Einde inhoudsopgave
Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Artikel 18.4.7f
Geldend
Geldend vanaf 01-07-2016
- Bronpublicatie:
14-04-2016, Stb. 2016, 188 (uitgifte: 23-05-2016, kamerstukken: 34238)
- Inwerkingtreding
01-07-2016
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
13-06-2016, Stb. 2016, 233 (uitgifte: 23-06-2016, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Decentralisatie
1.
Indien een van Onze Ministers van oordeel is dat artikel 18.4.7b, artikel 18.4.7c, artikel 18.4.7d of de krachtens artikel 18.4.7i gestelde regels niet of in onvoldoende mate of op onjuiste wijze worden nageleefd, kan hij de aanbieder van jeugdzorg, dan wel de (gezins)voogdij-instelling een aanwijzing geven.
2.
In de aanwijzing geeft de Minister die het aangaat met redenen omkleed aan welke maatregelen de aanbieder van jeugdzorg of de (gezins)voogdij-instelling moet nemen met het oog op de naleving van artikel 18.4.7b, artikel 18.4.7c, artikel 18.4.7d of de krachtens artikel 18.4.7i gestelde regels.
3.
De aanwijzing bevat de termijn waarbinnen de aanbieder van jeugdzorg of de (gezins)voogdij-instelling aan de aanwijzing moet voldoen.
4.
Indien het nemen van maatregelen in verband met gevaar voor de veiligheid, gevaar voor de gezondheid of gevaar voor ernstige aantasting van overige belangen van de jeugdigen redelijkerwijs geen uitstel kan lijden, kunnen de ambtenaren, bedoeld in artikel 18.4.7e, eerste lid, een schriftelijk bevel geven. Het bevel heeft een geldigheidsduur van zeven dagen, welke door een van Onze Ministers kan worden verlengd.
5.
De aanbieder van jeugdzorg en de (gezins)voogdij-instelling zijn verplicht binnen de daarbij gestelde termijn aan de aanwijzing, onderscheidenlijk onmiddellijk aan het bevel te voldoen.
6.
Mandaat tot het verlengen van de geldigheidsduur van een bevel wordt niet verleend aan de ambtenaren, bedoeld in artikel 18.4.7e, eerste lid.