Art. AN, Invoeringswet IB 2001 regelt de vrijstelling in box 3 van kapitaalverzekeringen die reeds op 14 september 1999 bestonden. Bij uitkering van de polis moet op basis van de onder de Wet IB 1964 geldende regelgeving worden bepaald of de uitkering, of een deel daarvan belast. Het recht op een vrijgestelde uitkering en de hoogte daarvan was geregeld in art. 26a Wet IB 1964. Ook voor polissen die gebruikmaken van de vrijstelling van art. AN, Invoeringswet IB 2001 is art. 26a wet IB 1964 dus nog van belang.
Na een inleiding in aant. 1.1 wordt in aant. 1.2 het ontstaan van art. 26a Wet IB 1964 behandeld. In aant. 1.3 is een literatuuroverzicht opgenomen, gevolgd door doel en strekking van de bepaling (aant. 1.4) en de context van de bepaling (aant. 1.6). De vrijstelling kapitaalsuitkering bij overlijden wordt besproken in aant. 2 en de vrijstelling van de kapitaalsuitkering bij leven in aant. 3. Het overgangsregime voor reeds op 31 december 1991 bestaande kapitaalverzekeringen (pré brede herwaardering) komt aan de orde in aant. 4.
De aantekeningen op art. 26a bevatten het commentaar op dit artikel zoals ingevoerd bij de wet van 12 december 1991, Stb. 1991, 697. Het gaat om de vrijstellingen voor het rentebestanddeel in kapitaalsuitkeringen uit levensverzekering. Tot 1991 waren vergelijkbare bepalingen opgenomen in art. 25 lid 1 onderdeel c Wet IB 1964 en art. 26 lid 1 onderdeel b, en lid 2. Voor het commentaar op de oude teksten wordt verwezen naar het commentaar op art. 76 Wet IB 1964, wat ook is opgenomen in dit blok aanverwante wetgeving.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vakstudie Inkomstenbelasting, art. 26a Wet IB 1964, aant. 1.1
Aant. 1.1 Inleiding
Actueel t/m 14-04-2026
14-04-2026, het commentaar is bijgewerkt t/m BNB 2026/51 en V-N 2026/15.28
11-01-1992 tot: 01-01-2001
Vakstudie Inkomstenbelasting, art. 26a Wet IB 1964, aant. 1.1
Inkomstenbelasting (V)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Wet op de inkomstenbelasting 1964 artikel 26a
Beschouwing
Art. AN, Invoeringswet IB 2001 regelt de vrijstelling in box 3 van kapitaalverzekeringen die reeds op 14 september 1999 bestonden. Bij uitkering van de polis moet op basis van de onder de Wet IB 1964 geldende regelgeving worden bepaald of de uitkering, of een deel daarvan belast. Het recht op een vrijgestelde uitkering en de hoogte daarvan was geregeld in art. 26a Wet IB 1964. Ook voor polissen die gebruikmaken van de vrijstelling van art. AN, Invoeringswet IB 2001 is art. 26a wet IB 1964 dus nog van belang.
Na een inleiding in aant. 1.1 wordt in aant. 1.2 het ontstaan van art. 26a Wet IB 1964 behandeld. In aant. 1.3 is een literatuuroverzicht opgenomen, gevolgd door doel en strekking van de bepaling (aant. 1.4) en de context van de bepaling (aant. 1.6). De vrijstelling kapitaalsuitkering bij overlijden wordt besproken in aant. 2 en de vrijstelling van de kapitaalsuitkering bij leven in aant. 3. Het overgangsregime voor reeds op 31 december 1991 bestaande kapitaalverzekeringen (pré brede herwaardering) komt aan de orde in aant. 4.
De aantekeningen op art. 26a bevatten het commentaar op dit artikel zoals ingevoerd bij de wet van 12 december 1991, Stb. 1991, 697. Het gaat om de vrijstellingen voor het rentebestanddeel in kapitaalsuitkeringen uit levensverzekering. Tot 1991 waren vergelijkbare bepalingen opgenomen in art. 25 lid 1 onderdeel c Wet IB 1964 en art. 26 lid 1 onderdeel b, en lid 2. Voor het commentaar op de oude teksten wordt verwezen naar het commentaar op art. 76 Wet IB 1964, wat ook is opgenomen in dit blok aanverwante wetgeving.