Einde inhoudsopgave
Besluit activiteiten leefomgeving - Nota van toelichting
2.3.3 Bevoegd gezag
Geldend
Geldend vanaf 31-08-2018
- Bronpublicatie:
03-07-2018, Stb. 2018, 293 (uitgifte: 31-08-2018, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Inwerkingtreding
31-08-2018
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
03-07-2018, Stb. 2018, 293 (uitgifte: 31-08-2018, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Vakgebied(en)
Omgevingsrecht / Algemeen
Omgevingsrecht / Omgevingswet
Voor activiteiten die binnen het toepassingsbereik van dit besluit vallen, wordt in het besluit ook het bevoegd gezag voor algemene rijksregels aangewezen. Het gaat daarbij in lijn met artikel 4.9 van de wet om het bevoegd gezag:
- •
waaraan een melding wordt gedaan;
- •
dat een maatwerkvoorschrift kan stellen;
- •
dat beslist op een aanvraag om toestemming tot het treffen van een gelijkwaardige maatregel.
Er is niet voor gekozen om voor activiteiten waarvoor de vergunningplicht uit dit besluit volgt de regeling van bevoegd gezag ook in dit besluit op te nemen. Het bevoegd gezag voor het verlenen van de omgevingsvergunning wordt in het Omgevingsbesluit aangewezen, waarbij ook wordt bepaald wie bevoegd gezag is als een aanvraag om een omgevingsvergunning op meer activiteiten betrekking heeft. Dat kunnen ook activiteiten zijn waarvoor de vergunningplicht niet uit dit besluit volgt — met name de bouwactiviteit en de afwijkactiviteit.
Artikel 4.8 van de wet bepaalt wie bevoegd gezag is voor decentrale algemene regels. Voor het omgevingsplan is dat het college van burgemeester en wethouders, voor de waterschapsverordening het dagelijks bestuur van het waterschap en voor de omgevingsverordening gedeputeerde staten. Tot die decentrale regels behoren ook eventuele maatwerkregels. Het bevoegd gezag voor maatwerkregels volgt dus uit artikel 4.8 van de wet en niet uit dit besluit.
Artikel 18.2 van de wet bepaalt ten slotte wie het bevoegd gezag is dat zorg draagt voor de bestuursrechtelijke handhavingstaak. In dat artikel is onder meer bepaald dat als sprake is van een activiteit waarvoor algemene rijksregels zijn gesteld, de bestuursrechtelijke handhavingstaak bij het bevoegd gezag voor die algemene rijksregels berust.
Bevoegd gezag is decentraal, tenzij
De aanwijzing van het bevoegd gezag voor de algemene rijksregels is gebaseerd op de artikelen 4.9 tot en met 4.13 van de wet. De hoofdregel (artikel 4.9) is dat het college van burgemeester en wethouders wordt aangewezen als bevoegd gezag. Daarnaast is in de wet (artikelen 4.10 tot en met 4.12) een aantal categorieën van activiteiten benoemd, waarvoor het dagelijks bestuur van het waterschap, gedeputeerde staten of een van de ministers als bevoegd gezag wordt aangewezen. Dat betekent niet dat voor alle activiteiten binnen die categorieën een ander bevoegd gezag dan het college van burgemeester en wethouders moet worden aangewezen. Ook hier geldt het uitgangspunt ‘decentraal, tenzij’.
Bij de uitwerking van de wettelijke opdracht zijn in dit besluit twee uitgangspunten toegepast.
- 1.
Bij categorieën van activiteiten waarin de bevoegdheid direct aansluit bij de toedeling van een taak in de wet volgt de toedeling van de bevoegdheid in beginsel die taak. Dit leidt er toe dat:
- •
bij wateractiviteiten de Minister van Infrastructuur en Waterstaat wordt aangewezen als de regels betrekking hebben op rijkswater, en het dagelijks bestuur van het waterschap als de regels betrekking hebben op regionaal water;
- •
bij rijksinfrastructuur (wegen in beheer van het Rijk en hoofdspoorwegen) de Minister van Infrastructuur en Waterstaat wordt aangewezen.
- 2.
Bij categorieën van activiteiten waarbij geen sprake is van een bepaalde in de wet toebedeelde taak, of waarbij de gevolgen van de activiteit op meerdere taken betrekking kunnen hebben, is de bevoegdheid in beginsel toebedeeld op gemeentelijk niveau. Uitzondering hierop vormen:
- •
de regels voor open bodemenergiesystemen, waarvoor gedeputeerde staten zijn aangewezen vanwege de effecten die deze systemen kunnen hebben op het diepe grondwater;
- •
de regels voor een aantal defensieactiviteiten en mijnbouwactiviteiten, waarvoor de Minister van Infrastructuur en Waterstaat en de Minister van Economische Zaken en Klimaat zijn aangewezen.
Bevoegd gezag bij samenloop algemene rijksregels en vergunningplicht
Artikel 4.13 van de wet bepaalt ten slotte dat gevallen kunnen worden aangewezen waarin het bevoegd gezag voor een omgevingsvergunning ook het bevoegd gezag voor de algemene rijksregels is. Bij de meeste activiteiten die in dit besluit als vergunningplichtig zijn aangewezen gelden algemene regels, waaronder de specifieke zorgplicht. Doordat de aanwijzing van het bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning in het Omgevingsbesluit en de aanwijzing van het bevoegd gezag in dit besluit op elkaar zijn afgestemd, komt in de meeste gevallen ook zonder toepassing van dit artikel het bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning overeen met dat voor algemene rijksregels.
Artikel 4.13 is wel relevant bij zogenoemde complexe bedrijven: milieubelastende activiteiten waarvoor gedeputeerde staten bevoegd gezag zijn en die onder de richtlijn industriële emissies en de Seveso-richtlijn vallen. Gelet op de relatief hoge milieu-invloed van deze bedrijven is het van belang dat één bevoegd gezag toeziet op alle activiteiten die het bedrijf ontplooit en die er qua effect op de leefomgeving toe doen. Daarom worden in dit besluit bij deze bedrijven gedeputeerde staten als bevoegd gezag voor alle algemene rijksregels aangewezen, met uitzondering van wateractiviteiten. Op de regeling voor deze complexe bedrijven wordt nader ingegaan in paragraaf 2.3.6 van deze toelichting.