vrijstelling voor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de biedplicht bestaande belangen (zie nader § 15.2.2.2).
Een praktijkvoorbeeld is de machtswisseling en daarmee samenhangende herstructurering bij New Sources Energy (begin 2011). Voorwaardelijk aan het doorgaan van de transactie werden het volledige bestuur en de volledige RvC ontslagen, zie het persbericht van 4 maart 2011. Een biedplicht was niet aan de orde omdat de zogenaamde whitewash-vrijstelling werd toegepast, zie daarover § 15.2.4.
Een change of control als gevolg van een vrijwillig bod zal in de regel niet tot een biedplicht leiden aangezien voor dat geval een vrijstelling is gecreëerd, zie nader § 15.2.8.
Uit onderzoek volgt dat een groot deel van de Nederlandse beursvennootschappen gebruik maakt van de mogelijkheid om besluitvorming over bestuurdersbenoemingen afhankelijk te maken van een (bindende) voordracht, zie Santen/Kloosterman 2007, p. 49-56.
Een praktijkvoorbeeld – waar het overigens niet om de meerderheid ging – is het onder druk van enkele grootaandeelhouders aftreden van twee commissarissen van Grontmij, zie het persbericht van 9 november 2011.
Tot nu toe deed zich dit slechts voor in wat is gaan heten “de strijd om Stork”, welke leidde tot OK 21 januari 2007, JOR 2007/42 m.nt. Blanco Fernández.
Dat geldt ook voor vennootschappen waarop het verzwakte structuurregime van toepassing is en voor vennootschappen die hebben gekozen voor vrijwillige toepassing. In beide gevallen heeft de RvC immers het wettelijke goedkeuringsrecht van art. 2:164 lid 1 BW (dat volgt uit respectievelijk art. 2:155 lid 1 BW en art. 2:157 lid 1 BW), hetgeen aanleiding vormt om controleverwerving aan te nemen bij de benoeming van de meerderheid van de RvC, zie eerder § 7.5.4.3 sub I.
In de literatuur wordt wel aangenomen dat zij rekening zullen moeten houden met de bezwaren van de algemene vergadering tegen de collectief ontslagen commissarissen. Aldus Trojan 2007, p. 204- 205 en Landkroon 2007, p. 28. Anders echter: Kroeze/Verbrugh 2007, p. 439. Daargelaten de positie van de tijdelijke commissarissen is moeilijk denkbaar dat nieuwe (permanente) commissarissen worden benoemd die niet de steun van de rebellerende aandeelhouders hebben. Immers, voor afwijzing van de voordracht van een ongewenste kandidaat volstaat dezelfde meerderheid als voor het daaraan voorafgegane collectieve ontslag (art. 2:158 lid 9 BW), zie in die zin ook Leijten 2007, p. 160.
Zie nader § 5.5.2.2.
Zie Gaede 2008, p. 202-203. In Duitsland is veel discussie over de vraag of ook afspraken met individuele commissarissen over het kiezen van de voorzitter tot een biedplicht kunnen leiden, vgl. eerder hierover § 5.4.2.2.
Zie Calkoen 2012, p. 46 e.v. voor een uitgebreide analyse van het one-tier board-model in het Verenigd Koninkrijk.
Practice statement no. 26 van 9 september 2009, nr. 3.7.
Zie eerder § 5.7.2.2.
Vgl. Assink 2009, p. 44, die opmerkt dat structuurwijzigingen niet de enige fundamentele kwesties zijn ten aanzien waarvan de AvA normaliter zeggenschap heeft. Volgens hem gaat het om de organisatie van de vennootschap in brede zin, waaronder hij mede verstaat het besluit tot dividenduitkering.
De bevoegdheid tot tussentijdse uitkering (art. 2:105 lid 4 BW) berust meestal bij het bestuur, zie Bier 2003, p. 209-210.
Bevestigd in HR 12 juli 2013, NJ 2013/461 m.nt. Van Schilfgaarde (KLM). Zie meest recent H. Koster 2015, p. 636 e.v.
Van Olffen 2006, p. 779.
Statutenwijzigingen kwamen hiervoor al aan de orde (§ 7.5.5.3 sub III). Een statutenwijziging kan dus onder beide elementen vallen; dat betekent niet dat ook aan beide elementen getoetst moet worden, zie eerder § 7.4.3.5 sub IV (slot).
Van der Korst/Nieuwe Weme/Van Solinge 2008, p. 35-36.
Denk bijvoorbeeld aan de claimemissie van Delta Lloyd (april 2016), waarbij het bestaande aantal gewone aandelen ruimschoots werd verdubbeld, zie het persbericht van 23 maart 2016 op <www.deltalloyd.com>.
Daarvoor is een statutaire basis vereist, zie art. 2:99 lid 1 BW.
Stroeve/Cremers 2015, p. 29 en Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIA 2013/254a.
In het onderstaande analyseer ik welke “belangrijke besluiten” (§ 7.5.5.3) onder het door mij voorgestane criterium tot een biedplicht zouden leiden en welke niet. Eerst zal steeds worden toegelicht waarom er sprake is van een belangrijk besluit. De bespreking wordt – waar relevant – afgesloten met een korte rechtsvergelijking.
I. Benoeming en ontslag van bestuurders
i. Belangrijk besluit
Benoeming en ontslag van bestuurders zijn belangrijke besluiten (zie resp. art. 2:132 lid 1 BW en art. 2:132 lid 1 jo art. 2:134 lid 1 BW). Bij structuurvennootschappen berust de bevoegdheid tot benoeming en ontslag van bestuurders bij de RvC (zie resp. art. 2:158 BW en art. 2:162 BW), waardoor de controle dus enkel indirect, via de controle over de RvC, worden verworven (zie uitgebreid hierna).
Schorsing van een bestuurder is weliswaar een ingrijpende maatregel, maar is van tijdelijke aard. Slechts indien de schorsing overgaat in ontslag, kan er sprake zijn van controleverwerving, mits het om de meerderheid van de bestuurders gaat (zie hierna sub ii). Aangezien schorsing een typische “individuele” maatregel is, zal aan deze voorwaarde niet snel worden voldaan.
ii. Implicaties voor de strategie
Doorslaggevende beïnvloeding van de strategische koers van de vennootschap is enkel aan de orde als de meerderheid binnen het bestuur verworven wordt.1 Als gevolg van de verwerving van de meerderheid in het bestuur wordt de invloed van de overige, “onafhankelijke” bestuurders geneutraliseerd. Degene die de meerderheid van het bestuur controleert kan invloed uitoefenen op de strategie en de uitvoering daarvan. Dat bestuurders naar Nederlands recht gehouden zijn het belang van de vennootschap te behartigen (art. 2:129 lid 5 BW) is voor het materiële controlecriterium en het doel van de biedplicht niet relevant.2 Minderheidsaandeelhouders, net als de overige stakeholders, ontlenen daaraan een zekere bescherming3, maar de gehoudenheid tot behartiging van het vennootschappelijk belang verhindert op zichzelf niet dat de controle over het bestuur en daarmee de controle over de vennootschap wordt verkregen. Pas wanneer die controle ten detrimente van minderheidsaandeelhouders wordt aangewend zal een beroep op het vennootschappelijk belang gedaan (kunnen) worden. Het vennootschappelijk belang heeft een op papier normatieve, maar in de praktijk vooral correctieve rol.
De meerderheid binnen het bestuur kan worden verworven door zittende bestuurders te vervangen door eigen kandidaten4, maar er zijn ook andere manieren.5 Gedacht kan worden aan de volgende situaties. In een driehoofdig bestuur vervangt een groep aandeelhouders een bestuurder door een eigen kandidaat. Indien de twee overige bestuurders – of een van hen – onder invloed van die aandeelhouders staan, bijvoorbeeld via de instructiemacht (§ 7.5.4.2), is er ook sprake van een meerderheid. Ook het ontslaan van een minderheid en vervolgens benoemen van een minderheid kan uiteindelijk de meerderheid opleveren. Ten slotte leidt ook het ontslag van de meerderheid van het bestuur in mijn ogen tot controleverwerving.6 Met het ontslag wordt voorkomen dat het bestuur bepaalde voorgenomen handelingen kan verrichten of besluiten kan nemen, bijvoorbeeld inzake de strategische koers van de vennootschap; deze “passieve” controle is een van de verschijningsvormen van de controle (§ 7.5.3.3). Daarbij komt dat het in de praktijk ondenkbaar lijkt dat na het ontslag bestuurders worden benoemd die niet de steun hebben van de grootaandeelhouder(s). Langs dezelfde lijn mag worden aangenomen dat indien niet het hele bestuur ontslagen wordt, de resterende bestuurders wel de steun van de grootaandeelhouder(s) hebben. Het voorgaande geldt in versterkte mate als de samenwerkende aandeelhouders niet alleen uit zijn op het ontslag van het zittende bestuur, maar daarnaast ook hun vervangers aanwijzen, waardoor zij uiteindelijk de meerderheid van het bestuur controleren.7 In de praktijk komt het overigens niet vaak voor dat aandeelhouders daadwerkelijk over gaan tot ontslag. Afgezien van het frequente gebruik van oligarchische regelingen bij het ontslag van bestuurders8 zal een bestuurder die het vertrouwen verliest van de grootaandeelhouder(s) in de regel de eer aan zichzelf houden. Zowel van de zijde van de bestuurder als van die van de vennootschap wordt zo reputatieschade voorkomen. Indien bestuurders opstappen onder druk van een groep aandeelhouders dan zou ik menen dat ook in dat geval controleverwerving mag worden aangenomen. Datzelfde geldt indien het ontslag niet het einddoel is, maar daarmee wordt gedreigd teneinde een belangrijk bestuursbesluit te beïnvloeden (§ 7.5.4.3). Het kan niet zo zijn dat deze beïnvloeding de dans ontspringt terwijl het daadwerkelijke ontslag wel tot controleverwerving leidt.
Bij de vervanging van een enkele bestuurder ligt controleverwerving niet voor de hand, tenzij sprake is van een eenhoofdig bestuur9,10 hetgeen in de praktijk niet veel voor komt.11 Dat wordt niet anders als het om de CEO gaat.12 Wel moet rekening worden gehouden met situaties waarin bestuurders meer dan een stem kunnen uitbrengen of een taakverdeling geldt binnen het bestuur.
Besluitvormingsregels
Het voorgaande moet worden genuanceerd indien er afwijkende regels gelden voor de totstandkoming van bestuursbesluiten. Denk bijvoorbeeld aan een bij statuten of reglement gestelde unanimiteitseis.13 Indien besluiten enkel unaniem kunnen worden genomen is de meerderheid in de bestuursvergadering op zichzelf niet voldoende om besluiten te kunnen nemen; ieder van de overige bestuurders heeft immers een vetorecht. Uiteraard geldt ook hier dat de overige bestuurders onder druk kunnen worden gezet om conform de wens van de aandeelhouders te stemmen (zie nader hierover § 7.5.4.3).
Taakverdeling
Een tweede belangrijke nuance is een eventuele taakverdeling binnen het bestuur.14 Indien de controle wordt verkregen over de meerderheid van het bestuur betreffende bestuurders met relatief kleine portefeuilles kan worden betwijfeld of er sprake is van controleverwerving. Andersom, hoe moet worden geoordeeld over het geval dat alleen een nieuwe CEO benoemd wordt en de twee overige bestuurders blijven zitten? Zoals hieronder nog duidelijk zal worden moet in dit verband onderscheid worden gemaakt tussen two tier en one tier boards.
Binnen het bestuur in een two tier board-structuur kan een taakverdeling worden gemaakt.15 Deze laat echter de collegiale verantwoordelijkheid voor het beleid en de gang van zaken van het bestuur onverlet, ook terzake van de in de taakverdeling betrokken bevoegdheden.16 De individuele bestuurders zijn aan de beslissingen van het bestuur gebonden.17 Dat geldt ook voor de CEO, ondanks zijn veelvoorkomende rol van primus inter pares.18 Kort en goed: een taakverdeling doet geen afbreuk aan het eerder geformuleerde uitgangspunt dat bij controle van de meerderheid van het bestuur een biedplicht dient te ontstaan (sub I).
In een one tier board-structuur is een taakverdeling in tweeërlei opzicht van meer belang.19 In de eerste plaats zal in een one tier board-structuur onderscheid worden gemaakt tussen uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders.20 Op zichzelf heeft dit onderscheid voor de biedplicht nog geen gevolgen. Een niet-uitvoerende bestuurder is nog steeds bestuurder, ook voor de doeleinden van de biedplicht. Dat wordt pas anders indien in een taakverdeling duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen beide typen bestuurders op de voet van art. 2:129a lid 1 BW. In de tweede plaats is een taakverdeling van belang bij de vaststelling wie binnen het bestuur uiteindelijk de beslissingsmacht heeft. Bij of krachtens21 de statuten kan worden bepaald dat een of meer bestuurders rechtsgeldig kunnen besluiten omtrent zaken die tot zijn/hun taken behoren (art. 2:129a lid 3 BW). Besluiten van bestuurders die binnen het kader van de hen toegekende bevoegdheden vallen, worden toegerekend aan het bestuur22 en in het verlengde daarvan aan de vennootschap.23 Dit betekent in beginsel dat de overige bestuurders niet langer beslissingsbevoegd zijn24 en dus niet kunnen overrulen.25 Echter, indien de taakverdeling is neergelegd in een besluit of reglement kunnen de overige bestuurders wel overrulen door een nieuw besluit te nemen.26
iii. Rechtsvergelijking
De door mij bepleite benadering, waarin controleverwerving pas wordt aangenomen indien de meerderheid van het bestuur onder de controle van de samenwerkende aandeelhouders komt, sluit aan bij de meeste van de onderzochte lidstaten. In het Verenigd Koninkrijk is bij verwerving van de controle over de meerderheid van de bestuurders sprake van een board control-seeking proposal (zie over dit begrip eerder § 5.3.2.2).27 Ook wordt controleverwerving aangenomen in België en Frankrijk, waar de acting in concert-regels naar de consolidatiecriteria uit het jaarrekeningenrecht28 verwijzen, die aansluiten bij het kunnen benoemen of ontslaan van de meerderheid van de bestuurders.29 De Duitse toezichthouder BaFin gaat er van uit dat het ontslag van een of meer bestuurders de voor een biedplicht vereiste invloed kan opleveren, afhankelijk van de omstandigheden van het geval.30
De meeste van de onderzochte landen maken geen onderscheid tussen benoeming en ontslag van bestuurders; uitzonderingen zijn het Verenigd Koninkrijk31 en Italië.32
II. Benoeming en ontslag van commissarissen
i. Belangrijk besluit
Benoeming van commissarissen is in beginsel een bevoegdheid van de algemene vergadering (art. 2:142 lid 1 BW) en is daarmee een belangrijk besluit. Ook bij structuurvennootschappen benoemt de algemene vergadering nieuwe commissarissen (art. 2:158 lid 4 BW). Wel wordt van rechtswege de invloed van aandeelhouders op de benoeming van nieuwe commissarissen beperkt. De eerste beperking is dat de RvC zelf de voordracht doet voor benoeming. Aandeelhouders kunnen kandidaten aandragen, maar de RvC kan weigeren deze voor te dragen. De wet voorziet niet in een procedure waarin de aandeelhouders zich hiertegen kunnen verzetten.33 Een tweede beperking is dat de ondernemingsraad voor een derde van de nieuw te benoemen commissarissen een bijzonder aanbevelingsrecht heeft.34 Tenzij er geen gebruik wordt gemaakt van deze mogelijkheid, is de invloed van de aandeelhouders beperkt tot twee derde van de nieuwe commissarissen.35 Beide beperkingen staan niet in de weg aan het aannemen van een belangrijk besluit. Mogelijk kunnen zij er wel toe leiden dat er geen sprake is van een meerderheid binnen de RvC (zie hierna).
Commissarissen worden ontslagen door degene die hen benoemd heeft; meestal is dat de algemene vergadering (zie eerder); dat maakt dit een belangrijk besluit. De RvC van een structuurvennootschap kan op grond van art. 2:161a BW slechts in zijn geheel ontslagen worden; ontslag van individuele commissarissen is slechts mogelijk met tussenkomst van de OK (art. 2:161 lid 2 BW). In dat geval is geen sprake van een belangrijk besluit.
ii. Implicaties voor de strategie
Uitgangspunt is dat commissarissen tot taak hebben toezicht te houden op het beleid en de gang van zaken binnen de vennootschap en het bestuur met raad terzijde te staan (art. 2:140 lid 2 BW). Daarmee hebben commissarissen in wezen een fundamenteel andere positie dan bestuurders. Dat neemt echter niet weg dat in de praktijk commissarissen met vergaande bevoegdheden kunnen worden uitgerust, afhankelijk van toepasselijkheid van het structuurregime (zie uitgebreid hierna).36
Invloed op de benoeming van de meerderheid van de commissarissen kan leiden tot controleverwerving. De nuances die eerder werden besproken inzake de controle over het bestuur (sub I) – het belang van besluitvormingsregels en/of een taakverdeling bij het bepalen van die meerderheid – zijn ook relevant als het om commissarissen gaat. Niet van belang is of het gaat om uitbreiding van de RvC met een nieuw voorgedragen lid37 of om het voordragen van een of meer opvolger(s) voor een (of meer) vertrekkende commissaris(sen). Uiteraard leidt dit wel tot een andere berekening van de meerderheid.
In de praktijk komt het geregeld voor dat aandeelhouders invloed uitoefenen op de benoeming van “eigen” commissarissen.38 Zelden echter gaat het daarbij om de meerderheid van de commissarissen39, tenzij als gevolg van een change of control. Dat laatste doet zich soms voor als onderdeel van een herstructurering40, maar vaker bij een openbaar bod41,42. Ik zou controleverwerving willen aannemen in het – in de praktijk veelvoorkomende – geval dat de RvC ofwel een bindend voordrachtsrecht heeft inzake de benoeming van nieuwe bestuurders43 of een goedkeuringsrecht ten aanzien van belangrijke bestuursbesluiten. Dat commissarissen gehouden zijn tot behartiging van het vennootschappelijk belang en niet de belangen van de aandeelhouders die hen benoemd hebben, staat – evenals bij de benoeming van eigen bestuurders (§ 7.5.6.3 sub I) – niet in de weg aan het aannemen van de controle.
Ook het ontslag van de meerderheid van de commissarissen is een voor de controle relevante omstandigheid. Aldus kan immers worden voorkomen dat commissarissen bepaalde, de aandeelhouders onwelgevallige beslissingen nemen. Denk bijvoorbeeld aan het niet-geven van goedkeuring aan een belangrijk bestuursbesluit of het voordragen van een bestuurder die niet de steun van die aandeelhouders heeft. Net zoals bij het ontslag van de meerderheid van het bestuur heeft hier te gelden dat het in de praktijk ondenkbaar is dat na het ontslag commissarissen worden benoemd die niet de steun hebben van de grootaandeelhouder(s) (sub I). Indien een groep aandeelhouders een dusdanig grote druk op commissarissen uitoefent dat laatstgenoemden zich genoodzaakt zien om op te stappen, is eveneens sprake van controleverwerving.44 Dat geldt in versterkte mate bij een structuurvennootschap. Het collectieve ontslag van de RvC is een zeldzaam verschijnsel.45 Juist vanwege de relatieve zwaarte van het collectieve ontslag zal in de praktijk eerder op informele wijze invloed worden uitgeoefend op de besluitvorming door de RvC en het bestuur (vgl. § 7.5.6.3 sub I).
Bij structuurvennootschappen is de RvC bevoegd tot benoeming, schorsing en ontslag van het bestuur (art. 2:162 BW jo art. 2:134 lid 1 BW) en beschikt zij over een wettelijk goedkeuringsrecht ten aanzien van belangrijke bestuursbesluiten (art. 2:164 BW). Gelet hierop kan naar mijn mening worden gesteld dat degene die de RvC van een structuurvennootschap controleert, ook het bestuur controleert en daarmee de vennootschap.46 Een bijzonder geval is de benoeming van nieuwe commissarissen na het collectief ontslag van de RvC van een structuurvennootschap. Indien het collectieve ontslag is afgedwongen door samenwerkende aandeelhouders is reeds op dat moment sprake van controleverwerving (zie hierna § 7.5.4.4. sub II) en is de benoeming van nieuwe bestuurders minder van belang. Dat is anders als aandeelhouders niet samenwerken in het kader van het ontslag, maar wel ten aanzien van de daarop volgende benoeming. Maar, het is de vraag of dit een realistisch scenario is. Te meer omdat het de OK is die na het collectieve ontslag een of meer tijdelijke commissarissen benoemt, die zo snel mogelijk nieuwe commissarissen dienen voor te dragen met inachtneming van de normale benoemingsregeling van art. 2:158 BW (art. 2:161a lid 4 BW). Bovendien kunnen de tijdelijke commissarissen niet worden ontslagen door de aandeelhouders (art. 2:161a lid 1 BW, laatste zin).47
iii. Rechtsvergelijking
Op dit punt bestaat in de onderzochte landen geen eenduidig beeld. De Franse acting in concert-regels verwijzen naar de consolidatiecriteria uit het jaarrekeningenrecht, die op hun beurt aansluiten bij het kunnen benoemen of ontslaan van de meerderheid van het bestuurs-, leidinggevende of toezichthoudende organen van de vennootschap.48 In Duitsland49 en het Verenigd Koninkrijk wordt weliswaar aangenomen dat de controle via de RvC kan worden verworven en dat dat een biedplicht kan opleveren, maar ligt de nadruk op de benoeming van commissarissen. In het Verenigd Koninkrijk wordt bovendien het voorstel om twee of meer non-executive directors50 te benoemen of te vervangen doorgaans niet als board control-seeking gezien.51 In de overige landen wordt geen controle aangenomen bij de benoeming en/of het ontslag van de meerderheid van de commissarissen. In België zijn weliswaar net als in Frankrijk de jaarrekeningrechtelijke consolidatiecriteria overgenomen in de vennootschapsrechtelijke definitie van de controle, echter zonder de in die criteria genoemde controle over het toezichtsorgaan.52 Naar Italiaans recht is geen sprake van de controle bij het benoemen van (de meerderheid van de) commissarissen.
III. Dividend
i. Belangrijk besluit
Ook een besluit omtrent het al dan niet uitkeren van dividend is een belangrijk besluit; in beginsel gaan de aandeelhouders over de bestemming van de winst (art. 2:105 lid 1 BW).53 De statuten kunnen bepalen dat een ander orgaan de bevoegdheid heeft te bepalen of een deel daarvan wordt gereserveerd (art. 2:101 lid 6 BW).54
ii. Implicaties voor de strategie
Vaststaat dat de strategische betekenis van een “dividendbesluit” – de onnauwkeurige verzamelterm voor de hiervoor (sub i) genoemde besluiten – niet aan de vermogenspositie van de aandeelhouders gerelateerd moet worden, maar aan vennootschappelijke factoren zoals de behaalde winst, eerder uitgekeerd dividend en met name de ondernemingsstrategie. Dividend is in algemene zin voor de gemiddelde belegger een belangrijk onderwerp, maar pas als het dividendbesluit de strategische koers van de vennootschap raakt, mag de controle worden aangenomen en is een biedplicht gerechtvaardigd.
In beginsel lijkt mij een “dividendbesluit” niet van strategische betekenis. Vaak zal een strategiewijziging eerder oorzaak dan gevolg zijn van een bepaald dividendbesluit. Denk aan de gevallen Stork en ASMI, waar hedgefondsen uit waren op een strategiewijziging (in beide gevallen: het verlaten van de conglomeraat-strategie) en op uitkering van de daaruit voortvloeiende baten aan de aandeelhouders. Het enkele feit dat er sprake is van een breuk met eerder gevoerd beleid, lijkt mij daarvoor in ieder geval onvoldoende. Een terughoudende toets is te meer aangewezen gelet op de vrijheid die het beslissingsbevoegde orgaan heeft naar Nederlands recht.55
Wel van strategische betekenis is in mijn ogen de invoering van een loyaliteitsdividend of loyaliteitsstemrecht, waarbij aandeelhouders die zich voor langere tijd aan de vennootschap verbinden een hoger dividend of extra stemrecht ontvangen. De gedachte daarbij is dat hiermee de strategie kan worden beschermd tegen ongewenste invloeden van niet duurzaam bij de vennootschap betrokken aandeelhouders (zie eerder § 2.4.3.2). Voor invoering van een dergelijk loyaliteitsdividend of -stemrecht zal in de regel ook een statutenwijziging nodig zijn56.57
iii. Rechtsvergelijking
Geen van de regelingen uit de onderzochte landen, die uitgaan van een materieel controlecriterium (vgl. eerder § 7.3.3.3 sub VI) noemt dividenduitkering als zodanig.
IV. Kapitaalvermeerdering en -vermindering
i. Belangrijk besluit
Besluiten die de kapitaalstructuur van de vennootschap betreffen, zijn belangrijke besluiten nu de algemene vergadering daar dwingendrechtelijk bij wordt betrokken. Relevant zijn de volgende besluiten: inkoop (art. 2:98 BW), kapitaalvermindering (art. 2:99 BW), uitgifte (art. 2:96 BW) en beperking of uitsluiting van het voorkeursrecht (art. 2:96a BW).
ii. Implicaties voor de strategie
Besluiten betreffende de kapitaalstructuur kunnen relevant zijn voor de strategische koers van de vennootschap, maar noodzakelijk is dat zeker niet.
Voor wat betreft een emissie lijkt mij niet van strategische betekenis de periodieke delegatie van de emissiebevoegdheid aan het bestuur, meestal bovendien begrensd tot 10% van het geplaatste kapitaal plus 10% extra voor bijzondere gevallen zoals een overname.58 Datzelfde geldt voor de eveneens periodiek gedegeleerde bevoegdheid tot uitsluiting van het voorkeursrecht binnen die grenzen. Gaat het om een bijzondere emissie, bijvoorbeeld een zeer omvangrijke59 of emissie van beschermingsaandelen (preferente aandelen, prioriteitsaandelen, etc.), dan is dat waaarschijnlijk anders. Ook hiervoor geldt weer dat uitsluiting of beperking van het voorkeursrecht in die omstandigheden wel strategische implicaties zal hebben.
Een aandeleninkoop kan een strategische dimensie hebben, maar net als bij dividendbesluiten (zie eerder sub III.ii) zal het eerder andersom zijn: aandeelhouders dringen aan op een koerswijziging, gevolgd door uitkering van de opbrengst – al dan niet via een inkoop – aan aandeelhouders.
Intrekking van aandelen60, de eerste variant van kapitaalvermindering, komt wel voor bij beursvennootschappen, maar vooral om ruimte te creëren om aandelen te kunnen inkopen61 of na uitgifte van beschermingsprefs62. Benadeling van minderheidsaandeelhouders ligt ook niet voor de hand gelet op de regeling van art. 2:99 BW; bij aandelen van dezelfde soort moet evenredigheid worden betracht (lid 3), bij verschillende soorten is goedkeuring per soort vereist (lid 4). De tweede kapitaalverminderingsvariant, het verlagen van het nominaal bedrag, waarvoor een statutenwijziging noodzakelijk is (art. 2:99 lid 1 BW), raakt de strategie, noch identiteit of karakter van de vennootschap (§ 7.5.5) en leidt ook niet tot gevaar van benadeling van minderheidsaandeelhouders.
iii. Rechtsvergelijking
Geen van de regelingen uit de onderzochte landen, die uitgaan van een materieel controlecriterium (vgl. eerder § 7.3.3.3 sub VI), noemt wijzigingen in de kapitaalstructuur als zodanig.
V. Overige belangrijke besluiten
Van sommige door mij als belangrijk aangeduide besluiten (§ 7.5.5.3) staat vast dat zij niet tot controleverwerving kunnen leiden. Voor wat betreft besluiten die mogelijk implicaties hebben voor de strategie van de aan de vennootschap verbonden onderneming is enkel van belang het besluit tot schorsing en opheffing van de schorsing van een bestuurder door de RvC (resp. art. 2:134 lid 1 BW en art. 2:147 BW lid 2 BW; zie eerder § 7.5.6.3 sub I.i).