Einde inhoudsopgave
Verordening (EU) 2024/1620 tot oprichting van de autoriteit voor de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010, (EU) nr. 1094/2010 en (EU) nr. 1095/2010
Artikel 35 Collegiale toetsingen
Geldend
Geldend vanaf 26-06-2024
- Bronpublicatie:
31-05-2024, PbEU L 2024, 2024/1620 (uitgifte: 19-06-2024, regelingnummer: 2024/1620)
- Inwerkingtreding
26-06-2024
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
31-05-2024, PbEU L 2024, 2024/1620 (uitgifte: 19-06-2024, regelingnummer: 2024/1620)
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
EU-recht / Instituties
Financieel recht / Europees financieel recht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
1.
De autoriteit voert periodieke collegiale toetsingen van sommige of alle activiteiten van niet-financiële toezichthouders uit, alsook van de overheidsinstanties als bedoeld in artikel 52 van Richtlijn (EU) 2024/1640, om de consistentie en de doeltreffendheid van de toezichtresultaten te versterken. De autoriteit ontwikkelt methoden om een objectieve beoordeling en vergelijking van de getoetste niet-financiële toezichthouders mogelijk te maken. Bij de planning en uitvoering van beoordelingen wordt zo nodig terdege rekening gehouden met de evaluaties, beoordelingen en verslagen die zijn opgesteld door internationale organisaties en intergouvernementele organen met bevoegdheden op het gebied van AML/CFT. Bij de beoordelingen kan ook terdege rekening worden gehouden met de informatie in de op grond van artikel 11 van deze verordening opgezette centrale AML/CFT-databank.
Bij de in de eerste alinea bedoelde methoden wordt rekening gehouden met de specifieke kenmerken van het toezichtskader in gevallen waarin zelfregulerende organen belast zijn met toezicht, met inbegrip van de rol van de overheidsinstantie die verantwoordelijk is voor het toezicht op die organen op grond van artikel 52 van Richtlijn (EU) 2024/1640, en de specifieke kenmerken van de toezichthouders in die gevallen.
2.
Collegiale toetsing wordt uitgevoerd door de personeelsleden van de autoriteit, in samenwerking met de relevante personeelsleden van de niet-financiële toezichthouders en van de overheidsinstanties als bedoeld in artikel 52 van Richtlijn (EU) 2024/1640.
3.
De collegiale toetsing omvat een beoordeling van onder meer, maar niet uitsluitend, het volgende:
- a)
de adequaatheid van de bevoegdheden en van de financiële, personele en technische middelen, de mate van onafhankelijkheid, de governanceregelingen en de professionele normen van de niet-financiële toezichthouders met het oog op de effectieve toepassing van hoofdstuk IV van Richtlijn (EU) 2024/1640;
- b)
de doeltreffendheid en de mate van convergentie in het kader van de toepassing van het Unierecht en in het kader van de toezichtspraktijk, en de mate waarin de in het Unierecht vastgestelde doelstellingen met de toezichtspraktijk worden bereikt;
- c)
de toepassing van door niet-financiële toezichthouders ontwikkelde beste praktijken die voor andere niet-financiële toezichthouders nuttig kunnen zijn;
- d)
de doeltreffendheid en de mate van convergentie in het kader van de handhaving van de bepalingen die zijn goedgekeurd ter uitvoering van het Unierecht, met inbegrip van de geldboeten die zijn opgelegd en de administratieve maatregelen die zijn toegepast jegens personen die verantwoordelijkheid dragen voor het niet-naleven van die bepalingen.
4.
De autoriteit legt een verslag met de resultaten van de collegiale toetsing voor. Het collegiale-toetsingsverslag wordt gezamenlijk opgesteld door het personeel van de autoriteit en het desbetreffende personeel van de niet-financiële toezichthouders en van de overheidsinstanties als bedoeld in artikel 52 van Richtlijn (EU) 2024/1640 die betrokken zijn bij de collegiale toetsing en wordt goedgekeurd door de raad van bestuur, nadat die de opmerkingen van de algemene raad in toezichtsamenstelling heeft ontvangen over de vraag of de methode consistent wordt toegepast in vergelijking met andere collegiale-toetsingsverslagen. In het verslag wordt vermeld en toegelicht welke follow-upmaatregelen volgens de collegiale toetsing passend, evenredig en noodzakelijk worden geacht. Die follow-upmaatregelen kunnen de vorm aannemen van richtsnoeren en aanbevelingen op grond van artikel 54 en adviezen op grond van artikel 55 van deze verordening. De niet-financiële toezichthouders en de overheidsinstanties als bedoeld in artikel 52 van Richtlijn (EU) 2024/1640 stellen alles in het werk om te voldoen aan de overeenkomstig artikel 54, lid 3, van deze verordening opgestelde richtsnoeren en aanbevelingen.
5.
De autoriteit maakt de bevindingen van de collegiale toetsing bekend op haar website en stelt ten minste het Europees Parlement daarvan in kennis. Zij legt de Commissie een advies voor wanneer zij, gelet op het resultaat van de collegiale toetsing of andere informatie die zij bij de uitvoering van haar taken heeft verkregen, van oordeel is dat verdere harmonisering van de Unieregels voor meldingsplichtige entiteiten in de niet-financiële sector of voor niet-financiële toezichthouders noodzakelijk zou zijn vanuit het oogpunt van de Unie.
6.
De autoriteit legt twee jaar na de bekendmaking van het collegiale-toetsingsverslag een follow-upverslag voor. Het follow-upverslag wordt gezamenlijk opgesteld door het personeel van de autoriteit en het desbetreffende personeel van de niet-financiële toezichthouders die betrokken waren bij de collegiale toetsing en wordt goedgekeurd door de raad van bestuur, nadat die de opmerkingen van de algemene raad in toezichtsamenstelling heeft ontvangen over de vraag of de methode consistent wordt toegepast in vergelijking met andere collegiale-toetsingsverslagen. Het follow-upverslag omvat een beoordeling van de adequaatheid en doeltreffendheid van de acties die de collegiaal getoetste niet-financiële toezichthouders naar aanleiding van de follow-upmaatregelen van het collegiale-toetsingsverslag hebben ondernomen. De autoriteit maakt de bevindingen van het follow-upverslag bekend op haar website.
7.
Voor de toepassing van dit artikel stelt de raad van bestuur, na raadpleging van de algemene raad in toezichtsamenstelling, om de twee jaar een werkplan voor collegiale toetsing vast. In dat werkplan voor collegiale toetsing wordt rekening gehouden met de uit de vorige collegiale toetsingen getrokken lessen en met de besprekingen van de algemene raad in toezichtsamenstelling. De algemene raad in toezichtsamenstelling kan met een tweederdemeerderheid van zijn leden eisen dat de raad van bestuur een nieuw plan goedkeurt. Het werkplan voor collegiale toetsing vormt een apart onderdeel van het jaarlijkse en het meerjarige werkprogramma en wordt opgenomen in het in artikel 65 bedoelde enig programmeringsdocument. In geval van dringende of onvoorziene gebeurtenissen kan de autoriteit besluiten aanvullende collegiale toetsingen uit te voeren.
8.
Indien collegiale toetsingen betrekking hebben op toezichtactiviteiten die in een of meerdere lidstaten door zelfregulerende organen worden uitgevoerd, omvat de collegiale toetsing een beoordeling van maatregelen die op grond van artikel 52 van Richtlijn (EU) 2024/1640 zijn genomen door de overheidsinstantie die toezicht op die organen moet houden om ervoor te zorgen dat zij hun functie naar behoren en doeltreffend vervullen.
9.
Indien collegiale toetsingen betrekking hebben op toezichtactiviteiten die in een of meerdere lidstaten door zelfregulerende organen worden uitgevoerd, zijn die zelfregulerende organen niet verplicht deel te nemen. Wanneer zij echter blijk geven van belangstelling om deel te nemen aan een collegiale toetsing, mag het personeel van die organen dat belast is met toezichttaken aan die collegiale toetsing deelnemen.