Einde inhoudsopgave
Besluit activiteiten leefomgeving - Nota van toelichting
18.3.1 EU-richtlijnen, EU-verordeningen en verdragen
Geldend
Geldend vanaf 31-08-2018
- Bronpublicatie:
03-07-2018, Stb. 2018, 293 (uitgifte: 31-08-2018, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Inwerkingtreding
31-08-2018
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
03-07-2018, Stb. 2018, 293 (uitgifte: 31-08-2018, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Vakgebied(en)
Omgevingsrecht / Algemeen
Omgevingsrecht / Omgevingswet
Voor het omgevingsrecht is een groot aantal EU-richtlijnen van belang, evenals enkele EU-verordeningen en verdragen. Een groot deel van de richtlijnen en verdragen wordt in de Omgevingswet en dit besluit opnieuw geïmplementeerd. Uitgangspunt is dat er zo weinig mogelijk aanvullend wordt geregeld ten opzichte van het internationale recht en lastenluw wordt geïmplementeerd. In hoofdstuk 23 van deze toelichting zijn implementatietabellen opgenomen. Ook in de artikelsgewijze toelichting is meer concreet aangegeven waar sprake is van specifieke implementatie(verplichtingen).
Dienstenrichtlijn
De Europese dienstenrichtlijn (2006/123/EG) beoogt de Europese interne dienstenmarkt te verbeteren door de belemmeringen voor het vrije verkeer van diensten en de vrije vestiging van dienstverrichters weg te nemen. Deze richtlijn is met name geïmplementeerd met de Dienstenwet. Daarnaast is de wet- en regelgeving onderzocht op onverenigbaarheid met de richtlijn en zo nodig daarmee in overeenstemming gebracht.
Voor dit besluit is met name hoofdstuk III van de dienstenrichtlijn relevant. Dat hoofdstuk gaat over de vrijheid van vestiging van dienstverrichters. Dit besluit bevat namelijk vooral regels over activiteiten die op een bepaalde locatie worden verricht.
Op de verenigbaarheid van de omgevingsvergunning met het uitgangspunt van de lex silencio positivo gaat de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel voor de Omgevingswet al in.1.
De vraag kan worden gesteld of dit besluit, naast de omgevingsvergunning, nog andere toestemmingen bevat waarop de eisen van de dienstenrichtlijn voor vergunningenstelsels van toepassing zijn. De richtlijn verstaat onder een vergunning een beslissing, uitdrukkelijk of stilzwijgend, over de toegang tot of de uitoefening van een dienst (zie ook artikel 1 van de Dienstenwet). Een maatwerkregel en een maatwerkvoorschrift zouden hieronder kunnen vallen. Of dat het geval is zal van de regel of het voorschrift afhangen. Bij het opstellen van de regel en het voorschrift zal door het bevoegd gezag in ieder geval moeten worden getoetst of aan de verplichtingen van de dienstenrichtlijn wordt voldaan. Daarnaast zullen sommige eisen op grond van de dienstenrichtlijn genotificeerd moeten worden. De eisen die genotificeerd moeten worden zijn opgesomd in de artikelen 15 en 16 van de dienstenrichtlijn.
Onder het vergunningenbegrip van de dienstenrichtlijn vallen de erkenning bodemkwaliteit en de accreditatie. De erkenning is geregeld in het Besluit bodemkwaliteit en blijft hier verder buiten beschouwing. Een verplicht gestelde accreditatie, die op een aantal plaatsen in dit besluit voorkomt, moet worden aangemerkt als een vergunning in de zin van de dienstenrichtlijn. De lex silencio positivo is niet van toepassing verklaard op de accreditatie, omdat dit strijdigheid zou opleveren met verordening (EG) nr. 765/2008. Volgens artikel 2, tiende lid, van die verordening wordt onder accreditatie verstaan een formele verklaring van een nationale accreditatie-instantie. Bij de toepassing van de lex silencio positivo is er geen sprake van een formele verklaring. Ook is het gelet op artikel 5, eerste lid, van die verordening niet logisch om dit op de accreditatie van toepassing te verklaren. Op grond van dat artikellid beoordeelt een nationale accreditatie-instantie namelijk op verzoek van een conformiteitsbeoordelingsinstantie of deze bekwaam is een specifieke conformiteitsbeoordelingsactiviteit uit te voeren. Wanneer zij bekwaam wordt bevonden, geeft de nationale accreditatie-instantie daarvoor een accreditatiecertificaat af. De verordening gaat er dus expliciet van uit dat een accreditatie alleen wordt verleend na een beoordeling waarbij de accreditatie-instantie heeft bevonden dat de instelling bekwaam is. Een verlening van rechtswege na termijnoverschrijding verdraagt zich daar niet mee. In dat geval zouden namelijk ook niet bekwame instellingen van rechtswege geaccrediteerd kunnen worden. Volgens overweging 9 van de verordening bestaat de bijzondere waarde van accreditatie erin dat hierbij een gezaghebbende verklaring wordt afgegeven over de technische bekwaamheid van instanties die overeenstemming met de toepasselijke eisen moeten doen waarborgen. Wanneer een accreditatie van rechtswege wordt verleend bij termijnoverschrijding kun je niet meer stellen dat er sprake is van een gezaghebbende verklaring. Rechtsoverweging 13 van de verordening luidt: ‘Een accreditatiesysteem dat op bindende regels is gebaseerd, draagt bij aan een groter wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten met betrekking tot de bekwaamheid van conformiteitsbeoordelingsinstanties en dus de certificaten en testverslagen van deze instanties.’ Een belangrijke doelstelling van de verordening is dus om dit wederzijdse vertrouwen te bevorderen. Maar dat vertrouwen wordt ernstig geschaad wanneer accreditaties van rechtswege worden verleend. In dat geval worden namelijk instanties geaccrediteerd zonder dat een accreditatie-instantie een beoordeling op bekwaamheid heeft uitgevoerd.
Van verplichtingen die gelden voor grensoverschrijdende dienstverrichting (hoofdstuk IV van de dienstenrichtlijn) kan sprake zijn bij verplichtingen voor dienstverrichters die grensoverschrijdende activiteiten (kunnen) verrichten, zoals laboratoria, inspectie-instellingen en certificatie-instellingen. Artikel 16 van de dienstenrichtlijn bepaalt dat het recht van dienstverrichters moet worden eerbiedigd om diensten te verrichten in een andere lidstaat dan die waar zij zijn gevestigd. De lidstaat waar de dienst wordt verricht moet zorgen voor vrije toegang tot en vrije uitoefening van een dienstenactiviteit op zijn grondgebied. Dit artikel regelt verder dat de lidstaten de toegang tot en de uitoefening van een dienstenactiviteit op hun grondgebied niet afhankelijk mogen maken van de naleving van eisen die discrimineren (onderscheid naar nationaliteit of vestiging) of niet noodzakelijk of evenredig zijn. De eisen in dit besluit zijn van toepassing op alle dienstverrichters en maken daarbij geen onderscheid waardoor voldaan wordt aan het discriminatieverbod. De eisen zijn daarnaast gerechtvaardigd vanwege het belang van de bescherming van het milieu, een door het Europees recht en de dienstenrichtlijn erkende dwingende reden van algemeen belang. De eis van evenredigheid houdt in dat de eis geschikt moet zijn om het doel te bereiken en dat de eis niet verder mag gaan dan nodig is om dit doel te bereiken. In de gevallen dat erkenningen, certificaten, keuringen of normen uit andere lidstaten van de Europese Unie niet gelijk worden gesteld met Nederlandse erkenningen, certificaten, keuringen of normen, gaan de betrokken nationale eisen verder dan nodig is om het doel te bereiken. Zonder gelijkstelling worden dienstverrichters uit andere lidstaten die hun diensten hebben afgestemd op de normen van de betrokken lidstaat of die in hun eigen land zijn gecertificeerd achtergesteld bij Nederlandse dienstverrichters. Dit besluit voorziet daarom in een wederzijdse erkenningsregeling (artikel 1.3).
Grondwaterrichtlijn
De grondwaterrichtlijn (2006/118/EG) heeft tot doel om de verontreiniging van grondwater te voorkomen. Deze richtlijn sluit aan bij de systematiek van de kaderrichtlijn water. Kortheidshalve wordt verwezen naar de toelichting bij de omzetting van die richtlijn. In de hoofdstukken 2 tot en met 5 van dit besluit zijn een specifieke zorgplicht, algemene regels en vergunningplichten opgenomen voor milieubelastende activiteiten. Deze dienen onder andere ter voorkoming of beperking van de verontreiniging van het grondwater, en vormen zo een invulling van de eisen aan het maatregelenprogramma van artikel 11 van de kaderrichtlijn water, die zijn opgenomen in artikel 6 van de grondwaterrichtlijn.
Kaderrichtlijn afvalstoffen
De kaderrichtlijn afvalstoffen (2008/98/EG) heeft als doel de bescherming van het milieu en de menselijke gezondheid door preventie of beperking van de negatieve gevolgen van de productie en het beheer van afvalstoffen en de beperking van gevolgen in het algemeen van het gebruik van hulpbronnen en de verbetering van de efficiëntie van het gebruik ervan. De richtlijn beoogt ertoe bij te dragen de Europese Unie meer tot een recyclingmaatschappij te maken, de productie van afval te voorkomen en afvalstoffen als grondstof te gebruiken.
De richtlijn is vooral geïmplementeerd in artikel 1.1 en in hoofdstuk 10 van de Wet milieubeheer. Daarnaast heeft implementatie plaatsgevonden in diverse algemene maatregelen van bestuur, zoals het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen en het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen, die in een volgende module van de Omgevingswet zullen worden geïntegreerd in het nieuwe stelsel. De op grond van de richtlijn vereiste vergunningplicht was geregeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en het Besluit omgevingsrecht en is nu opgenomen in paragraaf 3.5.11 van dit besluit.
Kaderrichtlijn water
De kaderrichtlijn water (2000/60/EG) heeft tot doel om, kort gezegd, de oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen in een goede toestand te brengen en te houden. De kaderrichtlijn water is grotendeels omgezet via omgevingswaarden, instructieregels en monitoringsbepalingen in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Op grond van artikel 10 van de kaderrichtlijn water moeten de lidstaten er zorg voor dragen dat alle lozingen in oppervlaktewaterlichamen worden beheerst overeenkomstig de in dat artikel genoemde gecombineerde aanpak. Die aanpak bestaat uit het toepassen van op de beste beschikbare technieken gebaseerde beheersingsmaatregelen, emissiegrenswaarden of beheersingsmaatregelen voor diffuse effecten, die zijn opgenomen in een aantal Europese richtlijnen, en het vaststellen van strengere emissiebeheersingsmaatregelen als dat nodig is op grond van een kwaliteitsdoelstelling van de kaderrichtlijn water. In de hoofdstukken 2 tot en met 5 van dit besluit zijn een specifieke zorgplicht, algemene regels en vergunningplichten voor lozingsactiviteiten op oppervlaktewaterlichamen opgenomen, die invulling geven aan deze gecombineerde aanpak. Die vergunningplichten en algemene regels gelden voor zowel de rijkswateren als de regionale wateren. In aanvulling hierop zijn in hoofdstuk 6 en 7 een specifieke zorgplicht, algemene regels en vergunningplichten opgenomen voor lozingsactiviteiten op rijkswateren en de Noordzee, die niet onder de hoofdstukken 2 tot en met 5 vallen. Op grond van een instructieregel in het Besluit kwaliteit leefomgeving zullen de waterschappen in hun waterschapsverordening zorg dragen voor de regulering van lozingsactiviteiten op regionale wateren, die niet onder de hoofdstukken 2 tot en met 5 van dit besluit vallen. Tot slot is via artikel 18.1 van dit besluit geborgd dat de emissiegrenswaarden van de in artikel 10 en bijlage IX bij de kaderrichtlijn water genoemde richtlijnen (die overigens grotendeels zijn ingetrokken, maar op grond van dit artikel nog steeds gelden) in ieder geval van toepassing zijn. In de meeste gevallen wordt al aan deze emissiegrenswaarden voldaan door toepassing van de beste beschikbare technieken over specifiekere emissiegrenswaarden in dit besluit. Deze maatregelen vormen samen de omzetting van artikel 10 van de kaderrichtlijn water.
Op grond van artikel 11 van de kaderrichtlijn water stellen de lidstaten een maatregelenprogramma vast om de doelstellingen van die richtlijn te verwezenlijken. Tot het maatregelenprogramma behoren in ieder geval het vereiste van voorafgaande regulering van lozingen in oppervlaktewaterlichamen door puntbronnen die verontreiniging kunnen veroorzaken en maatregelen ter preventie of beheersing van diffuse bronnen die verontreiniging kunnen veroorzaken. De specifieke zorgplicht, algemene regels en vergunningplichten voor lozingsactiviteiten in de hoofdstukken 2 tot en met 7 van dit besluit geven invulling aan deze onderdelen van het maatregelenprogramma. Een samenvatting van het volledige maatregelenprogramma wordt opgenomen in de stroomgebiedbeheerplannen.
Mer-richtlijn
De mer-richtlijn (2011/92/EU) heeft tot doel om projecten die een aanzienlijk milieueffect kunnen hebben (voorafgaand aan de vergunningverlening) te onderwerpen aan een beoordeling van die aanzienlijke milieueffecten. De richtlijn vraagt dat voor de daarin opgenomen mer-plichtige projecten een besluit nodig is, waarbij de mer-plicht kan worden uitgevoerd. In dit besluit worden veel mer-plichtige projecten als vergunningplichtige milieubelastende activiteiten aangewezen.
Voor mer-beoordelingsplichtige projecten moet in ieder geval een besluit worden genomen of het project aanzienlijke milieugevolgen kan hebben. Dit besluit valt vaak samen met een vergunningplicht die al om een andere reden is aangewezen in dit besluit. Waar nodig voorziet dit besluit in een aanvullende vergunningplicht voor milieubelastende activiteiten, die in dat geval uitsluitend vanwege de mer-beoordelingsplicht is ingesteld. Het betreft dan deels de omzetting van de voormalige mer-OBM. Een nadere toelichting is te vinden in paragraaf 4.5.3 van deze toelichting en in de nota van toelichting bij het Besluit kwaliteit leefomgeving en de artikelsgewijze toelichting bij bijlage V bij het Omgevingsbesluit.
De mer-(beoordelings-)plicht is vaak gekoppeld aan een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit, in enkele gevallen is deze ook gekoppeld aan een ontgrondingsactiviteit of een wateractiviteit.
Nitraatrichtlijn
De nitraatrichtlijn (91/676/EEG) is er op gericht de waterkwaliteit te beschermen door te voorkomen dat nitraten uit agrarische bronnen het grond- en oppervlaktewater verontreinigen en door goede landbouwpraktijken te stimuleren. Hiertoe zijn in Nederland actieprogramma's opgezet. Ter uitvoering van de maatregelen uit de actieprogramma's zijn er regels opgesteld. Die uitvoeringsregels staan vooral in de Meststoffenwet en de hierop gebaseerde regelgeving. Zo bevatten deze regels gebruiksnormen voor mest. Ook het Besluit gebruik meststoffen bevat regels ter uitvoering van de actieprogramma's van de nitraatrichtlijn. Hierin zijn de uitrijdperioden voor mest opgenomen. Daarnaast waren voor de uitvoering van de actieprogramma's uit de nitraatrichtlijn bepalingen in het Activiteitenbesluit milieubeheer opgenomen. Die bepalingen zijn opgenomen in dit besluit. Meer concreet staan in hoofdstuk 4 van dit besluit regels voor het lozen van verschillende afvalwaterstromen in de bodem.
PRTR-verordening
Het PRTR-protocol en de PRTR-verordening bevatten rapportageverplichtingen voor degenen die bepaalde activiteiten verrichten en inhoudelijke eisen over de kwaliteit van de informatie. Het gaat om informatie over emissies en afvalstromen van grote bedrijven. De — rechtstreeks werkende — rapportageverplichtingen uit de PRTR-verordening worden door Nederland gebruikt ter invulling van de voor de bedrijven geldende rapportageverplichtingen uit het PRTR-protocol, zodat Nederland op dat punt zelf geen extra voorzieningen meer hoeft te treffen. Met de aanvullende maatregelen in dit besluit (paragraaf 5.3.1, de artikelen 6.52 en 7.57 en de bijlagen V en VI) en het Besluit kwaliteit leefomgeving (paragrafen 10.2.5.1 en 10.2.5.2) wordt volledig aan de eisen van het PRTR-protocol en de PRTR-verordening voldaan. De inhoud sluit aan op die van de oorspronkelijke implementatieregelgeving: titel 12.3 van de Wet milieubeheer en het hierop gebaseerde Uitvoeringsbesluit EG-verordening PRTR en PRTR-protocol en de Uitvoeringsregeling EG-verordening PRTR en PRTR-protocol. Het overgrote deel van de oude artikelen zijn nu op één niveau geregeld: dit besluit en het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Richtlijn autowrakken
Met de richtlijn autowrakken (2000/53/EG) wordt beoogd de hoeveelheid afval en daarmee van de negatieve milieueffecten die voortvloeien uit de verwijdering van autowrakken te verminderen. De vermindering van de hoeveelheid afval moet worden bewerkstelligd door preventie, hergebruik, recycling en andere vormen van nuttige toepassing. Een ander doel van de richtlijn is het verbeteren van de milieuprestatie van de verwerkers van autowrakken en van andere ondernemingen die betrokken zijn bij de levenscyclus van voertuigen.
Ter implementatie van de richtlijn is op 2 juli 2002 het Besluit beheer autowrakken in werking getreden. Het Besluit beheer autowrakken is per 1 januari 2011 gewijzigd, de afvalgerelateerde activiteiten zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Het Besluit beheer autowrakken stelt daarnaast nog eisen aan producenten en importeurs van voertuigen. Zij zijn onder andere verplicht om maatregelen te nemen om het ontstaan of de verwijdering van voertuigafval te voorkomen of te beperken en een inname- en verwerkingssysteem op te zetten voor de door hen op de markt gebrachte voertuigen die in Nederland in het afvalstadium zijn beland. Het Besluit beheer autowrakken blijft bestaan. De onderdelen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer ter implementatie van de richtlijn zijn opgenomen in afdeling 3.5 en de paragrafen 4.47, 4.48 en 4.50 van dit besluit.
Richtlijn benzinedampterugwinning
De richtlijn benzinedampterugwinning (2009/126/EG) gaat over benzinedampterugwinning bij tankstations. De uitstoot van benzinedamp kan luchtverontreiniging en problemen voor de gezondheid veroorzaken. In de richtlijn zijn maatregelen opgenomen om de uitstoot van benzinedamp bij het tanken van voertuigen zoveel mogelijk te beperken. Zo moet een tankstation zijn voorzien van een fase II-benzinedampterugwinningssysteem dat de damp afvangt. Andere maatregelen betreffen het testen van het systeem en het informeren van de bezoeker van het tankstation. De artikelen uit de richtlijn zijn in dit besluit omgezet bij de activiteit ‘Grootschalig tanken’ in paragraaf 4.40.
Net als in de richtlijn opslag en distributie benzine worden in deze richtlijn eisen gesteld om de uitstoot van vluchtige organische stoffen te beperken. De richtlijn opslag en distributie benzine is gericht op de terugwinning van benzinedamp die wordt uitgestoten tijdens de opslag van benzine en tijdens de distributie van benzine tussen terminals en benzinestations. Deze richtlijn voegt daaraan toe dat bij een benzinestation een benzinedampterugwinningssysteem geïnstalleerd moet worden, zodat in alle lidstaten een uniform minimumniveau van benzinedampterugwinning wordt vastgesteld.
Richtlijn havenontvangstvoorzieningen
Het doel van de richtlijn havenontvangstvoorzieningen (2000/59/EG) is de vermindering van (met name illegale) lozingen in zee van scheepsafval en ladingresiduen door schepen die gebruik maken van havens in de Europese Unie, door de beschikbaarheid en het gebruik van havenontvangstvoorzieningen te verbeteren. De lidstaten moeten zorgen voor de beschikbaarheid van havenontvangstvoorzieningen die toereikend zijn voor de ontvangst van scheepsafval en ladingresiduen van schepen welke de haven gewoonlijk aandoen. Voor elke haven moet een plan voor ontvangst en verwerking van scheepsafval worden gemaakt.
De richtlijn is na inwerkintreding geïmplementeerd in de Wet voorkoming verontreiniging door schepen en het Activiteitenbesluit milieubeheer, waarin was bepaald dat bij jachthavens bepaalde afvalstoffen van schepen moeten worden ingenomen en dat procedures voor het innemen van afvalstoffen moeten worden opgesteld. De bepalingen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn nu omgezet in paragraaf 4.58 van dit besluit. De Wet voorkoming verontreiniging door schepen is van toepassing op havens die zijn aangewezen bij of krachtens artikel 6 van die wet. Voor die havens gelden strenge regels voor het hebben van havenontvangstvoorzieningen. Omdat die regels verder gaan dan de eisen die in de artikelen 4.684 en 4.685 van dit besluit gesteld worden over het innemen en beheren van afvalstoffen, kunnen de artikelen 4.684 en 4.685 voor de aangewezen havens buiten toepassing blijven.
Richtlijn industriële emissies
De richtlijn industriële emissies (2010/75/EU) heeft als doel een integraal vergunningkader tot stand te brengen om industriële emissies tegen te gaan. In de richtlijn worden regels gesteld aan installaties om de luchtkwaliteit, waterkwaliteit en bodemkwaliteit te beschermen, afvalstoffen doelmatig te beheren, en ongewone voorvallen zoveel mogelijk te voorkomen. Deze installaties zijn vergunningplichtig, en moeten naast de vergunningvoorschriften aan de algemene regels voldoen die in dit besluit zijn opgenomen. De regels in dit besluit gaan uit van de beste beschikbare technieken, dit zijn de efficiëntste technieken voor het voorkomen of verminderen van emissies die technisch en economisch haalbaar zijn in de sector.
In de richtlijn worden onder meer eisen gesteld aan installaties in de chemische industrie, minerale industrie, metaalindustrie, papier-, hout-, textiel- en leerindustrie en voedingsmiddelenindustrie. Activiteiten over deze installaties zijn met name te herkennen in de afdelingen 3.3 en 3.4 van dit besluit, waar de complexe bedrijven en de sector industrie is opgenomen. Activiteiten die betrekking hebben op afvalbeheer en de veehouderij, komen voor in opvolgende afdelingen van dit besluit.
In hoofdstuk 4 van dit besluit zijn algemene regels voor een aantal installaties geïmplementeerd. Zo zijn in de paragrafen 4.3 tot en met 4.6 regels gesteld aan de grote stookinstallatie, de afvalverbrandingsverbrandingsinstallaties en afvalmeeverbrandingsinstallaties, installaties die titaandioxide produceren en clausinstallaties. In paragraaf 4.34 staan regels over de oplosmiddeleninstallatie.
Richtlijn offshore veiligheid
De richtlijn offshore veiligheid (2013/30/EU) bevat regels voor de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten. Ten behoeve van de veiligheid bepaalt artikel 6, zevende lid, van de richtlijn dat er een veiligheidszone dient te worden ingesteld rondom offshore installaties waarbinnen geen schepen mogen varen of blijven. Deze bepaling komt terug in paragraaf 7.2.4 van dit besluit over beperkingengebiedactiviteiten bij installaties in zee.
Richtlijn opslag en distributie benzine
De richtlijn opslag en distributie benzine (94/63/EG) heeft als doel de uitstoot van vluchtige organische stoffen als gevolg van de opslag van benzine en de distributie van terminals naar benzinestations te beheersen. De richtlijn stelt hiervoor eisen aan het ontwerp en de uitvoering van op- en overslaginstallaties, terminals, en mobiele tanks. Daarnaast worden gedetailleerde technische eisen gesteld aan het vullen van tankwagens. Deze eisen zijn omgezet in paragraaf 4.105 van dit besluit bij de activiteit ‘Exploiteren van een benzineterminal’.
In de richtlijn benzinedampterugwinning wordt verwezen naar de definities van benzine en benzinestation die in de richtlijn opslag en distributie benzine zijn opgenomen. Beide richtlijnen gaan over het beperken van de uitstoot van vluchtige organische stoffen. Deze richtlijn stelt technische eisen vast voor benzineterminals, in de richtlijn benzinedampterugwinning is vastgesteld dat benzinestations een benzinedampterugwinningssysteem moeten installeren.
Richtlijn pyrotechnische artikelen
De richtlijn pyrotechnische artikelen (2013/29/EU) regelt het op de markt aanbieden van pyrotechnische artikelen. Daarbij gaat het niet alleen om vuurwerk, maar ook om pyrotechnische artikelen voor theatergebruik en pyrotechnische artikelen voor voertuigen (airbags). De richtlijn is vooral omgezet in het Vuurwerkbesluit. In dat besluit is de regeling opgenomen voor het in de handel brengen van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, waaronder de verplichte CE-markering, de conformiteitsbeoordelingsprocedure en de leeftijdsgrenzen. Het onderhavige besluit implementeert geen onderdelen van de richtlijn, maar sluit wel aan bij de daarin opgenomen categorie-indeling. Die indeling is relevant voor de eisen die gelden voor het opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik. Voor vuurwerk van categorie F4 (voorheen aangeduid als professioneel vuurwerk) gelden voor het opslaan, herverpakken en bewerken bijvoorbeeld zwaardere eisen dan voor de overige categorieën.
Richtlijn stedelijk afvalwater
De richtlijn stedelijk afvalwater (91/271/EG) vereist dat stedelijk afvalwater wordt ingezameld en gezuiverd. Deze vereisten zijn omgezet in de toedeling van de overheidszorg van paragraaf 2.4.1 van de wet. Op grond van de richtlijn moet stedelijk afvalwater dat met behulp van een vuilwaterriool wordt ingezameld, worden onderworpen aan een toereikende behandeling in een zuiveringtechnisch werk, zodanig dat het ontvangende oppervlaktewaterlichaam na de lozing aan de relevante kwaliteitsdoelen kan voldoen. De eisen aan deze zuiveringtechnische werken zijn opgenomen in paragraaf 4.49 van dit besluit. Verder moeten de lidstaten ervoor zorgen dat het lozen van industrieel afvalwater is onderworpen aan voorafgaande regulering. Afvalwater dient daarbij een zodanige voorbehandeling te hebben ondergaan dat de riolering, de rioolwaterzuiveringinstallatie en de bijbehorende apparatuur niet worden beschadigd, de werking van de betrokken zuiveringsinstallatie niet wordt gehinderd en dat lozingen vanuit de zuiveringsinstallatie geen nadelige invloed hebben op het milieu en het ontvangende oppervlaktewater. De specifieke zorgplicht, algemene regels en vergunningplichten voor milieubelastende activiteiten in de hoofdstukken 2 tot en met 5 van dit besluit zijn de omzetting van dit vereiste van de richtlijn. Daarnaast is in het Besluit kwaliteit leefomgeving een instructieregel opgenomen over regulering via het omgevingsplan van lozingen van industrieel afvalwater die niet onder dit besluit vallen op het openbaar vuilwaterriool.
Richtlijn winningsafval
De richtlijn winningsafval (2006/21/EG) is vastgesteld om zware ongevallen met afval van winningsindustrieën (mijnbouw) te voorkomen en de gevolgen van eventuele ongelukken te beperken. Ook bevat de richtlijn bepalingen om het duurzaam beheer van afval van de winningsindustrie te reguleren met het oog op de vermindering van de nadelige effecten op het milieu en de volksgezondheid. De verplichtingen die voortvloeien uit de richtlijn zijn hoofdzakelijk gekoppeld aan het aanleggen of bouwen en het in gebruik hebben van een afvalvoorziening door de exploitant van de winningsindustrie (mijnbouw). In Nederland zijn er momenteel geen exploitanten die gebruik maken van zo'n afvalvoorziening. In Nederland worden winningsafvalstoffen nuttig toegepast, verbrand of gestort op een reguliere stortplaats. De relevantie van de richtlijn voor de Nederlandse mijnbouw is daarom zeer gering en voor de olie en gaswinning zelfs nihil.
In Nederland is deze richtlijn onder andere geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. Daarnaast was de richtlijn voorheen geïmplementeerd in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, het Besluit omgevingsrecht, de Regeling omgevingsrecht, de Waterwet, de Wet bodembescherming, het Besluit bodemkwaliteit en het Besluit winningsafvalstoffen.
In de nieuwe situatie heeft implementatie plaatsgevonden in het Besluit kwaliteit leefomgeving (voorschriften voor de omgevingsvergunning, beoordelingsregels en instructieregels) en in een ministeriële regeling waarin de aanvraagvereisten zullen worden opgenomen. De eis uit de richtlijn om een vergunningplicht in het leven te roepen voor de exploitatie van een voorziening voor winningsafvalstoffen is geïmplementeerd in het onderhavige besluit. In paragraaf 3.5.11 is bepaald dat werkzaamheden met afvalstoffen in beginsel vergunningplichtig zijn.
Seveso-richtlijn
Het doel van de Seveso-richtlijn (2012/18/EU) is de preventie van zware ongevallen bij inrichtingen waar grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen aanwezig zijn of kunnen zijn. De richtlijn beoogt het milieu en de gezondheid en veiligheid van werknemers en de bevolking te beschermen tegen rampen en zware ongevallen met gevaarlijke stoffen. Omdat zware ongevallen niet altijd zijn te voorkomen, bevat de richtlijn ook bepalingen om de gevolgen voor de menselijke gezondheid en het milieu te beperken als zich een zwaar ongeval voordoet. De Seveso-richtlijn beoogt daarnaast lering te trekken uit zware ongevallen en regelt de internationale uitwisseling van informatie.
De Seveso-richtlijn benadert het veiligheidsdoel integraal. Daarom wordt bij het treffen van veiligheidsmaatregelen geïntegreerd aandacht besteed aan de veiligheid voor de omgeving, de arbeidsveiligheid en de voorbereiding van de bestrijding van rampen en zware ongevallen. Vanwege de integrale benadering van de richtlijn is dit besluit niet alleen gebaseerd op de wet, maar ook op de Arbeidsomstandighedenwet en de Wet veiligheidsregio's.
Met de Seveso-richtlijn is de nieuwe indeling (classificatie) van gevaarlijke stoffen gevolgd van Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels. Deze verordening die is afgestemd op het wereldwijd geharmoniseerde systeem voor de indeling en etikettering van chemische stoffen, regelt of een stof of een mengsel als gevaarlijk kan worden aangemerkt.
De Seveso-richtlijn is geïmplementeerd in drie besluiten die een grondslag hebben in de wet:
- —
- —
Ten tweede is de Seveso-richtlijn geïmplementeerd in het Omgevingsbesluit. Het exploiteren van een Seveso-inrichting is vergunningplichtig. Het Omgevingsbesluit bevat algemene bepalingen over de omgevingsvergunning en de bevoegdheidsverdeling in het omgevingsrecht. In dat besluit staan algemene bepalingen die op de aanvraag van een vergunning en de te volgen procedure betrekking hebben. Andere bepalingen in het Omgevingsbesluit gaan over de actualisatieplicht van vergunningen, de verhouding tussen inrichtingen en natuurgebieden en verplichtingen van het bevoegd gezag. Daarnaast is in de wet en het Omgevingsbesluit het toezicht en de handhaving geregeld.
- —
Ten derde zijn onderdelen van de Seveso-richtlijn omgezet in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Volgens artikel 13 van de Seveso-richtlijn moet voldoende afstand worden gehouden tussen Seveso-inrichtingen en objecten in de omgeving, zoals woningen, scholen, winkels en andere bedrijven, wegen, recreatieterreinen en natuurgebieden. Het Besluit kwaliteit leefomgeving regelt de afstanden in omgevingsplannen. Daarnaast regelt dit besluit het opstellen van de risicokaart dat via internet moet zijn te raadplegen en waar het publiek actuele informatie kan vinden over de relevante risico's in de omgeving. In dat besluit is ook de aanwijzing geregeld van zogenoemde domino-inrichtingen. Dat zijn inrichtingen waar het risico op een zwaar ongeval of de gevolgen daarvan groter kunnen zijn door de ligging van die inrichting ten opzichte van een andere Seveso-inrichting. Op grond van de Seveso-richtlijn moet het bevoegd gezag domino-inrichtingen aanwijzen. De aanwijzing geschiedt op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving met het opnemen van een voorschrift in de omgevingsvergunning.
De Seveso-richtlijn is daarnaast geïmplementeerd in wet- en regelgeving buiten het kader van de Omgevingswet. Artikel 12 van de Seveso-richtlijn verplicht lidstaten tot het opstellen van externe noodplannen voor hogedrempelinrichtingen. Op grond van de Wet veiligheidsregio's stelt het bestuur van de veiligheidsregio deze noodplannen (rampbestrijdingsplannen) op. De voor het rampbestrijdingsplan benodigde informatie maakt onderdeel uit van het veiligheidsrapport dat voor een hogedrempelinrichting moet worden opgesteld. Ook bevat het veiligheidsrapport informatie die nodig is om te beoordelen of de inrichting moet worden aangewezen als bedrijfsbrandweerplichtig op grond van artikel 31 Wet veiligheidsregio's. Artikel 14 van de Seveso-richtlijn verplicht de lidstaten ervoor te zorgen dat de informatie die in bijlage V is opgenomen permanent voor het publiek beschikbaar is. Dit is in Nederland geregeld in artikel 46 Wet veiligheidsregio's en nader geregeld in het Besluit informatie inzake rampen en crises.
Verdrag van Granada
Het verdrag van Granada beoogt onder meer om architectonisch erfgoed te beschermen en te behouden, om het als referentiekader door te kunnen geven aan toekomstige generaties. Het verdrag is deels geïmplementeerd in de Erfgoedwet en deels in de Omgevingswet. In dit besluit zijn in hoofdstuk 13 regels opgenomen over rijksmonumentenactiviteiten en andere activiteiten die rijksmonumenten of voorbeschermde rijksmonumenten betreffen. In dit hoofdstuk is een verbod opgenomen tot het beschadigen of vernielen van rijksmonumenten of voorbeschermde rijksmonumenten, ook zal onderhoud moeten worden uitgevoerd dat noodzakelijk is om monumenten in stand te houden.
Verdrag van Valletta
Het verdrag van Valletta heeft de doelstelling archeologisch erfgoed te beschermen als bron van het Europese gemeenschappelijke geheugen en als middel voor geschiedkundige en wetenschappelijke studie. Het verdrag van Valletta is deels geïmplementeerd in de Erfgoedwet en deels in de Omgevingswet. In dit besluit zijn regels over de bescherming van archeologisch erfgoed te vinden in hoofdstuk 13. Daarnaast zijn in de hoofdstukken 6, 7 en 13 bepalingen opgenomen over het informeren van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap bij een archeologische waarneming of vondst.
VN-Zeerechtverdrag
Het VN-Zeerechtverdrag stelt een rechtsorde in voor de zeeën en oceanen, die de internationale verbindingen vergemakkelijkt en het vreedzame gebruik van de zeeën en oceanen en het rechtvaardige en doelmatige gebruik van de rijkdommen ervan bevordert. Het verdrag heeft ook tot doel om de instandhouding van de levende rijkdommen van zeeën en oceanen te beschermen en het behoud van het mariene milieu te bevorderen. In de Wet grenzen Nederlandse territoriale zee en de Rijkswet instelling exclusieve economische zone is, in lijn met dit verdrag, bepaald waar de grenzen van de territoriale zee en de EEZ liggen. Regels ter bescherming van het mariene milieu tegen verontreiniging zijn onder meer opgenomen in de Wet bestrijding maritieme ongevallen en de Wet voorkoming verontreiniging door schepen. In dit besluit zijn regels opgenomen ter implementatie van de artikelen 60 en 80 van het VN-Zeerechtverdrag. Dit betreft regels over activiteiten in een veiligheidszone rond installaties op zee (in de wet vertaald in een beperkingengebied met betrekking tot een installatie in zee). Deze regels zijn bedoeld om ongelukken met schepen te voorkomen en dienen zowel ter bescherming van de veiligheid van de scheepvaart als de bescherming van het mariene milieu tegen verontreinigingen door ongelukken.
Voetnoten
Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 3, p. 228–231.