Einde inhoudsopgave
Integraal Beheerplan Noordzee 2015
2 De pijlers onder het integraal beheer
Geldend
Geldend vanaf 18-11-2011
- Bronpublicatie:
11-11-2011, Stcrt. 2011, 20771 (uitgifte: 18-11-2011, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Inwerkingtreding
18-11-2011
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
11-11-2011, Stcrt. 2011, 20771 (uitgifte: 18-11-2011, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Overige regelgevende instantie(s)
Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie
Ministerie van Defensie
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Bijzondere onderwerpen
Natuurbeschermingsrecht / Gebiedsbescherming
Waterrecht (V)
Vervoersrecht / Zeevervoer
Energierecht (V)
De gezonde, veilige en rendabele zee: deze drie pijlers samen waarborgen het integrale karakter van het Noordzeebeheer. Het gebruik heeft geen nadelig effect op het ecosysteem, de veiligheid van mensen staat centraal en economische functies kunnen zich — binnen randvoorwaarden — optimaal ontwikkelen.
In het IBN 2015 uit 2005 zijn de beheertaken en gebruiksfuncties ondergebracht in aparte hoofdstukken over de drie pijlers. Om praktische redenen ordent deze herziening alle geactualiseerde informatie zoveel mogelijk per beheertaak en gebruiksfunctie. Dat neemt niet weg dat het integrale karakter van het Noordzeebeheer in zijn volle omvang blijft gelden. Dit hoofdstuk beschrijft daarom beknopt de werking die uitgaat van de thema's gezonde, veilige en rendabele zee.
2.1. Gezonde zee
De Noordzee is gezond als de negatieve effecten van menselijk handelen op het ecosysteem is tot een minimum zijn teruggebracht. Dit betekent verbeteren van de chemische kwaliteit door de terugdringing van de emissies van vreemde stoffen. De ecologische kwaliteit is deels afhankelijk van de waterkwaliteit, maar ook van veel andere factoren, waaronder verstoring, ingrepen in natuurlijke leefgebieden en rechtstreekse bedreiging van bepaalde soorten, bijvoorbeeld door visserij. Ecologische kwaliteit wordt in het Noordzeebeleid bepaald aan de hand van de biodiversiteit, ofwel de rijkdom aan soorten en de compleetheid van gebiedsspecifieke leefgemeenschappen.
In essentie waarborgt het aspect ‘Gezonde zee’ dat gebruik geen nadelig effect heeft op het mariene ecosysteem. Belangrijke kaders daarvoor zijn: Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM), Natura 2000, Kaderrichtlijn Water (KRW) en OSPAR.
2.1.1. Schoon zwemwater
In het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren (BPRW) zijn in de kustzone van de Noordzee enkele tientallen plaatsen aangewezen als rijkswater met een zwemwaterfunctie. Het water moet op de aangewezen zwemwaterlocaties (meetpunten) aan wettelijke kwaliteitsnormen voldoen.
De minister van Infrastructuur en Milieu is als waterbeheerder verantwoordelijk voor de zwemwaterkwaliteit van de zwemwaterlocaties die in het BPRW zijn aangewezen.
2.2. Veilige zee
Bij dit thema staat de veiligheid van mensen centraal. Onder de noemer veiligheid vallen de zorg voor het kustfundament, veilig scheepvaartverkeer en maritieme noodhulp.
2.2.1. Kustfundament
De zorg voor het kustfundament is gestoeld op twee principes: het handhaven van de basiskustlijn (BKL) en het handhaven van de zandbalans. De basiskustlijn is de ligging van de kust bij gemiddeld laag water zoals die in 1990 is vastgesteld. De zandbalans is de hoeveelheid zand in het gehele kustfundament, dus vanaf de doorgaande NAP -20 meter dieptelijn tot aan de binnenduinrand. Dit fundament moet voldoende solide zijn en blijven. Gezien de verwachte zeespiegelstijging en daarmee de gepaard gaande mogelijke toename van de suppletiebehoefte ontstaat de noodzaak om de zandvoorraad efficiënter te gaan beheren.
2.2.2. Scheepvaart
De Internationale Maritieme Organisatie (IMO) en in toenemende mate de EU bepalen het veiligheidsbeleid voor de scheepvaart. In het veiligheidsbeleid ligt de nadruk op het voorkómen van ongevallen en het beperken van de gevolgen van ongevallen voor mens en milieu. Structurele problemen omtrent de verkeersafwikkeling of veiligheid hebben zich de laatste jaren niet voorgedaan. De Noordzee is ondanks het intensieve gebruik een relatief veilige zee. Het aantal ongevallen bleef de laatste jaren stabiel onder de streefwaarde van maximaal 20 per jaar, met uitzondering van 2010, toen er 24 ongevallen zijn geregistreerd. Beleid en beheer zijn gericht op het ten minste handhaven en waar mogelijk verbeteren van het veiligheidsniveau op zee.
Met ingang van 2011 is de registratieprocedure van de scheepsongevallen op het Nederlandse deel van de Noordzee aangepast, zodat ook ongevallen die plaatsvinden in de havenaanloopgebieden op zee, in de Westerscheldemonding en in de kustzones worden meegenomen. Tevens bevatten de cijfers naast ongevallen met koopvaardij en visserij ook de zeer ernstige en ernstige ongevallen waarbij alleen recreatievaart is betrokken. Deze ongevallen waren voorheen niet meegenomen in de rapportage. Verder worden de ongevallen geclassificeerd volgens de internationale definities van de IMO. In de Begroting wordt alleen gerapporteerd over de zeer ernstige scheepvaartongevallen (doden, verlies schip, ernstige milieuverontreiniging) en ernstige scheepvaartongevallen (ongevallen, waarbij sprake is van ernstige schade aan het schip of schade aan het milieu).Het streven is om in het kader van permanente verbetering van de veiligheid jaarlijks een vermindering van het totaal van het aantal zeer ernstige en ernstige scheepvaartongevallen op de Noordzee te bereiken.
2.2.3. Maritieme noodhulp
Onder maritieme noodhulp vallen alle handelingen en voorzieningen voor het redden van mensen op zee en het beperken van schade aan het mariene milieu en de kust. Internationaal zijn hierover meerdere verdragen gesloten. Het rijk is ervoor verantwoordelijk dat de maatregelen die hieruit voortvloeien, effectief worden uitgevoerd.
In de organisatie en structuur die hiervoor beschikbaar is, staan de volgende begrippen centraal: nood-, spoed- en veiligheidscommunicatie (NSV), search and rescue (SAR) en rampen- en incidentenbestrijding (RIB) en maritieme hulpverlening (MAS).
2.3. Rendabele zee
De Noordzee heeft tal van economische functies: scheepvaart, visserij, de winning van oppervlaktedelfstoffen, olie- en gaswinning, energieopwekking uit windkracht, en recreatie. De economische functie wordt vooral nationaal gereguleerd via sectoraal beleid; de zeevisserij ook in sterke mate communautair en de scheepvaart internationaal. Dat beleid beschrijft hoe de verschillende sectoren zich — binnen ecologische randvoorwaarden — optimaal kunnen ontwikkelen. Het integraal afwegingskader in dit IBN is hiervoor een belangrijk instrument.
2.3.1. Overkoepelend beleid
Het beleid voor de economische functies van de Noordzee is per sector of gebruiksfunctie vastgelegd. In het Nationaal Waterplan is overkoepelend beleid vastgesteld om de economische ontwikkeling duurzaam te sturen en de beschikbare ruimte efficiënt te benutten. Het integraal afwegingskader in hoofdstuk 4 is daarop aangepast.
2.3.2. Veelzijdige benutting
De economische betekenis van de scheepvaart is sterk verbonden met de Nederlandse zeehavens. De havens hebben een sleutelfunctie in de Nederlandse economie.
De visserijsector staat zwaar onder druk van zowel internationale regelgeving als afnemende vangstmogelijkheden. Mede daardoor toont de sector een wil om over te schakelen op duurzame methoden en technieken.
De winning van oppervlaktedelfstoffen is de afgelopen jaren sterk toegenomen. De vraag naar zand voor kustonderhoud zal als gevolg van de zeespiegelstijging nog verder toenemen. Dat vraagt — met het oog op duurzaamheid en afstemming met andere functies — om een zandwinstrategie.
Opwekking van windenergie op de Noordzee heeft in het Nationaal Waterplan de status ‘nationaal belang’ en zal zich mogelijk op termijn uitbreiden.