Hierbij teken ik aan dat in artikel 4 lid 2 tweede volzin van het Verdrag 'de vaste vertegenwoordigingen' als vaste inrichtingen moeten worden beschouwd. Een nadere omschrijving van het begrip ontbreekt, zij het dat in het slotprotocol ad artikel 4 onder 1 en 2, enkele categorieën van vertegenwoordigers buiten het begrip zijn geplaatst.
HR, 27-04-1988, nr. 24 252
ECLI:NL:HR:1988:ZC3811
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
27-04-1988
- Zaaknummer
24 252
- LJN
ZC3811
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1988:ZC3811, Uitspraak, Hoge Raad, 27‑04‑1988; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1987:7
ECLI:NL:PHR:1987:7, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 29‑10‑1987
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1988:ZC3811
- Wetingang
- Vindplaatsen
FED 1989/23 met annotatie van L.F. van Kalmthout
FutD 1988-0580
Uitspraak 27‑04‑1988
Inhoudsindicatie
Dubbele belasting Zwitserse vennootschap met Nederlandse aandeelhouder. Activiteiten in meerdere landen. Vaste vertegenwoordiger hier te lande.
Hoge Raad der Nederlanden
derde kamer
27 april 1988
nr. 24.252
EN
ARREST
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatsecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 11 december 1985 betreffende de aan de vennootschap naar Zwitsers recht
[X] A.G., statutair gevestigd te [Z] (Zwitserland), opgelegde navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting over het jaar 1974.
1. Aanslag.
Aan belanghebbende is over het jaar 1974 een navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van f 38.780, -- , zonder verhoging.
2. Geding voor het Hof.
Belanghebbende heeft tegen deze aanslag beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft als tussen partijen vaststaande aangemerkt:
"Belanghebbende is een op 5 september 1963 te [Z] naar Zwitsers recht opgerichte Aktiengesellschaft met een geplaatst en volgestort kapitaal van Zwfrs. 300.000, --. De aandelen stonden op naam van [A] en zijn vader, ieder voor Zwfrs. 150.000, --. In het belastingjaar waren de aandelen als volgt verdeeld:
[A] Zwfrs. 90.000, -- in volle eigendom
Zwfrs. 150.000, -- in blote eigendom
Mevr. [B] (moeder van [A] )
Zwfrs. 150.000, -- in vruchtgebruik
de vier kinderen van [A] (na een schenking in 1968) 4 x Zwfrs. 15.000, -- ofwel Zwfrs. 60.000, -- in volle eigen dom.
Belanghebbende is juridisch gevestigd aan het adres [a-straat 1] te [Z] alwaar tevens is gevestigd de [C] A.G. ( [C] ). In het belastingjaar waren het telefoonnummer an het telexnummer van belanghebbende identiek aan die van [C] .
Het bestuur van belanghebbende en haar 100% dochteronderneming [D] A.G. (Apag) werd in het belastingjaar gevormd door:
[E] , voorzitter van de Verwaltungsrat, wonende te [Z] , [F] , lid van de Verwaltungsrat, wonende te [Q] (Zwitserland),
[G] , lid van de Verwaltungsrat, wonende in Zwitserland, Dr. [H] , Prokurist, wonende te [Z] .
Genoemde personen waren in het belastingjaar tevens in dienstbetrekking bij [C] .
De feitelijke activiteiten van belanghebbende strekken zich uit over geheel Europa. Zij bestaan in hoofdzaak uit het verwerven en verhuren van spoorwagons.
De wagons worden in opdracht van belanghebbende in Siegen, Bondsrepubliek Duitsland (BRD), gebouwd en door de wagonbouwers in de BRD gefinancierd.
De door belanghebbende verworven spoorwagons worden in hoofdzaak op lange termijncontracten verhuurd aan in de BRD gevestigde exploitanten van spoorwagons, te weten: Eisenbahn Verkehrsmittel Aktiengesellschaft (E.V.A.) en Vereinigten Tanklager und Transportmittel GmbH (V.T.G.). Deze exploitanten verhuren de wagons aan de uiteindelijke gebruikers. Zij verzorgen het onderhoud en de verzekering en zij regelen zelf de verhuurprijzen. Als beloning ontvangen zij een "Gastions- gebühren" van 10% van de huurprijs. Belanghebbende houdt toezicht op de afdracht van de netto revenuen.
Genoemde [E] was in het belastingjaar verantwoordelijk voor de coördinatie en de delegatie van belanghebbendes activiteiten. De feitelijke investeringsbeslissingen met betrekking tot de in Siegen gebouwde spoorwagons waren door [E] gedelegeerd aan de in Zwitserland woonachtige Dr. [I] . Als technisch adviseur van belanghebbende trad op de in [R] (Italië) woonachtige Ir. [J] . Commercieel en juridisch adviseur met betrekking tot het Duitse handelsverkeer was de in [S] (BRD) wonende Dr. [K] , deskundige op het gebied van de exploitatie van Privatwaggons. Hij legde en onderhield in opdracht en in samenwerking met de directie van belanghebbende de contacten tussen belanghebbende en de huurders op lange termijn, zoals E.V.A. en V.T.G. en de financiers. [J] en [K] zijn niet in loondienst van belanghebbende en vervullen als externe adviseurs geen leidinggevende taken.
Op 16 juli 1970 is met behulp van belanghebbende en haar technische adviseurs als meerderheidsdeelneming van belanghebbende opgericht [L] N.V. (later gewijzigd in B.V. ). Op 24 januari 1975 heeft belanghebbende haar aandelen in [L] B.V. (de B.V.) verkocht aan [A] , waardoor deze enig aandeelhouder van de B.V. werd.
Doelstelling van de B.V. was het verhuren van spoorwagons aan de uiteindelijke gebruikers. Daartoe kocht de B.V. in de jaren 1970 en 1971 onderscheidenlijk 34 en 35 wagons van belanghebbende. In 1972 kocht de B.V. 140 wagons van de in de BRD gevestigde Waggon Union GmbH, een relatie van belanghebbende. Voor de uit die koop voortspruitende betalingsverplichtingen stelde belanghebbende zich voor de B.V. garant tegenover Waggon Union. De termijnbetalingen aan Waggon Union werden in verband met deze garantie door belanghebbende verricht waardoor haar feitelijke doelstelling werd uitgebreid met het financieren van wagons.
In het belastingjaar had belanghebbende 471 wagons in eigen bezit. Hiervan verhuurde zij 70 stuks aan E.V.A., 201 stuks aan V.T.G., 150 stuks aan de B.V. en de rest - 50 stuks - per 10 of 20 stuks aan enkele directe gebruikers.
De B.V. had 331 wagons in eigen bezit. Zij verhuurde de hierboven genoemde in 1972 gekochte 140 wagons aan V.T.G. en E.V.A. De overige 191 wagons verhuurde zij aan diverse gebruikers. De 150 van belanghebbende gehuurde wagons verhuurde zij voor rekening van belanghebbende tegen een commissie van 10% door aan klein-gebruikers in de BRD.
De facturering en de wagonkentekensadministratie werd zowel voor belanghebbende als voor de B.V. verricht door de in België gevestigde N.V. [M] ( [M] ), waarvan [A] directeur en enig aandeelhouder was. De kosten van de door [M] ten behoeve van de B.V. verrichte werkzaamheden werden verrekend met de kosten van de door de B.V. ten behoeve van [M] verrichte bestuursactiviteiten.
De verlies- en winstrekening van belanghebbende vermeldt over de jaren 1974 en 1975 een winst van respectievelijk Zwfrs. 39.281,27 en 2.139.700,83. In het resultaat over 1975 is begrepen "Erträge Mineralölhandel" ad Zwfrs. 2.509,92, -- , een transactie tussen het concern [N] en [O] . Voorts zijn in beide jaren als bate belangrijke bedragen aan "Kursdifferenzen" verantwoord. Na aftrek van genoemde posten is het resultaat van belanghebbende over 1974 en 1975 negatief.
In februari 1975 heeft belanghebbende in verband met een schuld van $ 1.000.000, -- op door haar gekochte spoorwagons bij de Nederlandse Credietbank tegen guldens dollars op termijn gekocht tegen een koers van f 2,3765. Voor deze transactie betaalde belanghebbende aan de B.V. een commissie van 10% ofwel f 237.650, --.
Vele aan belanghebbende geadresseerde facturen zijn toegezonden aan de B.V. of aan [M] .
Op 31 oktober 1972 verwierf belanghebbende het erfpachtsrecht op het pand [b-straat 1] te [T] tegen een prijs van f 400.000, --. Voor belanghebbende compareerde voor de notaris de in dienst van de B.V. zijnde accountant [P] . Dit pand werd met ingang van 1 januari 1973 verhuurd aan de ex-echtgenote van [A] tegen een huurprijs van f 35.000, -- op jaarbasis. Het huurcontract is gedagtekend 25 september 1979.
Op 11 juni 1976 hebben belanghebbende en [A] aan B.V. Financieringsmij. De Eerste Utrechtse en de Nederlandse Credietbank een crediethypotheek op voormeld erfpachtsrecht gegeven tot een bedrag van f 400.000, -- in hoofdsom.
Een brief van de Nederlandse Credietbank N.V. dd. 13 oktober 1982 gericht aan belanghebbende luidt voor zover van belang als volgt:
""Auf Ihre Bitte teilen wir Ihnen mit, dass wir Ihnen im November 1972 für den Kauf des Hauses [b-straat 1] , [T] , einen Kontokorrentkredit in Höhe von Hfl. 400.000, -- eingeräumt haben.
Als Sicherheit erbaten wir unter anderen eine positive/ negative Erklärung bezüglich Eintragung von Hypotheken auf das vorgenannte Haus.""
Een brief van de Steuerverwaltung des Kanton Basel-Stadt van 23 december 1981 aan belanghebbende luidt als volgt:
""Wir bestätigen hiermit, dass die [X] AG in Basel für alle eidgenössischen und kantonalen Steuern ohne irgendwelche Privilegierung veranlagt wird.""."
Het Hof heeft het geschil als volgt omschreven:
"In geschil is primair of belanghebbende als binnenlands belastingplichtige moet worden aangemerkt wier winst niet mede behaald is met behulp van een buiten Nederland gevestigde vaste inrichting dan wel als buitenlands belastingplichtige die beschikte over een in Nederland gelegen vaste inrichting, gelijk de inspecteur stelt en belanghebbende betwist, en subsidiair of belanghebbende als buitenlands belastingplichtige op de voet van het bepaalde in de artikelen 3 en 17 van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 en 49 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 juncto artikel 48, lid 4, Wet IB 1964 en artikel 4, lid 1 van het Verdrag ter voorkoming van dubbele belasting, gesloten tussen Nederland en Zwitserland, (het Verdrag) uit het pand [b-straat 1] te [T] een binnenlands inkomen heeft genoten van f 60.000, --. "
Het Hof heeft de standpunten van partijen als volgt weergegeven:
"De inspecteur heeft - zakelijk - aangevoerd:
Ik meen dat belanghebbende, beoordeeld naar de omstandigheden, in Nederland gevestigd is. Belanghebbende wordt geleid en bestuurd vanuit Nederland. Belanghebbendes statutaire zetel is [Z] . Aangenomen mag worden dat de Zwitserse autoriteiten belanghebbende beschouwen als een inwoner van Zwitserland.
Alsdan is er een woonplaats in beide Staten. Voor de toepassing van het Verdrag wordt belanghebbende beschouwd in Zwitserland gevestigd te zijn.
Onder de werking van het Verdrag kan Nederland slechts heffen als belanghebbendes activiteiten hier te lande worden uitgeoefend met behulp van een vaste inrichting in de zin van het Verdrag.
Naar mijn mening is van een zodanige vaste inrichting sprake nu alhier kennelijk sprake was van "een plaats van leiding", van waaruit alle activiteiten van belanghebbende worden geleid, belanghebbende alhier beschikte over onroerende goederen en belanghebbende de bedrijfsinrichting van haar zustervennootschap [L] B.V. daadwerkelijk benutte. Gezien het bepaalde in artikel 14, lid 3, juncto het Slotprotocol ad artikel 4, lid 6 van het Verdrag dient te worden onderzocht of belanghebbende beschikte over vaste inrichtingen in beide Staten. Met het oog op de Zwitserse Burokosten en de door de [C] in rekening gebrachte kosten acht ik onwaarschijnlijk, maar niet volstrekt onmogelijk dat belanghebbende zou kunnen aantonen in Zwitserland over een vaste inrichting te beschikken. Ik acht het echter wel uitgesloten dat belanghebbende zou kunnen aantonen dat aldaar een wezenlijk gedeelte van de leiding is geconcentreerd.
Overigens meen ik dat de eventuele Zwitserse vaste inrichting slechts als kostencentrum zal hebben kunnen fungeren. Een kostencentrum waaraan geen zelfstandige winstcapaciteit valt toe te rekenen. Verondersteld mag worden dat reeds de [C] A.G. haar kosten met winstopslag aan belanghebbende doorberekende.
Ook ingeval het Hof met mij van mening verschilt over belanghebbendes vestigingsplaats meen ik dat de aanslag gehandhaafd moet worden. In dat geval is er sprake van een vaste inrichting in Nederland, zowel op grond van artikel 48, lid 4, Wet I.B. als in de zin van artikel 4, lid 1 van het Verdrag.
Ter adstructie van een en ander wijs ik op het volgende:
Op het adres [a-straat 1] te [Z] stonden per ultimo 1976 naast belanghebbende en de [C] 123 andere ondernemingen ingeschreven.
Belanghebbendes directeur, [E] , vervulde in het belastingjaar bestuursfuncties bij ten minste 36 andere ondernemingen. Noch hij noch Dr. [I] , aan wie door de Raad van Bestuur een algemene volmacht was verleend om de door [E] aan hem gedelegeerde werkzaamheden uit te voeren, waren deskundig op het gebied van spoorwagons. Die deskundigheid bezat [A] wel en deze leidde tot een eredoctoraat van een Engelse universiteit en een orde van de Joegoslavische regering.
De overige bestuurders van belanghebbende vervulden in het belastingjaar eveneens een aantal andere bestuursfuncties. Van het Zwitsers bestuur kon op het gebied van het nemen van beleidsbeslissingen weinig worden verwacht. Het is aan belanghebbende om aan te tonen dat [E] 's bemoeiíngen met betrekking tot belanghebbende anders waren dan de stereotiepe door een " Treuhand Buro" verrichte handelingen.
Zowel belanghebbende als de B.V. houden zich in hoofdzaak bezig met het verhuren van spoorwagons. De bedrijfsactiviteiten van beide vennootschappen zijn in aanzienlijke mate verstrengeld.
Belanghebbende verhuurt op grotere schaal dan de B.V. doch zij beschikt over minder arbeidskrachten. De in de jaarrekening op dit gebied tot uitdrukking gebrachte kosten blijven in vergelijking tot de desbetreffende kosten van de B.V. in belangrijke mate achter. Cijfermatige vergelijking van de kosten leert het volgende:
[X] A.G .: | |||
1974 | 1975 | 1976 | |
huuropbrengst | Zwfrs. 6.900.000 | 8.400.000 | 7.100.000 |
Treuhandkosten | 92.000 | 94.000 | 69.000 |
Beratungskosten | 76.000 | 83.000 | 75.000 |
Burokosten | 16.000 | 16.000 | 15.000 |
kosten N.V. [M] | - | 44.000 | 50.000 |
184.000 | 237.000 | 209.000 | |
in % van huuropbrengst | 2,65 | 2,8 | 2,95 |
[L] B.V .: | |||
huuropbrengst | f 3.900.000 | 4.400.000 | 4.800.000 |
personeelskosten | 221.000 | 239.000 | 345.000 |
Algemene kosten (excl. reis-, verblijf-, auto- kosten) | 133.000 | 111.000 | 128.000 |
354.000 | 350.000 | 473.000 | |
af: aan N.V. [M] doorberekende kosten (excl. reiskosten, in 1974, gesteld op 10%) | 76.500 | 77.000 | 67.500 |
278.500 | 273.000 | 405.5000 | |
in % van huuropbrengst | 7,15 | 6,2 | 8,45 |
Door deze kostenvergelijking is aannemelijk dat hier te lande werkzaamheden worden verricht die, zo belanghebbende geheel onafhankelijk van haar aandeelhouders zou werken, doorgaans door belanghebbende zelf zouden zijn verricht. De kostenvergelijking bevestigt dat door de B.V. risico's worden gelopen.
Voorts moet in aanmerking worden genomen dat de via [M] aan belanghebbende in rekening gebrachte kosten naar alle waarschijnlijkheid het gevolg zijn van in Nederland verrichte werkzaamheden. De opmerking van balanghebbendes gemachtigde omtrent het betalen van "Gestionsgebühren" ter zake van behandelingskosten welke door belanghebbende zijn verantwoord onder de Wagonkosten die bij de groothuurders zijn ontstaan en aan belanghebbende in rekening worden gesteld kan ik moeilijk volgen. Het komt mij voor dat hier geen sprake is van een normale gebruikelijke handelwijze. De personeels- en andere kosten van de B.V. zijn disproportioneel ten opzichte van de tot uitdrukking gebrachte vergelijkbare kosten van belanghebbende.
Het personeel van [M] , van welke vennootschap [A] directeur en enig aandeelhouder is, bestaat uit 1 of 2 personen. Het werk van de centrale facturering en wagonadministratie van belanghebbende wordt nagenoeg geheel door de B.V. verricht. Aan [M] worden jaarlijks de kosten van de B.V. doorberekend. Deze bedroegen:
1974 | f 85.000,-- |
1975 | f 128.000,-- |
1976 | f 125.000,-- |
De door [M] aan belanghebbende doorberekende kosten bedroegen:
1974 | niet bekend |
1975 | Zwfrs. 44.000,-- |
1976 | Zwfrs. 50.000,-- |
De door [M] aan de B.V. in de periode van 1974 tot en met 1976 doorberekende kosten waren nihil. Zij werden gecompenseerd met door de B.V. ten behoeve van [M] verrichte bestuursactiviteiten. Alles wijst erop dat via [M] invloed kon worden uitgeoefend op belanghebbende.
De effectieve Zwitserse belastingdruk over de winst is laag (circa 5%). Ook al zou belanghebbende, in tegenstelling tot hetgeen de Heer Willemsen van het accountantskantoor Willemsen en Van Eck B.V. daaromtrent verklaard heeft, geen Domizil Gesellschaft zijn kan belanghebbende belastingfaciliteiten genieten aangezien de spoorwagons buiten Zwitserland worden verhuurd.
Ik ben niet onder de indruk van de inhoud van de brief van de Steuerverwaltung van het kanton [Z] van 23 december 1981.
[A] heeft verklaard dat het contact met belanghebbende in hoofdzaak telefonisch verliep, dat correspondentie tussen de beide vennootschappen nauwelijks plaatsvond, dat van telexverkeer ook nauwelijks sprake was en dat van belanghebbende ontvangen telexberichten niet werden bewaard. Ik vind dit hoogst merkwaardig. De activiteiten van belanghebbende en de B.V. zijn zodanig verstrengeld dat redelijkerwijs gesproken correspondentie, contracten en gespreksaantekeningen voorhanden zouden moeten zijn. Nu dit niet het geval is stel ik dat bescheiden die kunnen duiden op de invloed die [A] had op het beleid van belanghebbende zijn weggewerkt. Op 31 oktober 1972 heeft belanghebbende de zakelijke rechten verworven met betrekking tot het pand [b-straat 1] te [T] . Eerst op 11 juni 1976 is op het pand een hypotheek gevestigd. De door belanghebbende overgelegde brief van de Nederlandse Credietbank van 13 oktober 1982 was mij niet bekend. Uit die brief blijkt niet dat het verstrekte crediet in het belastingjaar in werkelijkheid was opgenomen of dat het heeft gestrekt tot financiering van het pand. Het betreft een kapitaal pand in [T] . De huurwaarde daarvan stel ik op f 60.000, -- per jaar.
Het overgelegde taxatierapport van 12 april 1984, waarin de makelaar [AA] stelt dat in de jaren 1974/1975 de huurwaarde circa f 3.000, -- per maand bedroeg, is voor mij nieuw.
Ik wil in de gelegenheid worden gesteld een tegen-taxatie te laten verrichten.
Namens belanghebbende is door haar gemachtigde - zakelijk - het volgende aangevoerd:
Belanghebbende is opgericht naar Zwitsers recht. Haar statutaire zetel is gevestigd in [Z] . Derhalve is ingevolge het bepaalde in artikel 2, lid 4 van het Verdrag belanghebbendes woonplaats in Zwitserland gelegen. De boekhouding wordt gevoerd op het adres van belanghebbendes statutaire zetel. De administratie in ruime zin wordt gevoerd in Zwitserland en in België. De jaarstukken worden opgesteld in Zwitserland en aldaar gecontroleerd door Zwitserse accountants. De Algemene Vergadering van Aandeelhouders worden gehouden in Zwitserland.
Belanghebbende is volledig onderworpen aan de Zwitserse belasting naar het inkomen. Het maximale tarief bedraagt 40%. Die belasting wordt geheven omdat belanghebbende een rechtspersoon is die in hoofdzaak haar activiteiten in Zwitserland uitoefent en er op grond van de nationale Zwitserse wetgeving of op grond van Verdragen niet gesproken kan worden over een vaste inrichting buiten Zwitserland.
Hoewel belanghebbende niet de status heeft van Sitz- of Hilfgesellschaft heeft zij niettemin in het verleden gemeend in haar belastingaangifte toepassing van het Sitz-privilege te kunnen claimen omdat haar feitelijke activiteiten - het verhuren van haar wagons - in de B.R.D. plaatsvonden. De locale fiscus heeft dit aanvankelijk geaccepteerd maar na een fiscale controle door de Baseler fiscus is aan het licht gekomen dat het bestuur van belanghebbende in Zwitserland is gevestigd en dat de feitelijke buitenlandse activiteiten niet worden uitgeoefend via een vaste inrichting in het buitenland. De winsten over de nog navorderbare jaren zijn toen belast naar het gewone tarief. Ik verwijs naar de brief van de Steuerverwaltung van het kanton [Z] van 23 december 1981. Een afschrift van deze brief is op 11 januari 1982 bij het indienen van het bezwaarschrift tegen de aanslag vennootschapsbelasting over het jaar 1977 aan de inspecteur gezonden.
Toen in juni 1970 de B.V. met behulp van belanghebbende en haar adviseurs werd opgericht bezat [A] geen deskundigheid op het gebied van spoorwagons. Het door de inspecteur vermelde eredoctoraat is hem niet verleend op grond van zijn deskundigheid op het gebied van spoorwagons maar wegens de door hem ontwikkelde techniek op het terrein van LPG-gebruik van dieselauto's. De deskundigheid op het gebied van spoorwagons heeft [A] eerst verworven nadat hij zich in 1972 via de B.V. met spoorwagons is gaan bezighouden. In 1970 had belanghebbende al 8 jaar exploitatie achter de rug. Onbegrijpelijk is dan ook de opmerking van de inspecteur dat van het Zwitsers bestuur op het gebied van het nemen van beleidsbeslissingen in het belastingjaar weinig kon of mocht worden verwacht.
Van het begin af berustte de leiding van belanghebbende bij haar bestuurders in [Z] . Het feit dat [E] en de andere directieleden andere bestuursfuncties vervulden doet hieraan niet af.
[E] was met het hem ter beschikking staande personeel van het [C] Buro verantwoordelijk voor de coördinatie en delegatie van de werkzaamheden. Dr. [I] voerde met een algemene volmacht van de Raad van Bestuur de door [E] aan hem gedelegeerde werkzaamheden uit. Ir. [J] trad op als technisch adviseur. Voorts had belanghebbende zich in de persoon van Dr. [K] verzekerd van de medewerking van een van de grootste deskundigen op het gebied van wagonverhuur in Europa.
Overeenkomstig de opzet heeft belanghebbende de exploitatie van haar spoorwagons in belangrijke mate doen verrichten door enkele spoorwagonverhuurmaatschappijen, die de wagons aan de uiteindelijke gebruikers verhuurden. Deze verhuurmaatschappijen verzorgen het onderhoud, de verzekering en de verhuur. Ten aanzien van de exploitatie van het wagenpark resteerde voor belanghebbende slechts het toezicht op de prompte afdracht van de revenuen. Door dit concept was het voor belanghebbende mogelijk met een minimum aan mankracht haar bedrijf te runnen en bestond er geen behoefte aan gekwalificeerde deskundigen in permanente dienst. Belanghebbende nam met een geheel ander kostenpatroon deel aan het maatschappelijk verkeer dan de B.V. De beloning van de groothuurders bestond uit een "Gestionsgebühren" van 10% van de huurprijs, welke beloning bij groothuurders als V.T.G. en E.V.A. gebruikelijk is. Door de kosten van deze werkzaamheden, die bij de B.V. door eigen personeel worden verricht, buiten de kostenvergelijking te houden, zoals de inspecteur heeft gedaan, is een vertekend beeld opgeroepen.
De B.V. huurde als groothuurder partijen spoorwagons van belanghebbende. Zij hield zich daarbij uitsluitend bezig met die werkzaamheden die van een goed huurder van partijen spoorwagons voor het doorverhuren worden vereist. De betaalde huurprijzen en de verrekende wagonkosten zijn op zakelijke wijze in rekening-courant verrekend. Van de oprichting van de B.V. af zijn deze rekening-courantoverzichten zonder versluiering in de bij de aangiften gevoegde jaarrekeningen opgenomen.
De inspecteur presenteert deze rekening-courantoverzichten thans als een beeld van verstrengeling waarin een aanwijzing zou kunnen worden gevonden voor de leidinggevende invloed op- en een vestigingsplaats van belanghebbende in Nederland. Deze suggestie steunt slechts op het woord "verstrengeling" waaronder naast eigen activiteiten van de B.V. activiteiten van belanghebbende zouden zijn begrepen.
De B.V. handelde echter onafhankelijk op eigen naam en in eigen hoedanigheid van haar eigen wagons en als huurster van wagons van belanghebbende.
Dat er derhalve geen bescheiden zijn, waaruit zou moeten blijken dat de B.V. als vaste inrichting voor belanghebbende fungeerde, is logisch. De veronderstelling van de inspecteur dat er bescheiden zouden zijn weggewerkt is voor zijn rekening. Van belanghebbende kan niet worden verlangd dat zij een niet bestaand feit, in casu de veronderstelde bescheiden, weerlegt.
Bij vrijwel alle internationale bedrijven komt het voor dat bedrijven verkeerd worden geadresseerd of besteld. Dat in het onderhavige geval een aantal malen aan belanghebbende geadresseerde stukken per abuis aan de B.V. of aan [M] zijn gezonden is begrijpelijk.
In verband met de verhuurpolitiek tegenover de gezamenlijke huurders, de aansprakelijkheid van belanghebbende tegenover wagonleveranciers met betrekking tot de aan de B.V. verhuurde wagons en het kosteninzicht in de wederzijdse verhuurde wagons was een gecombineerde wagonadministratie zowel in het belang van belanghebbende als in dat van de B.V.
De directie van beide vennootschappen hebben in onderling overleg de beleidsbeslissing genomen om deze werkzaamheden door [M] te doen verrichten onder controle van [P] voor de B.V. en de Zwitserse accountants voor belanghebbende. Deze werkzaamheden werden door eigen personeel van [M] uitgevoerd en betroffen uitsluitend begrensde administratieve taken. Onjuist is dus de stelling van de inspecteur dat bedoelde werkzaamheden nagenoeg geheel door personeel van de B.V. zijn verricht.
De door [P] verrichte diensten en gemaakte reiskosten werden door de B.V. aan [M] in rekening gebracht. De door [M] verrichte werkzaamheden ten behoeve van de B.V. werden gecompenseerd met de directiebeloning. De door [M] ten behoeve van belanghebbende verrichte administratieve werkzaamheden, hoofdzakelijk bestaande uit de technische wagonadministratie, werden jaarlijks door [M] aan belanghebbende berekend.
[M] had, gelet op haar beperkte taken, geen invloed op het beleid van belanghebbende. Uit het feit dat [A] directeur en aandeelhouder van [M] is, is niet de conclusie te trekken dat [A] via [M] invloed op het beleid van belanghebbende uitoefende, gelijk de inspecteur doet.
De koop van het erfpachtsrecht op het pand [b-straat 1] is gefinancierd met een crediet in rekening-courant bij de Nederlandse Credietbank. Dit crediet waarvoor als zekerheid een positieve/negatieve hypotheekverklaring is afgegeven is in 1976 vervangen door een geldlening onder hypothecair verband. Het pand is in 1972 gekocht om het aan de ex-echtgenote van [A] , die toen tot omstreeks 1975 zelf aan het adres [c-straat 1] te [T] woonde, te verhuren. Omdat [A] zelf niet over voldoende middelen beschikte om het pand te financieren heeft hij als aandeelhouder van belanghebbende aan de directie van belanghebbende verzocht het pand te kopen, aan welk verzoek is voldaan.
De exploitatie van het pand gaf over het belastingjaar het volgende resultaat te zien:
huur | f 35.000,-- | |
erfpacht | f 1.434,-- | |
grondbelasting | f 114,-- | |
verzekering | f 512,-- | |
rente (8% van f 400.000,--) | f 32.000,-- | |
afschrijving 2% | f 8.000,-- | |
f 42.060,-- | ||
negatief resultaat | f 7.060,-- |
Gelet op de aankoopprijs van f 400.000, -- kan de inspecteur de door hem genoemde huurwaarde van f 60.000, -- niet als een serieuze taxatie voor een voor die tijd aanvaardbaar rendement aanmerken.
Uit de overgelegde brief van de makelaar [AA] blijkt dat de huurwaarde in het belastingjaar ongeveer f 3.000, -- per maand bedroeg.
Het verzoek van de inspecteur om een tegentaxatie te doen uitbrengen is tardief en in strijd met de goede procesorde. Reeds bij conclusie van repliek is een overzicht gegeven van de opbrengst van het pand in het belastingjaar. Het had op de weg van de inspecteur gelegen om bij conclusie van dupliek het bewijs te leveren dat de verantwoorde winst niet juist was.
Resumerende stel ik dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende een woonplaats in Nederland heeft en van Nederland wordt geleid noch dat belanghebbende in Nederland beschikt over een vaste inrichting. Het feit dat [A] meerderheidsaandeelhouder is in de onderneming van belanghebbende, gevoegd bij zijn aandelenbezit en directeurschap van de B.V. en [M] is voor de inspecteur blijkbaar voldoende om te veronderstellen dat hij daadwerkelijk invloed zou hebben uitgeoefend op het beleid van belanghebbende."
Het Hof heeft omtrent het geschil overwogen:
"1. Het bepaalde in artikel 2, lid 4, van het Verdrag en artikel 4, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen brengt mede dat eerst moet worden bezien of belanghebbende naar de omstandigheden beoordeeld in Nederland is gevestigd en vervolgens of belanghebbende naar Zwitsers recht in Zwitserland is gevestigd. Indien belanghebbende aldus bezien woonplaats in beide staten blijkt te hebben wordt belanghebbende geacht haar woonplaats te hebben alwaar zij statutair is gevestigd.
Ten slotte moet worden bezien of belanghebbende als buitenlands belastingplichtige aan de Nederlandse vennootschapsbelasting is onderworpen ter zake van winst behaald met een Nederlandse vaste inrichting in de zin van artikel 4, lid 2, Verdrag en/of ter zake van inkomen uit onroerend goed.
2.1. Vast staat dat belanghebbende een naar Zwitsers recht opgerichte Aktiengesellschaft is die aldaar statutair is gevestigd en aldaar - zij het door middel van een " Treuhand " - kantoor houdt. Eveneens staat vast dat de feitelijke werkzaamheden met betrekking tot de verhuur van de wagons in hoofdzaak worden uitgevoerd in de B.R.D. en België en bijkomstig in andere Europese landen.
2.2. Onder deze omstandigheden brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat de inspecteur aannemelijk maakt dat de leiding van belanghebbende geheel of nagenoeg geheel vanuit Nederland plaatsvond.
2.3. De stelling van belanghebbende dat zij met haar activiteiten eerder is begonnen dan de B.V., dat zij in hoofdzaak geleid werd en wordt vanuit Zwitserland en dat haar activiteiten vrijwel uitsluitend betreffen de aanschaf en verhuur van spoorwagons op lange termijncontracten, namelijk 421 van de 471 wagons, zijn door de inspecteur onvoldoende gemotiveerd weersproken. Voorts heeft belanghebbende mede door de verklaring van de getuige [A] aannemelijk gemaakt. dat zij, doordat zij de wagons in hoofdzaak in grote aantallen verhuurde aan huurders die zelf voor het onderhoud en de verzekering zorgden, ten aanzien van de exploitatie van haar wagonpark kon volstaan met een minimum aan mankracht en dat de voor het verhuren van de wagons vereiste werkzaamheden in hoofdzaak in de B.R.D. (het "Heimbahnhof" der wagons is Siegen) of België (centrale facturering en kentekenadministratie) verricht werden.
Het Hof neemt derhalve aan dat de werkelijke leiding van belanghebbende en haar onderneming voor wat betreft de contracten tot verhuur op lange termijn niet vanuit Nederland plaatsvond.
2.4. Ten aanzien van de 150 door de B.V. van belanghebbende gehuurde wagons heeft de getuige [A] - zakelijk - verklaard:
[M] administreerde 150 wagons die door [L] gehuurd waren van de A.G. Deze door [M] geadministreerde wagons werden in aantallen van 1 tot 5 wagons verhuurd voor - als regel - minimaal een jaar. Het aantal wagons loopt soms op tot 10 à 20 per klant. De 150 wagons van de A.G. werden voor rekening van die A.G. verhuurd voor een commissie van 10%. Voor een aantal gold dat de B.V. ze voor een vast bedrag van de A.G. huurde. Regelmatig kwam er iemand uit [Z] om de afrekeningen betreffende de wagons van de A.G. te controleren. Dit gebeurde samen met de heer [P] van [L] .
Ten aanzien van 50 door de A.G. in kleine aantallen verhuurde wagons heeft deze getuige nog verklaard:
""Ik weet niet of de 50 wagons die de A.G. in kleine aantallen verhuurde ook door [M] werden geadministreerd.""
Uit deze verklaringen leidt het Hof af dat [A] of de B.V. als vaste vertegenwoordiger van belanghebbende althans een aantal wagons voor rekening van belanghebbende in de B.R.D. verhuurde.
2.5. Verder heeft belanghebbende gesteld en de inspecteur niet of onvoldoende betwist dat in Zwitserland belasting over belanghebbendes winst wordt geheven.
3. Uit hetgeen onder 2.1, 2.3 en 2.4 is vastgesteld, bezien in onderling verband en samenhang, leidt het Hof af, dat belanghebbende naar de omstandigheden beoordeeld niet in Nederland is gevestigd doch dat zij hier wel een vaste inrichting heeft in de zin van artikel 4, lid 2, van het Verdrag, en wel in de vorm van een vaste vertegenwoordiger.
Uit hetgeen onder 2.5 is vastgesteld put het Hof bovendien het niet weerlegde vermoeden dat belanghebbende naar Zwitsers belastingrecht aldaar haar woonplaats heeft, zodat belanghebbende die statutair in Zwitserland is gevestigd, ook om die reden niet als binnenlands belastingplichtige kan worden aangemerkt.
4. In beginsel is tussen partijen niet in geschil dat de inkomsten uit onroerend goed in Nederland zijn belast.
Met betrekking tot de inkomsten uit het pand [b-straat 1] te [T] heeft belanghebbende bij conclusie van repliek gesteld dat deze in het belastingjaar f 7.060, -- negatief waren. Bij conclusie van dupliek heeft de inspecteur, op wiens weg dat lag, niet aannemelijk gemaakt (door bij voorbeeld een taxatierapport over te leggen) dat de bruto huurwaarde f 60.000, -- op jaarbasis bedroeg, doch volstaan met de opmerking dat belanghebbende de opgevoerde rente van f 32.000, -- moet aantonen.
Het Hof vindt geen termen om, nu belanghebbende bij pleidooi van 18 april 1984 een taxatierapport in het geding heeft gebracht waaruit blijkt dat de huurwaarde in het belastingjaar ongeveer f 3.000, -- per maand bedroeg, de inspecteur nog in de gelegenheid te stellen een tegentaxatie te doen uitbrengen. Dit klemt te meer nu de inspecteur op deze kwestie ter zitting van 10 april 1985 niet is teruggekomen.
Het Hof acht door de inhoud van de brief van de Nederlandse Credietbank van 13 oktober 1982 voldoende aannemelijk gemaakt dat het crediet in rekening-courant is verleend voor de aankoop van het huis in kwestie.
Nu de inspecteur de hoogte van de rente en de overige opgevoerde aftrekposten niet heeft betwist staat de negatieve opbrengst van het pand vast.
5. Uit de gedetailleerde jaarstukken van belanghebbende over het jaar 1974, zoals overgelegd door de inspecteur, blijkt dat de winst van belanghebbende ad Zwfrs. 39.281, -- voor een bedrag van Zwfrs. 270.026, -- gunstig is beïnvloed door "Kursdifferenzen". Hieruit leidt het Hof af dat belanghebbende in het onderwerpelijke jaar met de exploitatie van de wagons geen voordelig resultaat heeft behaald. Het Hof ontleent hieraan - nu de inspecteur dienaangaande onvoldoende heeft gesteld - het niet weerlegde vermoeden dat belanghebbende met de exploitatie van de wagons voor zover die - naar onder 3 is overwogen - aan de Nederlandse vaste inrichting moet worden toegerekend geen positief voordeel heeft behaald, althans niet een voordeel dat groter is dan het onder 4 vermelde negatieve bedrag.
6. Het Hof acht niet aannemelijk gemaakt dat de winst op de dollartransacties en/of genoemde "Kursdifferenzen" aan de Nederlandse vaste inrichting moeten worden toegerekend."
Op die gronden heeft het Hof de navorderingsaanslag vernietigd.
3. Geding in cassatie.
De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.
Hij heeft de volgende middelen van cassatie voorgesteld:
"I. Schending van het recht, met name van artikel 17, eerste lid, van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken, doordat het Hof heeft geoordeeld dat een redelijke verdeling van de bewijslast meebrengt dat de inspecteur aannemelijk maakt dat de leiding van belanghebbende geheel of nagenoeg geheel vanuit Nederland plaatsvond.
II. Schending van het recht doordat het Hof de winst van de vaste vertegenwoordiger onjuist en/of op onbegrijpelijke gronden heeft bepaald.
Ter toelichting moge het volgende dienen.
Ad I.
Het Hof heeft overwogen dat belanghebbende een naar Zwitsers recht opgerichte Aktiengesellschaft is die aldaar statutair is gevestigd en aldaar - zij het door middel van een " Treuhand " - kantoor houdt. Voorts heeft het Hof overwogen dat de feitelijke werkzaamheden met betrekking tot de verhuur van de wagons in hoofdzaak worden uitgevoerd in de B.R.D. en België en bijkomstig in andere landen. Naar het oordeel van het Hof brengt onder deze omstandigheden een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat de inspecteur aannemelijk maakt dat de leiding van belanghebbende geheel of nagenoeg geheel vanuit Nederland plaatsvond. De vraag is gerechtvaardigd of het Hof uitsluitend op grond van de bedoelde omstandigheden de bewijslast heeft kunnen en mogen verdelen, gelijk het heeft gedaan. Ik meen deze vraag ontkennend te moeten beantwoorden, daar zich in het onderhavige geval, gelijk de inspecteur toch ook op overtuigende wijze heeft aangetoond, zodanig bijzondere, ongebruikelijke en onwaarschijnlijke omstandigheden voordoen en hebben voorgedaan, dat de redelijkheid geweld zou worden aangedaan, indien onder die omstandigheden van de inspecteur zou worden gevergd aannemelijk te maken dat de leiding van belanghebbende geheel of nagenoeg geheel vanuit Nederland plaatsvond. Op een aantal van de bedoelde omstandigheden ga ik hierna in.
1. Het Hof stelt vast dat belanghebbende een naar Zwitsers recht opgerichte A.G. is die aldaar statutair is gevestigd en aldaar - zij het door middel van een " Treuhand " - kantoor houdt. De inspecteur heeft niet dan wel onvoldoende weersproken gesteld dat op het adres [a-straat 1] te [Z] per ultimo 1976 naast belanghebbende en de [C] 123 andere ondernemingen stonden ingeschreven, dat belanghebbendes directeur, [E] , in het belastingjaar bestuursfuncties vervulde bij ten minste 36 andere ondernemingen en dat hij ( [E] ) noch Dr. [I] , aan wie door de Raad van Bestuur een algemene volmacht was verleend, deskundig waren op het gebied van spoorwagons, een deskundigheid die [A] wel bezat.
2. De stukken laten geen enkele conclusie toe omtrent de wijze waarop in het onderhavige geval door de "Verwaltungsrat" bestaande uit leden die alle in dienstbetrekking waren bij de " Treuhand " feitelijk leiding is gegeven aan belanghebbende. Een en ander blijft volstrekt in het vage. De stukken laten slechts de conclusie toe dat de feitelijke activiteiten van belanghebbende in hoofdzaak bestaan uit de verhuur - op korte en op lange termijn - van spoorwagons en dat ter zake op technisch, commercieel en juridisch gebied externe adviseurs zijn ingeschakeld.
Volstrekt onduidelijk is hoe een ter zake van de exploitatie van spoorwagons ondeskundige Verwaltungsrat in dat kader heeft kunnen en mogen beslissen en aldus leiding heeft kunnen en mogen geven aan belanghebbende. In een zodanig geval mag toch worden aangenomen dat er enigerlei vorm van ruggespraak bestaat met enig ter zake deskundig persoon. Waar het belang van een en ander in het onderhavige geval uiteindelijk de wel deskundige heer [A] aanging, mag dan ook de conclusie gerechtvaardigd heten dat de door belanghebbende gegeven voorstelling van zaken duidt op omstandigheden, die afwijken van hetgeen als normaal en gebruikelijk is te beschouwen, zodat minst genomen grote vraagtekens kunnen worden gezet bij de door belanghebbende aan de Verwaltungsrat toegedichte feitelijke leiding. Op blz. 6 van zijn conclusie van dupliek heeft de inspecteur een treffend voorbeeld gegeven, waaruit het onwaarschijnlijke en ongebruikelijke van de door belanghebbende geschetste situatie blijkt. De heer [A] heeft in 1972 met zijn kinderen de [C] volmacht gegeven om op de algemene vergadering van aandeelhouders namens de aandeelhouders te stemmen. Waar de leden van de Verwaltungsrat uitsluitend bestaan uit personen die alle bij de [C] in dienst zijn, is aldus een situatie ontstaan, waarbij de leden van de Verwaltungsrat hun eigen beleid mogen goedkeuren. Uit de stukken volgt niet dat belanghebbende deze constatering heeft weersproken, zodat ook daaruit een argument is te putten voor het hoogst ongebruikelijke en ongeloofwaardige van de door belanghebbende gegeven voorstelling van zaken. De inspecteur heeft dan ook niet ten onrechte het standpunt ingenomen dat het aan belanghebbende is om aan te tonen dat de bemoeiingen van de Verwaltungsrat ( [E] c.s.) met betrekking tot belanghebbende anders waren dan de stereotiepe door een " Treuhand -Buro" verrichte handelingen.
3. N.V. [M] te België zou zijn ingeschakeld in verband met de verhuurpolitiek tegenover de gezamenlijke huurders, de aansprakelijkheid van belanghebbende tegenover wagonleveranciers met betrekking tot de aan de B.V. verhuurde wagons en het kosteninzicht in de wederzijds verhuurde wagons.
Belanghebbende doet het voorkomen alsof [M] een tamelijk passief administratiecentrum is. Ik acht zulks uiterst onwaarschijnlijk. Vaststaat dat [A] directeur-enig aandeelhouder is van N.V. [M] (het door [A] bij het getuigenverhoor voor het Hof opgegeven woonadres - het zij ter zijde opgemerkt - blijkt overigens het vestigingsadres van N.V. [M] te zijn!) Ik acht dit geen toevallige omstandigheid, waaraan - gelijk belanghebbende doet - de betekenis moet worden ontzegd die de inspecteur daaraan heeft toegekend (invloed op belanghebbende). Waar een gecombineerde wagonadministratie, gelijk belanghebbende heeft verklaard, zowel. in het belang was van belanghebbende als in dat van de B.V., de verhuurpolitiek tegenover de gezamenlijke huurders kennelijk in het geding was en zelfs naar eigen zeggen van belanghebbende haar aansprakelijkheid tegenover wagonleveranciers, mag het toch als volstrekt onwaarschijnlijk worden aangemerkt dat belanghebbende zonder invloed van buiten af erin heeft bewilligd de voor haar zo betekenisvolle activiteiten uit te besteden aan een daartoe door haar grootaandeelhouder opgerichte B.V., waarvan deze aandeelhouder ook nog directeur was. Gelet op de door belanghebbende geschetste belangen zou ter waarborging daarvan enigerlei vorm van directe participatie in de N.V. meer voor de hand hebben gelegen. Het is toch uiterst onwaarschijnlijk en ongebruikelijk dat belanghebbende genoegen heeft genomen met slechts een controlemogelijkheid door Zwitserse accountants.
4. Belanghebbende stelt dat er geen bescheiden zijn weggewerkt door de B.V. Vast staat overigens wel dat telexen van belanghebbende niet zijn bewaard. De inspecteur heeft naar mijn mening terecht gewezen op het merkwaardige feit dat er bij de B.V. geen enkel contract boven water is gekomen. Zulks plaatst de door belanghebbende gegeven verklaringen voor het ontbreken van bescheiden in een merkwaardig daglicht, waar zij zelf blijkens de stukken contracten zou hebben opgemaakt met groothuurders als V.T.G. en E.V.A. in de B.R.D. Het komt toch wel als uiterst onwaarschijnlijk over dat, waar de B.V. ook als groothuurder optrad, een zodanig contract niet zou zijn opgemaakt. Een en ander roept een ongeloofwaardig en ongebruikelijk beeld op, dat slechts kan worden verklaard vanuit een directe invloed van [A] of de door hem beheerste B.V. op de leiding van belanghebbende.
5. Ook de aanschaf van het pand [b-straat 1] te [T] roept een onwaarschijnlijk beeld op. Belanghebbende heeft ter zake tegenstrijdige verklaringen afgelegd. In haar conclusie van repliek (blz. 18) verklaart zij het pand, zoals zovele buitenlandse investeerders die in die tijd actief waren op de Nederlandse onroerend-goedmarkt vanwege de algemeen verwachte prijsstijgingen, te hebben gekocht uit zuiver speculatieve oogmerken. Dienaangaande heeft de inspecteur in zijn conclusie van dupliek (blz. 7) terecht opgemerkt die passage niet serieus te kunnen nemen, gelet op de bewoning van het pand door [A] en zijn ex-echtgenote. Het heeft er alle schijn van dat [A] belanghebbende heeft bewogen tot aanschaf van het pand en daarmee direct invloed heeft uitgeoefend op de leiding van belanghebbende. De (pas) in de pleitnota voor het Hof gegeven nadere toelichting op de gang van zaken bij de aanschaf van het pand versterkt eerder die indruk dan dat zij daaraan afbreuk doet. Betekenisvol mag ook heten dat een huurcontract pas blijkt te worden opgemaakt als de rijksaccountant daar naar vraagt (blz. 10 vertoogschrift inspecteur). Voorts is opmerkelijk dat de heer [A] voor het Hof, blijkens het proces-verbaal van getuigenverhoor, heeft verklaard dat belanghebbende is gevraagd en bereid gevonden het pand te kopen ""mits er voldoende rendement wordt geboden"". 's Hofs uitspraak geeft genoegzaam aan dat aan die voorwaarde niet kon worden en ook niet is voldaan. Niettemin heeft belanghebbende het pand gekocht.
6. Met betrekking tot de commissie inzake de valuta-termijntransactie heeft de inspecteur niet zonder grond het bedingen van die commissie aan willen merken als een feitelijk beschikken over het vermogen van belanghebbende. Met de inspecteur ben ik van mening (blz. 6 van diens conclusie van repliek) dat een vergoeding van 10% van de aankoopkosten in ieder geval als bepaald buiten elke proportie is te kwalificeren. De hiervoor geschetste omstandigheden, waaraan de vele andere door de Inspecteur ook reeds aangevoerde voorbeelden (ik wijs slechts op de ongeloofwaardige gang van zaken bij de olietransactie) zouden kunnen worden toegevoegd, roepen onmiskenbaar een beeld op van een grotere invloed op de leiding van belanghebbende dan zij het wil doen voorkomen. Bij aanwezigheid van een zo groot aantal onwaarschijnlijke en ongebruikelijke omstandigheden acht ik het onjuist en in strijd met de redelijkheid dat het Hof voor de verdeling van de bewijslast slechts is uitgegaan van de in zijn rechtsoverwegingen onder 2.1 omschreven omstandigheden. Het geheel van de omstandigheden had het Hof naar mijn mening slechts tot de slotsom kunnen brengen dat de redelijkheid gebiedt in een geval als het onderhavige van belanghebbende te vergen aannemelijk te maken dat haar leiding niet geheel of nagenoeg geheel vanuit Nederland plaatsvond.
Ad II.
Het Hof heeft geoordeeld dat uit de gedetailleerde jaarstukken van belanghebbende over het jaar 1974, zoals overgelegd door de inspecteur, blijkt dat de winst van belanghebbende ad Zwfrs. 39.281, -- voor een bedrag van Zwfrs. 270.026, -- gunstig is beïnvloed door "Kursdifferenzen". Hier- uit leidt het Hof af dat belanghebbende in het onderwerpelijke jaar met de exploitatie van de wagons geen voordelig resultaat heeft behaald. Het Hof heeft slechts tot dit oordeel kunnen komen door uit te gaan van de veronderstelling dat de post "Kursdifferenzen" is aan te merken als een zelfstandige grootheid, die in generlei verband staat tot de exploitatie van de wagons. Voor de juistheid van deze veronderstelling zijn evenwel in de stukken geen aanknopingspunten te vinden. 's Hofs oordeel dat belanghebbende in het onderwerpelijke jaar met de exploitatie van de wagons geen voordelig resultaat heeft behaald is dan ook zonder nadere motivering niet begrijpelijk. In verband hiermede is ook evenzeer onbegrijpelijk 's Hofs oordeel, steunend op een niet weerlegd vermoeden, dat belanghebbende met de exploitatie van de wagons voor zover die aan de Nederlandse vaste inrichting moet worden toegerekend geen positief voordeel heeft behaald, althans niet een voordeel dat groter is dan het in rechtsoverweging 4 vermelde negatieve bedrag.
Nog afgezien van het voorgaande ben ik van oordeel dat het Hof ten onrechte - te meer waar niet is komen vast te staan dat de exploitatie van de wagons door belanghebbende en de vaste inrichting hier te lande op gelijke wijze hebben plaatsgevonden - kennelijk heeft geoordeeld dat, nu de onderneming als geheel verlies leed op de exploitatie van de wagons (hetgeen naar mijn mening niet is komen vast te staan; zie hiervoor), ook de vaste inrichting wel geen winst zal hebben gemaakt, althans geen winst groter dan de negatieve opbrengst van het pand. Ten onrechte en al te gemakkelijk is het Hof voorbijgegaan aan de voor de beslissing van het onderhavige geschil van belang zijnde feitelijke gedragingen in de vaste inrichting hier te lande en de vaststelling van de uit deze gedragingen voortgevloeide resultaten. Wat die resultaten betreft ben ik van mening dat het Hof niet met een zo globale beoordeling heeft kunnen volstaan als het heeft gedaan. Volledigheidshalve moge ik nog wijzen op het bepaalde in punt 8 onder Ad artikel 4 van het Slotprotocol behorend bij het tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Zwitserse Bondsstaat gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belasting. "
Belanghebbende heeft een vertoogschrift ingediend.
Partijen hebben de zaak mondeling doen toelichten: de Staatssecretaris door Mr. Ch.J. Langereis, advocaat te Amsterdam, belanghebbende door Mr. J.W. Meijer, advocaat te 's-Gravenhage.
De Advocaat-Generaal Verburg heeft op 29 oktober 1987 geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
4. Beoordeling van de middelen van cassatie.
4.1. Het Hof heeft geoordeeld dat onder de in zijn rechtsoverweging 2.1 genoemde omstandigheden een redelijke verdeling van de bewijslast meebrengt dat de Inspecteur aannemelijk maakt dat de leiding van belanghebbende geheel of nagenoeg geheel vanuit Nederland plaatsvond.
Mede in aanmerking genomen dat het in het algemeen op de weg van de inspecteur ligt de feiten te bewijzen waarop de aanslag steunt, kan niet worden gezegd dat het Hof met zijn voormelde oordeel omtrent de bewijslastverdeling de redelijkheid uit het oog heeft verloren. Bij het geven van dat oordeel is het Hof niet tekort geschoten in zijn motiveringsplicht.
Middel I kan dus niet tot cassatie leiden.
4.2. Middel II bestrijdt de juistheid en de redengeving van 's Hofs beslissing dat de vaste inrichting in Nederland van belanghebbende in het onderhavige jaar geen positief resultaat heeft behaald. Die beslissing is echter van feitelijke aard, zodat de juistheid ervan in cassatie niet ter beoordeling staat, terwijl zij ook niet onbegrijpelijk of anderszins ontoereikend is gemotiveerd. Middel II treft dus evenmin doel.
5. Beslissing.
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Aldus gewezen door mrs. Royer, vice-president, Jansen, Van der Linde, Baardman en Bellaart, raadsheren. Uitgesproken door de vice- president voornoemd ter raadkamer van 27 april 1988, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier mr. Koopman.
Conclusie 29‑10‑1987
Inhoudsindicatie
Dubbele belasting Zwitserse vennootschap met Nederlandse aandeelhouder. Activiteiten in meerdere landen. Vaste vertegenwoordiger hier te lande.
N.E.
Nr. 24.252
Vennootschapsbelasting 1974
Derde Kamer A
Parket, 29 oktober 1987
Mr. Verburg
Conclusie inzake:
DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIEN
tegen
[X] A.G.
Edelhoogachtbaar College,
1. Verweerster in cassatie, belanghebbende, is een op 5 september 1963 te [Z] naar Zwitsers recht opgerichte A.G. met een geplaatst en volgestort aandelenkapitaal van Zw. frs. 300.000, geheel in handen van [A] , in 1974 woonachtig te [T] (Zw. frs. 240.000, waarvan Zw. frs. 150.000 ·belast met vruchtgebruik ten gunste van zijn moeder) en van zijn vier kinderen (ieder Zw. frs. 15.000).
Belanghebbendes kantooradres is dat van de [C] A.G., [a-straat 1] te [Z] . De Verwaltungsrat van belanghebbende wordt gevormd door [E] , [F] en [G] , allen woonachtig in Zwitserland en in dienstbetrekking bij voornoemde [C] A.G.
Belanghebbende legt zich toe op de verhuur op het vasteland van Europa van spoorwagons, die voor haar zijn gebouwd in de Duitse Bondsrepubliek. In dit land zijn ook de exploitanten van deze spoorwagons gevestigd, die voor verhuur aan de uiteindelijke gebruikers zorg dragen.
Op gelijke wijze als deze exploitanten was ook [L] N.V. (later B.V.) werkzaam. Aanvankelijk was dit lichaam een meerderheidsdeelneming van belanghebbende; in 1975 werd [A] enig aandeelhouder van [L] B.V. Belanghebbende verhuurde ook een aantal van haar spoorwagons aan laatstgenoemde B.V.
De in België gevestigde N.V. Arwag (met [A] als directeur-enig aandeelhouder) verzorgde zowel voor belanghebbende als voor [L] B.V. de facturering en de wagonkentekenadministratie.
Tenslotte dient nog vermeld te worden het bestaan van [D] A.G. ( [D] ), een Zwitserse 100%-deelneming van belanghebbende.
Voor (een uitvoeriger weergave van) de feiten moge ik overigens verwijzen naar de uitspraak van het Hof onder II (blz. 2 t/m 5). Het geschil betreft de vraag of belanghebbende in feite vanuit Nederland wordt geleid en bestuurd en mitsdien naar de omstandigheden beoordeeld in Nederland gevestigd is, zodat de winst van belanghebbende in ieder geval aan de heffing van Nederlandse vennootschapsbelasting onderworpen dient te zijn.
De Inspecteur beantwoordt de aldus geformuleerde vraag bevestigend. Belanghebbende evenwel acht de daartoe door de Inspecteur aangevoerde gronden onvoldoende. Met name voor de stelling dat belanghebbendes destijds in Nederland woonachtige aandeelhouder [A] zich daadwerkelijk en duurzaam met het reilen en zeilen van belanghebbendes onderneming heeft ingelaten, is - naar belanghebbendes oordeel - geen enkel bewijs aangedragen.
2. In zijn uitspraak onder V De beoordeling van het geschil, heeft het Hof overwogen:
"2.1. Vast staat dat belanghebbende een naar Zwitsers recht opgerichte Aktiengesellschaft is die aldaar statutair is gevestigd en aldaar - zij het door middel van een 'Treuhand' - kantoor houdt. Eveneens staat vast dat de feitelijke werkzaamheden met betrekking tot de verhuur van de wagons in hoofdzaak worden uitgevoerd in de B.R.D. en België en bijkomstig in andere Europese landen.
2.2. Onder deze omstandigheden brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat de inspecteur aannemelijk maakt dat de leiding van belanghebbende geheel of nagenoeg geheel vanuit Nederland plaats vond" (blz. 13).
Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur zulks onvoldoende aannemelijk gemaakt, zodat het Hof aanneemt
"dat de werkelijke leiding van belanghebbende en haar onderneming voor wat betreft de contracten tot verhuur op lange termijn niet vanuit Nederland plaats vond" (2.3. in fine, blz. 14).
Uit door [A] afgelegde getuigenverklaringen leidt het Hof af
"dat [A] of de B.V. als vaste vertegenwoordiger van belanghebbende althans een aantal wagons voor rekening van belanghebbende in de B.R.D. verhuurde" (2.4. in fine, blz. 14).
De gevolgtrekking die het Hof uit een en ander maakt is deze
"dat belanghebbende naar de omstandigheden beoordeeld niet in Nederland is gevestigd doch dat zij hier wel een vaste inrichting heeft in de zin van artikel 4, lid 2, van het Verdrag, en wel in de vorm van een vaste vertegenwoordiger" (3, blz. 14)1..
Nu naar 's Hofs oordeel
"belanghebbende in het onderwerpelijke jaar met de exploitatie van de wagons geen voordelig resultaat heeft behaald (5, blz. 15),
ontleent het Hof hieraan
"het niet weerlegde vermoeden dat belanghebbende met de exploitatie van de wagons voor zover die ..... aan de Nederlandse vaste inrichting moet worden toegerekend geen positief voordeel heeft behaald ...." ( ibidem) .
3. De mogelijkheid om een naar buitenlands recht opgericht lichaam hier te lande als binnenlands belastingplichtige in de heffing van de vennootschapsbelasting te betrekken, ligt besloten in artikel 4 lid 1 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), in welk artikellid 'de omstandigheden' bepalend worden geacht voor de vestigingsplaats van een lichaam. Zulks houdt in dat het vestigingsplaatscriterium uitsluitend geworteld is in de realiteit en geenszins daarbuiten.
De uitdrukking 'naar de omstandigheden beoordeeld' wordt reeds aangetroffen in artikel 1 lid 2 Wet op de vermogensbelasting 1892. Tijdens de parlementaire behandeling van deze wet gaf minister Pierson te kennen:
"Ten slotte is gevraagd, welke omstandigheden hierbij in aanmerking moeten worden genomen? Ja, hoe kan ik zeggen welke omstandigheden zich zullen voordoen? Dat kunnen allerlei omstandigheden zijn. Ook hieromtrent zal de rechter te beslissen hebben. Art. 1, 2de alinea, zegt 'of en waar iemand binnen het Rijk woont wordt naar de omstandigheden beoordeeld'. Door wien? Door de administratie wanneer het geldt personen die belastingplichtig zijn, maar de vraag of belasting verschuldigd is, wordt in het hoogste ressort door den rechter beslist" (Handelingen Tweede Kamer 7 juli 1892, blz. 1186 rk.).
In de praktijk heeft het genoemde criterium aangewend met betrekking tot lichamen, gevoerd tot het primaat van de plaats van de werkelijke leiding. Deze voorkeur is zeker niet in de laatste plaats tot stand gekomen in en door de vele belastingverdragen, waarbij Nederland partij is. Ofschoon de terminologie een zekere vastheid ontbeert, kan het niet twijfelachtig zijn dat de rol van het OECD-modelverdrag hierbij van meer dan modale betekenis is geweest. Kortheidshalve verwijs ik naar de jurisprudentie vermeld en besproken in hoofdstuk I van het rapport van de Vakgroep Belastingrecht van de Juridische Faculteit R.U. Groningen, getiteld Nederlandse Belastingjurisprudentie op vier internationale gebieden. Zie ook onderdeel 2 van mijn conclusie voor arrest HR 1 juli 1987, nr. 23.877, VN 26 september 1987, pt. 8.
Dat voor de vestigingsplaats van het lichaam de nadruk is komen te liggen op de plaats van het leiding geven, strookt met de vennootschapsrechtelijke ontwikkelingen die het zwaartepunt van de macht in de n.v. en de b.v. naar het bestuur hebben verschoven.
Van der Heijden/Van der Grinten schrijven:
"Het begrip besturen leent zich niet voor een nauwkeurige, concrete omschrijving. De contouren van het begrip zijn niet met scherpe lijnen aan te geven. Besturen is leiding geven, beslissen, dirigeren. Besturen in het kader van de vennootschap houdt in het beschikken over de vennootschappelijke middelen, het bepalen van de vennootschappelijke activiteiten" (Handboek voor de naamloze en de besloten vennootschap, tiende druk, 1984, blz. 435).
Waar de zelfstandigheid van het bestuursorgaan voor geen enkele twijfel vatbaar is, zal de praktijk geen moeilijkheden opleveren. Maar zodra op deze zelfstandigheid valt af te dingen, omdat het bestuur zich meer dan bijkomstig moet gedragen naar de aanwijzingen van andere vennootschapsorganen, wordt dit anders. Naarmate de ruimte voor het voeren van een eigen beleid verder wordt beperkt, kalft de door de wetgever aan het bestuur toegedachte zelfstandige positie verder af, zodat zij op een gegeven moment nog slechts een papieren bestaan voert. Dit doet zich met name voor bij concernmaatschappijen2., alsmede bij kapitaalvennootschappen met een bij uitstek besloten karakter.
Toch brengt het feit dat het bestuursorgaan zal hebben te handelen overeenkomstig de van de aandeelhouder uitgaande directieven op zichzelf nog niet met zich mee dat de plaats van de werkelijke leiding van de vennootschap niet langer mag worden ontleend aan de locatie waar het bestuur zetelt. Vgl. Hof 's-Gravenhage 22 januari 1982, BNB 1984/9, blz. 72 regels 1 t/m 7, alsmede idem 15 februari 1984, opgenomen in BNB 1985/302, blz. 1686 regels 38 t/m 45. Vgl. ook de in par. 9 Departementale Richtlijnen 1986 toegestane bevoegdheid statutair te bepalen
"dat het bestuur zich moet gedragen naar de aanwijzingen van een vennootschapsorgaan betreffende de algemene lijnen van het te voeren financiële, sociale, economische en personeelsbeleid".
In arrest 14 februari 1951, B 8945, oordeelde uw Raad
"dat bij een n.v. de leiding der onderneming berust bij het orgaan, dat met het bestuur en het beheer van de zaken der vennootschap en met hare vertegenwoordiging is belast, waarbij het onverschillig is of dit orgaan zich daarbij gedraagt naar aanwijzingen van derden".
Als de aan het bestuur toekomende bestuursbevoegdheid echter niet langer als substantieel kan worden aangemerkt, als het bestuur niet meer is dan een verzameling marionetten, dan leidt de koppeling van de vestigingsplaats van de vennootschap aan de plaats van de (werkelijke) leiding ertoe om van doorslaggevende betekenis te achten de positie van het brein achter de schermen waarover Lord Denning zo beeldend te kennen gaf:
"He controlled their every movement. Each danced to his bidding. He pulled the strings. No one else got within reach of them. Transformed into legal language, they were his agents to do as he commanded. He was the principal behind them" (Lord Denning, The Due Process of Law, London 1980, blz. 182-183).
De vraag of deze kwalificaties in concreto passend zijn, vormt een typisch feitelijke vraag, waarvan de beantwoording in geval van geschil, is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt.
Over het criterium 'plaats van werkelijke leiding van een lichaam', vgl. de gelijknamige derde paragraaf van hoofdstuk I, Nederlandse Belastingjurisprudentie op vier internationale gebieden.
4. Bracht ik onder 3 ter sprake de mogelijkheid om een naar buitenlands recht opgericht lichaam hier te lande als binnenlands belastingplichtige in de heffing van vennootschapsbelasting te betrekken, met betrekking tot Zwitserland evenwel is voor Nederland gelet op artikel 2 lid 4 van het Verdrag tussen Nederland en Zwitserland ter voorkoming van dubbele belasting, maximaal haalbaar de aanwezigheid van een vaste inrichting in de zin van artikel 4 lid 2 van voornoemd Verdrag en artikel 17 Wet Vpb. '69 iuncto artikelen 48 lid 4 en 49 lid 1 letter a Wet IB'64, hier te lande, hetgeen impliceert dat er slechts sprake kan zijn van buitenlandse belastingplicht.
Artikel 2 lid 4 voornoemd luidt:
"Voor de toepassing van dit Verdrag wordt de woonplaats van een rechtspersoon bepaald volgens de belastingwetgeving van elk van de beide Staten. Indien daaruit een woonplaats in de beide Staten voortvloeit, wordt de rechtspersoon geacht zijn woonplaats te hebben in de Staat, waar hij zijn statutaire zetel heeft".
Voor de Zwitserse 'Bundes'belastingwetgeving is bepalend of rechtspersonen 'in der Schweiz ihren Sitz haben'. Nu een omschrijving voor fiscale doeleinden ontbreekt, kan het begrip 'Sitz' in beginsel slechts civiel-rechtelijk worden geduid3.en wel als de plaats in en door de statuten aangegeven. Vgl. Känzig, Die eidgenössische Wehrsteuer, Basel 1982, blz. 73.
Blijkens artikel 1 der statuten wordt het bestaan van belanghebbende gelocaliseerd: 'mit Sitz in Basel'. Ingevolge de hierboven geciteerde tweede volzin van artikel 2 lid 4 prevaleert voor de verdragstoepassing de Staat waarin de rechtspersoon zijn statutaire zetel heeft. Alsdan zal de Nederlandse fiscus slechts vennootschapsbelasting kunnen heffen indien de aanwezigheid van een vaste inrichting komt vast te staan.
Dit patroon wordt zichtbaar in de procedure die geleid heeft tot arrest HR 24 november 1982, BNB 1983/103. In deze procedure overwoog het Hof te Amsterdam met betrekking tot belanghebbende, een vennootschap naar Zwitsers recht :
"dat op grond van de vaststaande feiten (deze feiten hadden voornamelijk betrekking op het gegeven dat de Zwitserse directie bestond uit Treuhand-functionarissen, JV) en hetgeen partijen over en weer onweersproken hebben gesteld aannemelijk is geworden, dat belanghebbende is opgericht met het doel werkzaam te zijn op het terrein van audio-visuele technieken, dat haar beide Zwitserse directeuren kennis op dit terrein ontberen doch wel haar in Nederland woonachtige president-directeur en procuratiehouder kundig zijn op dit terrein, dat in de jaren 1970, 1971 en 1972 belanghebbendes werkzaamheden uitsluitend hebben bestaan uit het leiding geven aan het zogenoemde G-project en dat die leiding feitelijk geheel berustte bij genoemde president-directeur en procuratiehouder; dat zulks in samenhang met de overige vastgestelde feiten, .... , de gevolgtrekking wettigt dat de feitelijke leiding van belanghebbendes onderneming duurzaam van Nederland uit werd uitgeoefend; dat aan deze gevolgtrekking niet in de weg staat de omstandigheid dat de aard van de werkzaamheden meebracht, dat vaak in het buitenland onderhandelingen moesten worden gevoerd; dat immers is gesteld noch aannemelijk gemaakt dat van enig ander land dan Nederland uit duurzaam de desbetreffende werkzaamheden zijn verricht;
dat het vorenoverwogene leidt tot de oordelen, dat de zetel van de leiding van belanghebbendes onderneming in Nederland is gevestigd, dat deze zetel een vaste inrichting vormt in de zin van art. 48, lid 4, I.B. '64 en dat mitsdien de met behulp van die vaste inrichting verkregen voordelen ingevolge de Wet Vpb. '69 in Nederland belastbaar zijn" (BNB 1983/103, blz. 492 regels 12 t/m 31).
In cassatie keerde belanghebbende zich tegen 's Hofs gevolgtrekking dat de feitelijke leiding van belanghebbendes onderneming duurzaam vanuit Nederland werd uitgeoefend, uitsluitend gebaseerd op de omstandigheid dat de leiding van de vennootschap feitelijk geheel berustte bij de in Nederland woonachtige president-directeur en procuratiehouder :
"Dat de president-directeur en de procuratiehouder beiden in Nederland woonachtig zijn, en daarmee een duurzame band met Nederland hebben, rechtvaardigt nog niet de stelling dat de leiding ook duurzaam vanuit Nederland wordt uitgeoefend" (t.a.p. blz. 493 regels 39 t/m 42).
In zijn noot onder het arrest kwalificeert Nooteboom de gronden waarop het Hof de aanwezigheid van een duurzame leiding van de onderneming van de Zwitserse vennootschap had aangenomen als
"vliesdun" (t.a.p. blz. 498 regel 4)
De Hoge Raad overwoog ter zake:
"dat het Hof heeft geoordeeld dat de feitelijke leiding van de onderneming van belanghebbende duurzaam van Nederland uit werd uitgeoefend;
dat het Hof hiermede een oordeel van feitelijke aard heeft gegeven dat naar de eis der wet met redenen is omkleed, zodat het in cassatie niet met vrucht kan worden bestreden;
dat het Hof, uitgaande van dit oordeel, kon oordelen dat in casu sprake is van een vaste inrichting in de zin van artikel 48, lid 4, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964" (t.a.p. blz. 494 regels 15 t/m 22).
In zijn bijdrage aan de discussie gevoerd in de openbare hoorzitting van de bijzondere commissie ISMO op 8 oktober 1984 heeft Nooteboom zijn vertrouwen uitgesproken in de wijsheid van de rechter in belastingzaken die toont in staat te zijn de werkelijkheid tot haar recht te laten komen:
"Daarvan zijn verschillende voorbeelden te noemen. Een daarvan is een naar Zwitsers recht opgerichte vennootschap met twee directeuren. Eén was directeur van 68 vennootschappen en de andere van 11. Kan je nagaan! Ofschoon de twee Zwitserse heren directeur van de naar Zwitsers recht opgerichte vennootschap zijn en deze in Zwitserland wonen, terwijl de mensen die werken voor die Zwitserse vennootschap buiten Nederland werken maar wel in Nederland wonen, wordt de winst aan Nederland toebedeeld, zo bepaalde de rechter. De twee directeuren in Zwitserland waren houtje-touwtje-jongens, van die buiksprekende harlekijnen" (Tweede Kamer, vergaderjaar 1984-1985, 17.050 en 17.522, nr. 34, blz. 27).
Kennelijk is met dit voorbeeld gedoeld op arrest HR 23 november 1982, BNB 1983/103. In zijn noot onder het arrest laat Nooteboom zich echter kritisch uit over de wijze waarop het Hof bewezen achtte
"dat de feitelijke leiding van belanghebbendes onderneming duurzaam van Nederland uit werd uitgeoefend":
"Ik wijs er ... op, dat naar mijn mening niet in positieve zin uit de feitelijke werkzaamheden was af te leiden, dat leiding van- uit Nederland plaatsvond, want de aard van de werkzaamheden in Nederland is niet besproken en over die in den vreemde wordt alleen gesproken over onderhandelingen (niet over het afsluiten van contracten aldaar of in Nederland). Uit het ongerijmde is duurzaam leiding vanuit Nederland bewezen verklaard, en het is dubieus of dat een voldoende postulering is voor het aanwezig verklaren van een belastingplicht in Nederland" (blz. 497 regel 48 t/m blz. 498' regel 2).
Uit de nota omkering bewijslast bij fiscale aangelegenheden in internationale verhoudingen (Kamerstuk 17.050 en 17.522, nr. 38) blijkt overigens dat staatssecretaris Koning van Financiën niet voornemens is te bevorderen dat de positie van de inspecteur wordt versterkt door middel van een zekere mate van omkering van de bewijslast in internationale verhoudingen. Met name de vrees voor 'overkill' heeft de bewindsman ervan weerhouden ter zake een wetswijziging voor te stellen, ook al toonde hij begrip voor de moeilijkheden die de inspecteur pleegt te ondervinden bij het achterhalen van de relevante feiten en omstandigheden in internationale verhoudingen. Vgl. de weergave van voornoemde nota in WFR 1985/5691, blz. 943-945.
5. In casu heeft het Hof na zorgvuldige weging van de relevante feitelijke omstandigheden niet kunnen oordelen op gelijkluidende wijze als het deed in de in BNB 1983/103 weergegeven procedure. Naar mijn oordeel kan uw Raad in beginsel hierop niet anders reageren dan hij deed in arrest 24 november 1982, BNB 1983/103:
"dat het Hof hiermede een oordeel van feitelijke aard heeft gegeven dat naar de eis der wet met redenen is omkleed, zodat het in cassatie niet met vrucht kan worden bestreden" (blz. 494 regels 17 t/m 19).
Onwillekeurig rijst de vraag waarin het kardinale verschil is gelegen tussen beide casusposities, t.w. die van BNB 1983/103 en de onderhavige. Deze vraagstelling is niet in alle opzichten zinvol, omdat vaak een te grote rol is weggelegd voor de aspecten van de bewijsvoering. In hoeverre de strijdende partijen hun processuele mogelijkheden optimaal hebben benut, is immers maar zeer ten dele achteraf voor meting vatbaar.
Ongetwijfeld is echter van invloed geweest de aard van de verrichte activiteiten: in BNB 1983/103, de handel in en fabricage van audiovisuele apparatuur enz., in onderhavig geding, de aanschaf en verhuur van spoorwagons op lange-termijncontracten.
Uit de door het Hof onder V punt 2.3. gehanteerde omschrijvingen rijst onweersprekelijk een minder dynamisch en meer internationaal gespreid beeld op. Onder deze omstandigheden ligt het minder voor de hand aan te nemen dat de werkelijke leiding van belanghebbendes onderneming vanuit Nederland heeft plaatsgevonden.
Vgl. Nobel, WPNR 29 januari 1983 jg. 114, nr. 5638, blz. 49, onder het hoofd 'commerciële activiteiten'.
6. De regels die in de rechtspraak zijn ontwikkeld aangaande de verdeling van de bewijslast in fiscalibus
"houden in de eerste plaats in, dat het in het algemeen op de weg van de administratie ligt bewijs te leveren van de feiten waarop de belastingaanslag - hetzij een (primitieve) aanslag hetzij een navorderingsaanslag - steunt'' (Meyjes/Van Soest/Van den Berge, Fiscaal procesrecht derde druk, blz. 98).
De redelijkheid die een dominerende rol speelt als de verdeling aan de bewijslast aan de orde is, verdraagt echter niet dat de wederpartij zich in dit opzicht een passieve rol zou kunnen permitteren. Het is deze redelijkheid die van beide partijen verlangt dat zij hun bijdrage leveren aan de totstandkoming van een rechterlijk oordeel, dat gebaseerd is op feiten die aan de werkelijkheid zijn ontleend. Mitsdien zal dus een rol behoren te spelen welke van beide partijen zich het gemakkelijkst de toegang kan verschaffen tot de relevante benodigde gegevens.
In casu gaat het om de vestigingsplaats van een in Zwitserland gevestigde en aldaar belastingplichtige vennootschap, die buiten Nederland actief is met behulp van rollend materiaal. Onder deze omstandigheden kan het niet onredelijk worden genoemd dat de Inspecteur in eerste instantie tot taak krijgt aannemelijk te maken dat niettemin belanghebbende in de heffing van Nederlandse vennootschapsbelasting dient te worden betrokken.
Het ligt dan op zijn weg te wijzen op de aanwezigheid van bijzondere, ongebruikelijke en onwaarschijnlijke omstandigheden, die alle afbreuk beogen te doen aan de door de wederpartij ingenomen stelling dat belanghebbende ook naar de omstandigheden beoordeeld, in Zwitserland gevestigd is en die suggereren dat alle kenmerken van een brievenbusmaatschappij hier aanwezig zijn.
De Inspecteur heeft zulks ook gedaan, maar belanghebbende heeft zich harerzijds beijverd om de door de Inspecteur gesignaleerde bijzondere, ongebruikelijke en onwaarschijnlijke omstandigheden in een ander licht te plaatsen. Naar het oordeel van het Hof is zij daarin geslaagd. Dit oordeel acht ik in cassatie onaantastbaar.
Als requirant tot cassatie voert de Staatssecretaris in zijn beroepschrift aan:
"Bij aanwezigheid van een zo groot aantal onwaarschijnlijke en ongebruikelijke omstandigheden acht ik het onjuist en in strijd met de redelijkheid dat het Hof voor de verdeling van de bewijslast slechts is uitgegaan van de in zijn rechtsoverwegingen onder 2.1. omschreven omstandigheden" (blz. 6).
Inderdaad brengt het beginsel dat de bewijslast tussen de partijen behoort te worden verdeeld op basis van de redelijkheid, met zich mee
"dat een partij, die feiten of omstandigheden stelt welke afwijken van hetgeen normaal en gebruikelijk is, deze dient te bewijzen, ook al zou in beginsel de bewijslast op de tegenpartij rusten" (Meyjes/Van Soest/Van den Berge, Fiscaal procesrecht derde druk, blz. 99).
Zou het Hof deze regel hebben geschonden, dan zou 's Hofs uitspraak niet met (deugdelijke) redenen zijn omkleed. Vgl. artikel 17 lid 1 eerste volzin Wet administratieve rechtspraak in belastingzaken.
Maar de kwalificaties 'onwaarschijnlijk' en 'ongebruikelijk' zijn voor rekening van de Staatssecretaris, m.a.w. zolang het Hof deze kwalificaties niet tot de zijne maakt en zulks ook niet behoort te doen, kan er geen sprake van zijn dat bovenomschreven regel op toepassing aanspraak kan maken. De gedachtengang van de Staatsecretaris is verwant aan die welke tot uitdrukking is gebracht in onderdeel 5 van het cassatiemiddel door de Staatsecretaris voorgesteld in de zaak berecht door uw Raad bij arrest 21 augustus 1985, BNB 1985/302:
"Gezien de duidelijke aanwijzingen, welke zijn te putten uit de door de inspecteur overgelegde stukken voor de stelling, dat de werkelijke leiding van belanghebbendes onderneming door de concernleiding in Z werd uitgeoefend, was het Hof verplicht belanghebbende het bewijs van het tegendeel op te dragen. Door dit na te laten, heeft het Hof de bewijslast onredelijk verdeeld".
Terecht gaf mijn ambtgenoot Van Soest in zijn conclusie omtrent dit (buiten behandeling gebleven) middelonderdeel te kennen:
" .. of de aanwijzingen voldoende zijn, moet ter beoordeling overgelaten worden aan de rechter die over de feiten oordeelt; het kan in cassatie niet getoetst worden" (blz. 1682, regels 12 t/m 14).
In onderhavig rechtsgeding is het niet anders.
De geachte pleiter voor de Staatssecretaris geeft in zijn pleitnotities als zijn mening te kennen dat nu de Inspecteur zoveel feiten heeft gesteld die de conclusie dat de feitelijke leiding van belanghebbende berustte bij [A] , lijken te bevestigen, belanghebbende aannemelijk moet maken dat belanghebbende in materieel opzicht niet door [A] werd geleid (blz. 5). Het gebruik van het werkwoord lijken duidt erop dat de geachte pleiter zich ervan bewust is dat de gestelde feiten voor meer dan één interpretatie vatbaar zijn, hetgeen aan zijn conclusie in niet geringe mate afbreuk doet.
Maar los daarvan, de geachte pleiter voor de Staatssecretaris is kennelijk de mening toegedaan dat belanghebbende in het gelijk is gesteld, omdat de op de Inspecteur rustende bewijslast voor hem te zwaar bleek te zijn. Hierbij miskent hij echter dat de bewijsrechtelijke inbreng van de zijde van belanghebbende mede bepalend is geweest voor 's Hofs oordeel dat niet is komen vast te staan dat belanghebbende in materieel opzicht door [A] werd geleid. Hiervoor behoef ik slechts te wijzen op het gebruik dat het Hof heeft gemaakt van zijn in artikel 15 Wet administratieve rechtspraak belastingzaken omschreven bevoegdheden.
De Staatssecretaris valt de door het Hof toegepaste bewijslastverdeling aan, maar in wezen bestrijdt hij dat de feitelijke waardering van het be- wijsmateriaal aan het Hof is voorbehouden.
7. De Staatssecretaris van Financiën draagt in cassatie een tweetal middelen voor.
Het eerste cassatiemiddel is gericht tegen 's Hofs oordeel
"dat een redelijke verdeling van de bewijslast meebrengt dat de inspecteur aannemelijk maakt dat de leiding van belanghebbende geheel of nagenoeg geheel vanuit Nederland plaats vond" (blz. 1).
Dit middel behelst gelijk de geachte pleiter voor de Staatsecretaris in zijn pleitnota opmerkt
"een motiveringsklacht, gericht tegen de door het Hof toegepaste bewijslastverdeling, welke verdeling naar redelijkheid dient te geschieden" (blz. 6).
's Hofs oordeel met betrekking tot de verdeling van de bewijslast wordt "onbegrijpelijk" (blz. 7) geacht, nu dit oordeel slechts gebaseerd is op twee groepen van feitelijke elementen:
"1. de vaststelling dat belanghebbende naar Zwitsers recht opgericht is en in Zwitserland statutair is gevestigd en kantoor houdt - zij het door middel van een "Treuhand";
2. de vaststelling dat de feitelijke werkzaamheden van belanghebbende met betrekking tot de verhuur van wagons in West- Duitsland en België plaatsvonden" (pleitnota blz. 6).
M.i. berust dit middel op een verkeerde lezing van 's Hofs uitspraak. Blijkens de tussenvoeging "zij het door middel van een 'Treuhand'" heeft het Hof wel degelijk acht geslagen op de omstandigheid dat op het adres [a-straat 1] te [Z] talloze (andere) ondernemingen kantoor houden alsmede op de omstandigheid dat de vele bestuursfuncties bij andere ondernemingen van belanghebbendes directeur [E] een bepaald licht werpen op de omvang van zijn werkzaamheden ten behoeve van belanghebbende.
Met de tussenvoeging "zij het door middel van een 'Treuhand'" geeft het Hof dus te kennen dat er op de Bazelse kantoorfunctie valt af te dingen, maar niet zoveel dat aan de vestiging substantie moet worden ontzegd, mede gelet op het feit van de oprichting van de A.G. naar Zwitsers recht, de daarmee overeenstemmende statutaire vestigingsplaats en de structuur van de onderneming.
Dit feitelijk oordeel van het Hof acht ik alleszins begrijpelijk. De motiveringsklacht komt mij niet gegrond voor.
8. In het tweede cassatiemiddel klaagt de Staatsecretaris over de wijze waarop het Hof de winst van de vaste vertegenwoordiger heeft bepaald: dit zou
"onjuist en/of op onbegrijpelijke gronden"
zijn geschied.
De klacht heeft betrekking op 's Hofs oordeel dat belanghebbende in het jaar 1974 met de exploitatie van de wagons geen voordelig resultaat heeft behaald. Immers - aldus de toelichting -
"Het Hof heeft slechts tot dit oordeel kunnen komen door uit te gaan van de veronderstelling dat de post 'Kursdifferenzen' is aan te merken als een zelfstandige grootheid, die in generlei verband staat tot de exploitatie van de wagons. Voor de juistheid van deze veronderstelling zijn evenwel in de stukken geen aanknopingspunten te vinden" (beroepschrift blz. 6).
Dit laatste moge zo zijn, maar nu het Hof onder V, punt 6, te kennen heeft gegeven dat niet aannemelijk is gemaakt
"dat de winst op de dollartransacties en/of genoemde "Kursdifferenzen' aan de Nederlandse vaste inrichting moeten worden toegerekend" (blz. 16),
vermag ik niet in te zien welk belang de Staatssecretaris heeft bij deze grief.
Evenzeer onbegrijpelijk wordt door de Staatssecretaris geacht 's Hofs oordeel dat belanghebbende met de exploitatie van de wagons voor zover die aan de Nederlandse vaste inrichting moet worden toegerekend, geen positief voordeel heeft behaald (althans niet een voordeel, groot genoeg om het negatieve bedrag aan inkomsten uit onroerend goed in Nederland meer dan goed te maken). Dit ware - zo parafraseer ik de toelichting - toch niet zonder meer af te leiden uit het gegeven dat belanghebbende met haar onderneming als geheel verlies leed op de exploitatie van de wagons: de vaststelling van de Nederlands vaste-inrichtingwinst is een zelfstandig en niet een afgeleid procedé.
M.i. ziet de Staatssecretaris hier over het hoofd dat naar het Hof overweegt :
"de Inspecteur dienaangaande onvoldoende heeft gesteld" (blz. 15) om een andere conclusie te kunnen trekken.
Aan de door het Hof onder V, punten 5 en 6, gegeven feitelijke oordelen valt m.i. in cassatie niet te tornen, zodat ook het tweede cassatiemiddel moet falen.
9. Niet betwist is belanghebbendes stelling dat in Zwitserland belasting over belanghebbendes winst wordt geheven.
Hieruit put het Hof het vermoeden
"dat belanghebbende naar Zwitsers belastingrecht aldaar haar woonplaats heeft, zodat belanghebbende die statutair in Zwitserland is gevestigd, ook om die reden niet als binnenlands belastingplichtige kan worden aangemerkt" (blz. 15).
In zijn pleitnotities tekent de geachte pleiter voor de Staatssecretaris verzet aan tegen deze gevolgtrekking:
"Weliswaar is belanghebbende over haar winst in Zwitserland belasting verschuldigd, maar dat kan ook gebaseerd zijn op een in Zwitserland door de administratie aldaar aanwezig geachte vaste inrichting" (blz. 8).
M.i. ziet de geachte pleiter hier over het hoofd dat het Hof in de betrokken overweging rept van een niet weerlegd vermoeden. Het is juist dat het feit dat in Zwitserland belasting verschuldigd is, terug te voeren is op meer dan één mogelijkheid. Maar de geopperde mogelijkheid, die de geachte pleiter thans afwijst, houdt het Hof voor onaangetast. Vandaar dat het Hof het vermoeden als niet weerlegd bestempelt. Dit oordeel kan in cassatie niet ten toets komen.
Evenmin vermag ik in te zien dat de betrokken rechtsoverweging van het Hof niet naar de eis der wet met redenen zou zijn omkleed, gelijk de geachte pleiter voor de Staatssecretaris eveneens op blz. 8 stelt.
10. Geen der aangevoerde middelen gegrond bevindende, concludeer ik tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 29‑10‑1987