Einde inhoudsopgave
Verordening (EU) 2021/1119 tot vaststelling van een kader voor de verwezenlijking van klimaatneutraliteit, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 401/2009 en Verordening (EU) 2018/1999
Artikel 4 Tussentijdse klimaatdoelstellingen van de Unie
Geldend
Geldend vanaf 07-04-2026
- Bronpublicatie:
11-03-2026, PbEU L 2026, 2026/667 (uitgifte: 18-03-2026, regelingnummer: 2026/667)
- Inwerkingtreding
07-04-2026
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
11-03-2026, PbEU L 2026, 2026/667 (uitgifte: 18-03-2026, regelingnummer: 2026/667)
- Vakgebied(en)
Milieurecht / Lucht
EU-recht / Algemeen
Milieurecht / Algemeen
Milieurecht / Milieubeheer en -beleid
Milieurecht / Energie
1.
Om de in artikel 2, lid 1, vastgestelde doelstelling inzake klimaatneutraliteit te bewerkstelligen, is de bindende klimaatdoelstelling van de Unie voor 2030 een reductie binnen de Unie van netto-broeikasgasemissies (emissies na aftrek van verwijderingen) van ten minste 55 % in 2030 ten opzichte van de niveaus van 1990.
Bij de verwezenlijking van de in de eerste alinea bedoelde doelstelling geven de betrokken instellingen van de Unie en de lidstaten prioriteit aan snelle en voorspelbare emissiereducties en verbeteren zij tegelijkertijd verwijderingen per natuurlijke put.
Om ervoor te zorgen dat tot 2030 voldoende mitigatie-inspanningen worden geleverd, wordt, voor de toepassing van deze verordening en onverminderd de in lid 2 bedoelde evaluatie van Uniewetgeving, de bijdrage van nettoverwijderingen aan de klimaatdoelstelling van de Unie voor 2030 beperkt tot 225 miljoen ton CO2-equivalent. Om de koolstofputten van de Unie uit te breiden in overeenstemming met de doelstelling om uiterlijk in 2050 klimaatneutraliteit te bereiken, streeft de Unie ernaar in 2030 een hoger volume nettokoolstofputten te bereiken.
2.
Uiterlijk op 30 juni 2021 evalueert de Commissie relevante Uniewetgeving om de verwezenlijking van de in lid 1 van dit artikel vastgestelde doelstelling en de in artikel 2, lid 1, genoemde doelstelling inzake klimaatneutraliteit mogelijk te maken en neemt zij de nodige maatregelen in overweging, waaronder de vaststelling van wetgevingsvoorstellen, overeenkomstig de Verdragen.
In het kader van de in de eerste alinea bedoelde evaluatie en toekomstige evaluaties beoordeelt de Commissie met name of er op grond van het Unierecht passende instrumenten en stimulansen beschikbaar zijn om de vereiste investeringen in te zetten en stelt zij waar nodig maatregelen voor.
Na vaststelling van de wetgevingsvoorstellen door de Commissie houdt de Commissie toezicht op de wetgevingsprocedures voor de verschillende voorstellen en kan zij aan het Europees Parlement en de Raad verslag uitbrengen over de vraag of de verwachte uitkomst van deze wetgevingsprocedures, samen in overweging genomen, de in lid 1 genoemde doelstelling zou verwezenlijken. Indien de verwachte uitkomst geen resultaat zou opleveren dat in overeenstemming is met de in lid 1 genoemde doelstelling, kan de Commissie de nodige maatregelen nemen, waaronder de vaststelling van wetgevingsvoorstellen, in overeenstemming met de Verdragen.
3.
Om de in artikel 2, lid 1, vastgestelde doelstelling inzake klimaatneutraliteit te bewerkstelligen, is de bindende klimaatdoelstelling van de Unie voor 2040 een reductie van netto-broeikasgasemissies (emissies na aftrek van verwijderingen) van 90 % tegen 2040 ten opzichte van de niveaus van 1990.
4.
Met het oog op de periode na 2030 evalueert de Commissie relevante Uniewetgeving om de verwezenlijking van de in lid 3 van dit artikel vastgestelde doelstelling en de in artikel 2, lid 1, vastgestelde doelstelling inzake klimaatneutraliteit mogelijk te maken en neemt zij, indien passend, de nodige maatregelen op basis van gedetailleerde effectbeoordelingen, overeenkomstig de Verdragen.
De Commissie blijft de initiatieven met betrekking tot het faciliterend kader versterken en streeft ernaar de vaststelling en de uitvoering ervan te versnellen om ervoor te zorgen dat de voorwaarden vervuld zijn om getroffen rechtspersonen en natuurlijke personen, zoals de Europese industrie en burgers, gedurende de gehele transitie te helpen om de in de leden 1 en 3 van dit artikel genoemde doelstellingen, de in artikel 2, lid 1, genoemde doelstelling inzake klimaatneutraliteit en een klimaatneutrale economie te bereiken.
5.
In het kader van de in lid 4, eerste alinea, bedoelde evaluatie zorgt de Commissie, om de verwezenlijking van de in lid 3 vastgestelde doelstelling te vergemakkelijken, ervoor dat de volgende elementen op passende wijze in de wetgevingsvoorstellen worden weerspiegeld:
- a)
vanaf 2036 een adequate bijdrage aan de klimaatdoelstelling voor 2040 van hoogwaardige internationale kredieten uit hoofde van artikel 6 van de Overeenkomst van Parijs tot 5 % van de netto-emissies in de Unie van 1990, hetgeen overeenkomt met een reductie binnen de Unie van netto-broeikasgasemissies van 85 % tegen 2040 ten opzichte van de niveaus van 1990, op een wijze die zowel ambitieus als kosteneffectief is, ter ondersteuning van de Unie en derde landen bij het verwezenlijken van trajecten voor netto-broeikasgasreductie die verenigbaar zijn met de doelstelling van de Overeenkomst van Parijs om de stijging van de wereldwijde gemiddelde temperatuur ruim onder 2 °C te houden en inspanningen te blijven leveren om de temperatuurstijging te beperken tot 1,5 °C boven de pre-industriële niveaus, waarbij de milieu-integriteit van die kredieten wordt gewaarborgd en tegelijkertijd het technologische leiderschap van de Unie wordt bevorderd; een proefperiode van 2031 tot en met 2035 om een hoogwaardige internationale markt met hoge integriteit voor kredieten op te zetten, kan worden overwogen; de oorsprong, kwaliteitscriteria en andere voorwaarden voor de verwerving en het gebruik van dergelijke kredieten worden gereguleerd in het Unierecht om ervoor te zorgen dat zij, met het oog op de verwezenlijking van klimaatdoelstellingen en -beleidsmaatregelen die verenigbaar zijn met de temperatuurdoelstelling op lange termijn zoals vastgelegd in de Overeenkomst van Parijs, gebaseerd zijn op geloofwaardige en transformatieve activiteiten in partnerlanden, dat zij onderworpen zijn aan solide waarborgen, waaronder die van integriteit, vermijding van dubbeltelling, additionaliteit, continuïteit, transparante governance, sterke monitoring-, rapportage- en verificatiemethoden, dat zij economische, sociale en milieu-nevenvoordelen en waarborgen op het gebied van de mensenrechten garanderen, en dat zij gepaard gaan met een hoog ambitieniveau wat betreft het aandeel van de opbrengsten dat wordt gebruikt voor aanpassing, en het delen van de mitigatievoordelen met de betrokken landen; bij de vaststelling van de kwaliteitscriteria onderzoekt de Commissie in voorkomend geval of het dienstig is de uit hoofde van artikel 6, lid 4, van de Overeenkomst van Parijs vastgestelde criteria aan te vullen om ervoor te zorgen dat die waarborgen en de hoogste kwaliteit van internationale kredieten in acht worden genomen, met name op het punt van continuïteit en mensenrechten;
- b)
de rol van permanente verwijderingen in de Unie in het kader van het bij Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (1) vastgestelde systeem voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Unie (het ‘EU-ETS’) ter compensatie van resterende moeilijk te beperken emissies;
- c)
meer flexibiliteit binnen en tussen sectoren en instrumenten om de verwezenlijking van de doelstellingen op eenvoudige en kosteneffectieve wijze te ondersteunen;
- d)
het realistische aandeel van koolstofverwijderingen in de totale emissiereductie-inspanning, waarbij rekening wordt gehouden met de onzekerheden die gepaard gaan met natuurlijke verwijderingen en ervoor wordt gezorgd dat eventuele tekorten niet door andere economische sectoren moeten worden opgevangen, onverminderd de mogelijkheid voor de lidstaten om overschotten aan natuurlijke verwijderingen in te zetten om hun emissies in andere sectoren te compenseren;
- e)
de noodzaak om, indien van toepassing, natuurlijke putten op lange termijn in stand te houden, te beheren en te verbeteren, de biodiversiteit te beschermen en te herstellen, een duurzame en circulaire bio-economie te bevorderen en rekening te houden met de effecten van verschillen in de leeftijdsstructuur van bossen, natuurlijke variabiliteit en onzekerheden, met name in verband met de gevolgen van de klimaatverandering en natuurlijke verstoringen in de sectoren landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw;
- f)
de doelstellingen en inspanningen van de lidstaten voor de periode na 2030 moeten in het teken staan van kostenefficiëntie en solidariteit, rekening houdend met de verschillende nationale omstandigheden en specifieke kenmerken, met inbegrip van die van eilanden en ultraperifere gebieden;
- g)
het beste beschikbare en meest recente wetenschappelijke bewijs, met inbegrip van de meest recente rapporten van de IPCC en de adviesraad;
- h)
rde sociale, economische en milieueffecten in alle lidstaten, onder meer met betrekking tot de doelstellingen van decarbonisatie en concurrentievermogen voor de Europese industrie;
- i)
de kosten van het uitblijven van maatregelen en de voordelen van maatregelen op middellange tot lange termijn;
- j)
de noodzaak om een billijke en rechtvaardige, pragmatische, kosteneffectieve en sociaal evenwichtige transitie voor iedereen te waarborgen en te ondersteunen, rekening houdend met de verschillende nationale omstandigheden en met bijzondere aandacht voor het effect op de consumentenprijzen, energiearmoede en vervoersarmoede, en voor regio’s en sectoren, met inbegrip van hun investeringscapaciteit, kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s), landbouwers en kwetsbare huishoudens die worden getroffen door de transitie naar klimaatneutraliteit;
- k)
vereenvoudiging en vermindering van de administratieve lasten, technologieneutraliteit, kosteneffectiviteit, economische efficiëntie en economische veiligheid;
- l)
klimaatactie als aanjager van investeringen, innovatie en een groter concurrentievermogen;
- m)
de noodzaak om de veerkracht en het mondiale concurrentievermogen van de economie van de Unie te versterken en het risico op koolstoflekkage te verminderen, met name voor kmo’s en industriële sectoren die het meest aan het risico op koolstoflekkage, onder meer met betrekking tot de uitvoer, zijn blootgesteld, teneinde eerlijke concurrentie te waarborgen;
- n)
beste beschikbare kosteneffectieve, veilige en schaalbare technologieën;
- o)
beschikbaarheid en betaalbaarheid van energie, voorzieningszekerheid, energiezekerheid en energie-efficiëntie, met inbegrip van het beginsel ‘energie-efficiëntie eerst’, en het versterken van elektriciteitsnetten en interconnecties, teneinde een echte energie-unie tot stand te brengen en binnen de Unie geproduceerde energie te bevorderen;
- p)
de rol van koolstofvrije, koolstofarme en hernieuwbare brandstoffen bij de decarbonisatie van het vervoer, met inbegrip van het wegvervoer na 2030, en concrete maatregelen om fabrikanten van zware bedrijfsvoertuigen te helpen hun streefcijfers te halen, rekening houdend met Europese inhoud;
- q)
rechtvaardigheid en solidariteit tussen en binnen de lidstaten;
- r)
de noodzaak om de doeltreffendheid voor het milieu en de vooruitgang in de loop van de tijd te waarborgen en tegelijkertijd borg te staan voor sociale cohesie, voedselzekerheid en een rechtvaardige transitie;
- s)
investeringsbehoeften en -kansen, met inbegrip van toegang tot publieke en particuliere financiering, en steun voor innovatie en toegang tot innovatieve technologieën in alle lidstaten, rekening houdend met het geografische evenwicht;
- t)
internationale ontwikkelingen en inspanningen om de langetermijndoelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en de uiteindelijke doelstelling van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (United Nations Framework Convention on Climate Change – UNFCCC) te verwezenlijken, alsook de steun van de Unie aan haar partners bij het aanpakken van klimaatverandering en de gevolgen ervan.
6.
Binnen zes maanden na de in artikel 14 van de Overeenkomst van Parijs bedoelde tweede ‘global stocktake’ kan de Commissie voorstellen de klimaatdoelstelling van de Unie voor 2040 te herzien overeenkomstig artikel 11 van deze verordening.
7.
De bepalingen van dit artikel worden voortdurend geëvalueerd in het licht van de internationale ontwikkelingen en de inspanningen ter verwezenlijking van de langetermijndoelstellingen van de Overeenkomst van Parijs, onder meer met betrekking tot het resultaat van internationale besprekingen over gemeenschappelijke termijnen voor nationaal vastgestelde bijdragen.
8.
Vanaf 6 maart 2027 en vervolgens om de twee jaar, beoordeelt de Commissie de uitvoering van de tussentijdse doelstellingen en decarbonisatietrajecten van deze verordening en brengt zij daarover verslag uit, rekening houdend met de meest recente wetenschappelijke gegevens, de technologische vooruitgang en de veranderende uitdagingen en kansen voor het mondiale concurrentievermogen van de Unie. Die beoordeling kan, indien nodig, vergezeld gaan van wetgevingsvoorstellen.
Voetnoten
Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een systeem voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Unie en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (PB L 275 van 25.10.2003, blz. 32, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2003/87/oj).