Einde inhoudsopgave
Besluit activiteiten leefomgeving - Nota van toelichting
2.3.6 Complexe bedrijven
Geldend
Geldend vanaf 31-08-2018
- Bronpublicatie:
03-07-2018, Stb. 2018, 293 (uitgifte: 31-08-2018, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Inwerkingtreding
31-08-2018
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
03-07-2018, Stb. 2018, 293 (uitgifte: 31-08-2018, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Vakgebied(en)
Omgevingsrecht / Algemeen
Omgevingsrecht / Omgevingswet
Met de term ‘complexe bedrijven’ wordt een aantal categorieën bedrijven aangeduid die vanwege de aard en omvang grote gevolgen kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. Deze gevolgen betreffen met name de grote invloed die de bedrijven kunnen hebben op de ruimtelijke keuzes in de omgeving en de nadelige gevolgen voor de veiligheid, de gezondheid en het milieu.
Met de term complexe bedrijven worden bedrijven aangeduid die de volgende activiteiten verrichten:
- a.
activiteiten die vallen onder de Seveso-richtlijn;
- b.
activiteiten met betrekking tot ippc-installaties die voldoen aan een van de volgende criteria:
- —
er is sprake van bovengemeentelijke milieugevolgen;
- —
er is sprake van een hoog milieurisico, ook gelet op nieuwe stoffen en technieken.
- c.
activiteiten met betrekking tot een aantal andere milieubelastende installaties, die ook aan de onder b genoemde criteria voldoen.
De mogelijke nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving van deze bedrijven hebben zowel te maken met de reguliere activiteiten die de bedrijven verrichten als met de gevolgen van een ongewoon voorval, mocht dat ondanks de regels die gericht zijn op het voorkomen daarvan toch aan de orde zijn. De mogelijke nadelige gevolgen van deze complexe bedrijven worden in het stelsel langs een aantal categorieën van activiteiten gereguleerd. Voor het vestigen van deze bedrijven zullen veelal op deze specifieke bedrijfscategorie toegesneden regels in het omgevingsplan gelden, waarbij ook een afwijkvergunning een rol kan spelen. Activiteiten van deze bedrijven hebben potentieel grote milieugevolgen en zijn bepalend voor het bereiken van landelijke en Europese milieudoelen. De bedrijven vallen onder het begrip milieubelastende activiteiten en verrichten in veel gevallen ook andere activiteiten die vanwege bescherming van het milieu in het stelsel zijn opgenomen, zoals de lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk of de wateronttrekkingsactiviteit. Bij ligging langs het water is er vaak ook sprake van een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk. En uiteraard zal bij het vestigen of wijzigen van deze bedrijven vaak sprake zijn van een bouwactiviteit.
Het zo veel mogelijk beperken van de nadelige gevolgen voor de leefomgeving vraagt bij deze bedrijven een individuele voorafgaande beoordeling. Om die reden zijn deze bedrijven vergunningplichtig voor zowel de milieubelastende activiteit als de lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk. Ook zijn deze bedrijven veelal mer-plichtig, is de richtlijn industriële emissies van toepassing en vallen ze onder het verdrag van Aarhus. Naast de vergunningplicht gelden vanwege harmonisatie, implementatie en het borgen van landelijke en Europese doelen voor de leefomgeving voor deze bedrijven ook algemene (rijks)regels. Op de verhouding tussen vergunningplicht en algemene rijksregels wordt nader ingegaan in paragraaf 4.5.2 van deze toelichting.
Vanwege de kenmerken van de complexe bedrijven en met name de relatief hoge milieu-invloed daarvan is het van belang dat één bevoegd gezag toeziet op alle activiteiten die het bedrijf ontplooit en die er qua effect op de leefomgeving toe doen, ook als het gaat om activiteiten die niet vanwege het milieueffect worden gereguleerd (zoals de bouwactiviteit of een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een weg). Dit vanwege de mogelijke invloed die ook deze activiteiten op het beheersen van milieurisico's binnen deze complexe bedrijven zouden kunnen hebben. Ook vereisen zowel de richtlijn industriële emissies als de Seveso-richtlijn een samenhangende benadering van de milieugevolgen van deze bedrijven. In het Omgevingsbesluit wordt daarom in aansluiting op artikel 5.13 van de wet (eens bevoegd gezag, altijd bevoegd gezag) voor aanvragen van omgevingsvergunningplichtige activiteiten met betrekking tot deze complexe bedrijven in beginsel geregeld dat deze door één bevoegd gezag worden afgehandeld, ongeacht welke vergunningplichtige activiteiten het betreft en of deze gelijktijdig worden aangevraagd. Gelet op het vaak gemeenteoverstijgende niveau van de gevolgen van deze bedrijven zijn in het Omgevingsbesluit gedeputeerde staten als bevoegd gezag aangewezen. In aansluiting daarop regelt dit besluit, dat ook voor alle algemene rijksregels gedeputeerde staten bevoegd gezag zijn, en leidt artikel 18.2 van de wet ertoe dat aan gedeputeerde staten ook de handhavingstaak is toebedeeld. Omdat gedeputeerde staten bevoegd gezag zijn voor de afwijkactiviteit, kunnen ze daarbij ook toezien op de regels in het omgevingsplan, en bij het overtreden daarvan handhavend optreden.
De enige uitzondering op de één bevoegd gezag regeling voor de complexe bedrijven vormen de wateractiviteiten, waarvoor zowel in het Omgevingsbesluit (voor de vergunningplichtige activiteiten) als dit besluit (voor de activiteiten die onder algemene regels vallen) de waterbeheerder als bevoegd gezag is aangewezen. De wet biedt op zich de mogelijkheid om ook de bevoegdheid voor de wateractiviteiten bij complexe bedrijven bij gedeputeerde staten te leggen (dit volgt uit de artikelen 4.10, 5.8 en 5.9). Daarvoor is niet gekozen, gelet op de afspraken met de Unie van Waterschappen. Om de integrale benadering van deze bedrijven ook bij het afzonderlijk verlenen van vergunningen voor wateractiviteiten te borgen bevat de wet in paragraaf 16.2.2 een coördinatieregeling bij het verlenen van vergunningen, waarbij gedeputeerde staten zo nodig de waterbeheerder instructie kunnen geven over de inhoud van de vergunning. Daarnaast wordt er op vertrouwd dat toezicht en handhaving van zowel omgevingsvergunningen als algemene rijksregels gecoördineerd zullen plaatsvinden, waarbij de gespecialiseerde omgevingsdiensten een belangrijke rol spelen.
Bij het beperken van de nadelige gevolgen voor de leefomgeving van deze bedrijven is ook een naadloze aansluiting tussen de regels in de vergunning en de regels in het omgevingsplan van belang. Dit allereerst omdat het omgevingsplan zelf een deel van de milieugevolgen regelt, ook gelet op de instructieregels die in het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn gesteld over de onderwerpen externe veiligheid, geluid en geur. Daarnaast zijn regels van het omgevingsplan ook bepalend voor het ten opzichte van elkaar kunnen positioneren van bijvoorbeeld risicovolle installaties en andere objecten en het kunnen realiseren van optimale ontsluiting van de locatie van het bedrijf, ook in verband met bereikbaarheid voor hulpdiensten. Vanwege deze nauwe verhouding tussen de regels in de vergunning en in het omgevingsplan is voor deze bedrijven in het Omgevingsbesluit een bijzondere regeling van de betrokkenheid van de gemeente bij het verlenen van een afwijkvergunning opgenomen.
Op de bijzondere regeling voor complexe bedrijven wordt nader ingegaan op de volgende plaatsen van het algemeen deel van de nota van toelichting bij dit besluit en het Omgevingsbesluit:
- —
Aanwijzing van de vergunningplicht en algemene rijksregels bij complexe bedrijven: nota van toelichting bij dit besluit, paragraaf 4.5.2;
- —
Bevoegd gezag regeling en betrokkenheid andere bestuursorganen bij vergunningverlening aan complexe bedrijven: nota van toelichting bij het Omgevingsbesluit, paragraaf 4.3.4.