Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht
Einde inhoudsopgave
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/6.4.3.0:6.4.3.0 Introductie
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/6.4.3.0
6.4.3.0 Introductie
Documentgegevens:
mr. I.J. Krukkert, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. I.J. Krukkert
- JCDI
JCDI:ADS464489:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Fiscaal strafrecht
Fiscaal bestuursrecht / Boete
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
T&C Sr, artikel 50, aantekening 1.
Hoge Raad 22 mei 2001 , r.o. 3.4, ECLI:NL:HR:2001:AB1761 (NJ 2001, 698).
Hoge Raad 19 december 2006, r.o. 3.5, ECLI:NL:HR:2006:AY6710 (NJ 2007, 411, met noot Schalken).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voordat de verschillende persoonlijke omstandigheden worden behandeld, wordt allereerst stilgestaan bij een algemene bepaling in het Wetboek van Strafrecht die voorschriften geeft voor het in aanmerking nemen van de persoon van de dader betreffende omstandigheden: artikel 50 Sr. Dit artikel bepaalt dat ‘persoonlijke omstandigheden waardoor de strafbaarheid uitgesloten, verminderd of verhoogd wordt’ alleen gelden voor de dader of de medeplichtige op wie die persoonlijke omstandigheden betrekking hebben. Dit betekent bijvoorbeeld dat een medepleger van verduistering geen beroep kan doen op de ontoerekeningsvatbaarheid van een andere medepleger maar ook dat hij niet zwaarder kan worden gestraft als bij de andere medepleger sprake is van recidive.1 Het moet voor wat betreft de strafbeïnvloedende omstandigheden dus gaan om persoonlijke, wettelijke strafverminderende of strafverzwarende factoren.
Het fiscale bestuurlijke boeterecht kent geen met artikel 50 Sr vergelijkbare bepaling. Dat zou kunnen betekenen dat persoonlijke, strafbeïnvloedende omstandigheden die de pleger (de belastingplichtige) betreffen mogelijk ook doorwerken naar mededaders of medeplichtigen van fiscaal beboetbare feiten. Dat lijkt me ongewenst en in strijd met het recht. Naar mijn mening zou een passage in het BBBB analoog aan artikel 50 Sr aan te raden zijn, waarbij geen onderscheid wordt gemaakt tussen wettelijke en niet-wettelijke omstandigheden. Daarbij zou verwezen kunnen worden naar een uitspraak van de Hoge Raad in een fiscale strafzaak waarin een medeplichtige een beroep doet op de inkeer van de belastingplichtige. De Hoge Raad ging daarbij in op de persoonlijke dimensie van inkeer met als gevolg dat de medeplichtige daarvan geen direct profijt kon hebben en oordeelde vervolgens dat ‘bijzondere omstandigheden, waarbij te denken is aan een inkeer die is bevorderd door de medeplichtige […] tot een ander oordeel [kunnen] leiden’.2 Deze lijn trok de Hoge Raad overigens op een later moment ook door naar feitelijk leidinggevers.3