Einde inhoudsopgave
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/I.1.1
I.1.1 Omzetbelasting en ondernemingsfinanciering
W.J. Blokland, datum 01-06-2016
- Datum
01-06-2016
- Auteur
W.J. Blokland
- JCDI
JCDI:ADS495299:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
S.A. Ross, R.W.Westerfield & J. Jaffe, Corporate Finance (International Edition), New York (USA): McGraw-Hill 2005, p. 4.
Zie nader over concerns Van Norden 2007, p. 1-14, alsmede hoofdstuk 3 en de door hem aangehaalde literatuur; S.M. Bartman & A.F.M. Dorresteijn, Van het concern, Deventer: Kluwer 2013 (online, laatst bijgewerkt op 1 juli 2013), hoofdstuk I.
Een voorbeeld van een garantstelling is een verklaring in de zin van artikel 2:403 BW. In een ‘403-verklaring’ verklaart een moedervennootschap die de financiële gegevens van een dochtervennootschap heeft opgenomen in een geconsolideerde jaarrekening, dat zij hoofdelijk aansprakelijk is voor de schulden die voortvloeien uit rechtshandelingen van die dochtervennootschap.
Deze dissertatie handelt over de omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering, ook wel corporate finance genoemd. Corporate finance is een verzamelbegrip. Het verwijst naar de financiële kant van het drijven van een onderneming en gaat, onder andere, over investeringsbeslissingen en de financiering daarvan. Moet een onderneming voor de financiering van nieuwe investeringsgoederen aandelen uitgeven, een lening aantrekken of is, bijvoorbeeld, (financiële) leasing een betere beslissing? En hoe komt een onderneming aan werkkapitaal voor het financieren van voorraden en het betalen van salarissen en andere lopende uitgaven? In de economische wetenschap wordt (corporate) finance wel gezien als de studie van de volgende drie vragen.1
In welke duurzame activa moet een onderneming investeren?
Hoe kunnen de daarvoor benodigde middelen worden verkregen?
Hoe moeten operationele kasstromen op de korte termijn worden beheerd?
In dit fiscaal-juridische onderzoek ligt de focus op keuzes die samenhangen met de tweede en derde vraag en dan in het bijzonder de omzetbelastingconsequenties daarvan. De nadruk ligt daarbij op de fiscale positie van ‘niet-financiële ondernemingen’. Met name de bancaire sector valt daarmee buiten het focusgebied.
Niet-financiële ondernemingen zijn in de praktijk niet alleen ontvangers van financiering, maar ook zij verstrekken het in allerlei vormen. Te denken valt handelskrediet (‘kopen op rekening’). Ook komt het voor dat niet-financiële ondernemingen geldleningen aan elkaar verstrekken of deelnemen in elkaars eigen vermogen. Bijzonder is daarbij de situatie van concerns: economische eenheden die bestaan uit verschillende (fiscaal-)juridisch zelfstandige onderdelen.2 Tussen deze zelfstandige onderdelen kan een verscheidenheid aan financiële relaties bestaan; van aandeelhouderschapsverhoudingen tot rekening- courantposities en borg- en garantstellingen.3
Het is in dit licht zinvol de omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering zowel te belichten vanuit het perspectief van ontvangers van financiering als vanuit het perspectief van verstrekkers daarvan. Een andere reden voor het hanteren van dit tweezijdige perspectief is dat (omzet)belastingheffing de kostprijs van financiering kan beïnvloeden, en daarmee indirect de kostprijs van producten van ondernemingen. Als bepaalde vormen van financiering gunstiger worden behandeld dan anderen, kan dat de keuze van financieringsinstrumenten mede bepalen en potentieel de mededinging tussen ondernemingen verstoren.