Einde inhoudsopgave
Verordening (EG) nr. 6/2002 betreffende Uniemodellen
Artikel 19 Aan het Uniemodel verbonden rechten
Geldend
Geldend van 08-12-2024 tot 01-07-2026
- Redactionele toelichting
Wordt toegepast vanaf 01-05-2025. Gecorrigeerd via een rectificatie (PbEU L, 2025/91037).
- Bronpublicatie:
23-10-2024, PbEU L 2024, 2024/2822 (uitgifte: 18-11-2024, regelingnummer: 2024/2822)
- Inwerkingtreding
08-12-2024
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
23-10-2024, PbEU L 2024, 2024/2822 (uitgifte: 18-11-2024, regelingnummer: 2024/2822)
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht / Modellen- en merkenrecht
1.
Een ingeschreven Uniemodel verleent aan de houder ervan het exclusieve recht om het te gebruiken en om derden aan wie de houder daartoe geen toestemming heeft gegeven, te beletten het te gebruiken.
2.
Uit hoofde van lid 1 kan met name het volgende worden verboden:
- a)
het vervaardigen, aanbieden, in de handel brengen of gebruiken van een voortbrengsel waarin het model is verwerkt of waarop het model wordt toegepast;
- b)
het invoeren of uitvoeren van een in punt a) bedoeld voortbrengsel;
- c)
het voor de in de punten a) en b) genoemde doeleinden in voorraad hebben van een in punt a) bedoeld voortbrengsel;
- d)
het creëren, downloaden, kopiëren en delen of verspreiden onder anderen van een drager waarop of software waarin het model is vastgelegd, teneinde een in punt a) bedoeld voortbrengsel te kunnen maken.
3.
De houder van een ingeschreven Uniemodel heeft het recht derden te beletten in het economische verkeer voortbrengselen binnenbrengen in de Unie vanuit derde landen zonder dat deze in de Unie in het vrije verkeer worden gebracht, indien het model op identieke wijze is verwerkt in of is toegepast op die voortbrengselen, of indien het model in zijn belangrijkste kenmerken niet van dergelijke voortbrengselen kan worden onderscheiden, en de toestemming van de houder van het recht niet is verleend.
Het in de eerste alinea van dit lid bedoelde recht vervalt indien door de aangever of de houder van de voortbrengselen tijdens de procedure om te bepalen of inbreuk is gemaakt op het Uniemodel, die is ingeleid overeenkomstig Verordening (EU) nr. 608/2013 van het Europees Parlement en de Raad (1), het bewijs wordt geleverd dat de houder van het ingeschreven Uniemodel niet gerechtigd is om het op de markt brengen van de voortbrengselen in het land van de eindbestemming te verbieden.
4.
De houder van een niet-ingeschreven Uniemodel mag de in de leden 1 en 2 genoemde handelingen alleen beletten als het aangevochten gebruik voortvloeit uit het namaken van het beschermde model.
Het in de eerste alinea bedoelde aangevochten gebruik wordt niet beschouwd als voortvloeiende uit het namaken van het niet-ingeschreven Uniemodel indien dit gebruik voortvloeit uit onafhankelijk scheppend werk door een ontwerper van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij of zij het door de rechthebbende openbaar gemaakte model niet kende.
5.
Lid 4 van dit artikel is ook van toepassing op een ingeschreven Uniemodel waarvan de publicatie is opgeschort, zolang de relevante inschrijvingen in het register en het dossier niet overeenkomstig artikel 50, lid 4, voor het publiek beschikbaar zijn gesteld.
Voetnoten
Verordening (EU) nr. 608/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 inzake de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten door de douane en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1383/2003 van de Raad (PB L 181 van 29.6.2013, blz. 15).