Einde inhoudsopgave
Fusies en overnames in de Europese BTW (FM nr. 146) 2016/2.3.2
2.3.2 Geen objectieve inhoud
S.B. Cornielje, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
S.B. Cornielje
- JCDI
JCDI:ADS418144:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Het veel gehoorde betoog dat scheidsrechters ‘de wedstrijd moeten aanvoelen’ of moeten ‘fluiten in de geest van de wedstrijd’, komt naar mijn idee doorgaans niet voort uit de overtuiging dat scheidsrechters de regels met enige discretie toe dienen te passen, maar uit de tegenvallende resultaten van het favoriete team van de spreker.
Zie in gelijke zin R. Dworkin, Taking Rights Seriously, Cambridge/Mass.: Harvard University Press 1977, blz. 39.
Asser/Scholten Algemeen deel I 1974, blz. 7.
Zie H.C.F. Schoordijk, ‘Enige aspecten van privaat- en fiscaalrechtelijke rechtsvinding’, WFR 1997/919. Zie ook H.W.M. van Kesteren, Fiscale rechtswil, Arnhem: Gouda Quint 1994, blz. 23. De gedachte dat een objectieve werkelijkheid zou kunnen bestaan los van het subject, moet als onhoudbaar worden verworpen.
Ch.P.A. Geppaart, Fiscale rechtsvinding in het kader van de Europese Unie, Deventer: Kluwer 1996, blz. 42. Overigens zij hierbij opgemerkt dat als ik het betoog van Geppaart op dit punt goed begrijp, dit erop neerkomt dat het Hof van Justitie in voorkomend geval beslissingen neemt die in overeenstemming zijn met het streven naar Europese integratie als algemeen doel van de Europese instituties. Dit wekt naar mijn idee ten onrechte de suggestie dat het Hof van Justitie politieke of beleidsmatige uitspraken doet. Naar mijn idee is hier geen sprake van en kan slechts worden vastgesteld dat het Hof van Justitie door toepassing van interpretatiemethoden het doel van de richtlijngever of de context van de richtlijn tot grondslag van zijn beslissing kan maken. Overigens neemt dit niet weg dat uitspraken van het Hof van Justitie zijn aan te wijzen waarin politieke overwegingen een rol lijken te spelen. Zie bijvoorbeeld: HvJ EG 3 oktober 2006, nr. C-475/03, V-N 2006/52.20 (IRAP), waarin is geoordeeld dat een lokale Italiaanse heffing niet in strijd was met het Unierecht terwijl een andersluidende beslissing de Italiaanse staat € 120 mld zou hebben gekost. Door sommige auteurs is geconcludeerd dat dit enorme financiële belang voor de Italiaanse staat een rol heeft gespeeld in de beslissing. Zie R. van der Hulle, ‘Het afstemmen van belastingwetgeving op het Unierecht: lessen voor de praktijk’, WFR 2014/796. Zie echter ook S. Cnossen, ‘IRAP – een verkapte BTW?’, WFR 2006/65.
Gelijksoortige opmerkingen zijn ook bij Wiarda te vinden, zie bijvoorbeeld G.J. Wiarda, Drie typen van rechtsvinding, Deventer: Kluwer 1999, blz. 23.
In dit licht benoemt Dworkin de uitoefening van rechterlijke discretie als één van de basiselementen van de rechtspositivistische theorie. R. Dworkin, Taking Rights Seriously, Cambridge/Mass.: Harvard University Press 1977, blz. 17.
Asser/Scholten Algemeen deel I 1974, blz. 6.
Hooguit kan daarom een gradueel onderscheid worden aangebracht in de mate van autonomie waar het gaat om de uiteindelijke begrenzing van de rechterlijke taak. Zo is Schoordijk van mening dat rechterlijke beslissingen ‘werfkracht’ moeten hebben, en de rechter daarom moet aansluiten bij het actuele juridische cultuurbeeld, ongeacht of het geschreven recht of het juridische systeem reeds op dat cultuurbeeld is aangepast. Scholten daarentegen ziet een begrenzing van de rechtsprekende taak in het systeem en de politieke en beleidsmatige keuzen die hieraan ten grondslag liggen. De opvatting van Schoordijk gaat derhalve uit van meer bewegingsvrijheid voor de rechter. Beiden gaan uit van een autonome rechter, maar geven een gradueel andere invulling aan de begrenzing van de taak. Zie H.C.F. Schoordijk, ‘Enige aspecten van privaat- en fiscaalrechtelijke rechtsvinding’, WFR 1997/919.
Zie J.H.M Nieuwenhuizen, Rechtsvinding en fiscale werkelijkheid, Deventer: Kluwer 2010, blz. 94.
Asser/Vranken Algemeen deel** 1995, blz. 68.
Het uitgangspunt dat rechterlijke vrijheid daar aanvangt waar het recht een leemte laat, komt mij als onjuist voor. In die zin sluit ik mij aan bij de kritiek van Dworkin op de ideeën van Hart. Iedere rechterlijke arbeid is interpretatie en doet het recht van vorm en kleur veranderen. In zoverre schiet de vergelijking met een scheidsrechter die Hart biedt naar mijn idee tekort. Die vergelijking gaat er immers van uit dat het recht te vergelijken is met het spelregelboek van bijvoorbeeld voetbal. In die vergelijking treedt rechterlijke vrijheid op daar waar het moeilijk te zien is of de bal net wel, of net niet over de lijn is. Dit uitgangspunt miskent het feit dat het spelregelboek in het voetbal de enige autoriteit is op basis waarvan het spel gespeeld wordt en het recht in de moderne samenleving van een andere orde is.1 De wet kan hooguit worden gezien als het spelregelboek, maar het recht omvat beginselen, principes en noties van rechtvaardigheid.2
Het is bovendien een illusie om te denken dat rechters in eenvoudige gevallen zonder interpretatie recht kunnen doen. Rechtsvinding is niet gelijk aan wetstoepassing.3 Dit wordt temeer duidelijk indien men zich realiseert dat de wettelijke regeling of het wettelijk systeem niet ongeïnterpreteerd kan worden bezien. Het systeem kan niet objectief gekend worden.4 Vanuit deze gedachte geeft het naar mijn idee dan ook weinig pas om te spreken over de mate van autonomie die een rechter zich veroorlooft als toetssteen voor de beslissing van die rechter. De rechter interpreteert het recht steeds in vrijheid. De kritische verzuchting van Geppaart die erop neerkomt dat de rechtspraak van het Hof van Justitie voor zover deze door doelmatigheidsoverwegingen tot stand komt ‘vrij autonoom’ is,5 getuigt naar mijn idee dan ook van een onjuiste denkwijze.6 Aan deze opmerking ligt immers de misvatting ten grondslag dat wanneer een rechter méér interpretatieve arbeid moet verrichten om een rechtsregel uit te leggen, hij dit in grotere vrijheid doet. Dat suggereert dat de rechter in eenvoudiger gevallen slechts de objectieve inhoud van de norm hoeft toe te passen en in ingewikkelder zaken wordt gedwongen tot discretie of autonomie.7 Die objectieve inhoud bestaat echter niet. De wet is duister en onvolledig.8 Teleologische interpretatie is naar mijn idee niet méér autonoom dan bijvoorbeeld de grammaticale interpretatie. Iedere rechtsvinding verandert het recht, omdat de norm groeit, krimpt en verschuift aan de hand van interpretaties in concrete gevallen. De rechter gebruikt interpretatie en uitlegging om tot een rechtvaardige beslechting van een geschil te komen.9 Zijn oordeel sluit aan op hetgeen er al is en voegt tegelijkertijd iets toe. Hij laat de norm anders achter dan hij hem aantrof. Op deze wijze wordt duidelijk dat de onzekerheid over het toepassingsbereik van bepalingen niet een tekortkoming van het recht blootlegt, maar een wezenlijk kenmerk van de machinerie.
De rechter draagt hierdoor in belangrijke mate bij aan de dynamiek en de groei van het recht. Bij elke beslissing die de rechter neemt, zal deze het bestaande recht moeten beschouwen, becommentariëren en zich ervan bewust zijn dat de uitspraak die hij doet bij het volgende geschil onderdeel zal zijn van dat recht. Er is niet de regel en daarnaast de rechtspraak waarin deze wordt uitgelegd. Er is een rechtsnorm die vanaf zijn ontstaan met iedere toepassing en iedere uitleg van vorm en kleur verandert. Het één is onmogelijk los te zien van het andere. Het recht is daarmee alles behalve een statisch fenomeen.10 Ook onder invloed van maatschappelijke ontwikkelingen verandert de inhoud van het recht voortdurend. Hieruit vloeit voort dat, zelfs waar de rechter zijn uitspraak laat aansluiten op het bestaande recht, en de beslissing dus ook kan worden verklaard uit het bestaande recht, de norm nooit vaststaat en zich in een andere richting kan ontwikkelen dan ooit was beoogd. Het toepassingsbereik van een rechtsnorm is daarom altijd slechts voorlopig en onvolledig.11 Dit geldt ook in de theorieën van Dworkin en Scholten, die ervan uitgaan dat alle recht is, doch gevonden moet worden. Wat nog te vinden is, staat immers niet op voorhand vast.