Einde inhoudsopgave
Besluit kwaliteit leefomgeving - Nota van toelichting
5.2.3 Omgevingswaarde kwaliteit van zwemlocaties
Geldend
Geldend vanaf 31-08-2018
- Bronpublicatie:
03-07-2018, Stb. 2018, 292 (uitgifte: 31-08-2018, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Inwerkingtreding
31-08-2018
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
03-07-2018, Stb. 2018, 292 (uitgifte: 31-08-2018, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Vakgebied(en)
Omgevingsrecht / Algemeen
Omgevingsrecht / Omgevingswet
In dit besluit is in artikel 2.19 een omgevingswaarde vastgesteld voor de kwaliteit van zwemlocaties. Deze omgevingswaarde houdt in dat zwemlocaties minimaal moeten voldoen aan de klasse ‘aanvaardbaar’ als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de zwemwaterrichtlijn. Deze richtlijn stelt eisen aan de kwaliteit van zwemwater en gaat uit van een viertal kwaliteitsklassen: ‘slecht’, ‘aanvaardbaar’, ‘goed’ en ‘uitstekend’. Zwemlocaties moeten zijn ingedeeld in één van deze vier klassen. De indeling van de klassen is afhankelijk van de percentielwaarden van microbiologische tellingen van de parameters intestinale enterokokken en escherichia coli.
Hoewel zwemlocaties minimaal moeten voldoen aan de klasse ‘aanvaardbaar’, mag een zwemlocatie tijdelijk worden ingedeeld in de klasse ‘slecht’. Er moet dan wel zijn voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 2.20 van dit besluit (artikel 5, vierde lid, van de zwemwaterrichtlijn). Daarnaast mag conform bijlage II bij de zwemwaterrichtlijn zich, onder bepaalde voorwaarden bij de klassen ‘aanvaardbaar’, ‘goed’ en ‘uitstekend’, een kortstondige verontreiniging voordoen zonder dat de klassenindeling wijzigt.
De omgevingswaarde voor de kwaliteit van zwemlocaties is een resultaatsverplichting en geldt alleen gedurende het door gedeputeerde staten vastgestelde badseizoen en alleen voor de door gedeputeerde staten in overeenstemming met de beheerder van het oppervlaktewater aangewezen zwemlocaties. Dit kunnen zowel zwemlocaties in wateren in beheer van het Rijk zijn als in regionale wateren.
De omgevingswaarde voor de kwaliteit van zwemlocaties wordt door monitoring bewaakt. De regels over monitoring zijn opgenomen in paragraaf 10.2.3 van dit besluit en de ministeriële regeling. Als uit de monitoring blijkt dat niet aan de omgevingswaarde voldaan dreigt te worden, moet de beheerder van het oppervlaktewaterlichaam op grond van artikel 3.10 van de wet een programma vaststellen met het doel alsnog te voldoen aan de gestelde omgevingswaarde. Dit kan ook een wijziging van het nationaal waterprogramma, het regionaal waterprogramma of het waterbeheerprogramma zijn. Er kan echter ook voor gekozen worden om het desbetreffende krw-oppervlaktewater niet meer als zwemlocatie aan te wijzen.
Provinciale staten hebben de mogelijkheid om in hun omgevingsverordening voor zwemwaterkwaliteit afwijkende of aanvullende omgevingswaarden te stellen. Hiermee kunnen zij uitvoering geven aan een verdergaande beleidsambitie. De realisatie van een omgevingswaarde kan alleen worden bereikt door het uitoefenen van bevoegdheden of door het treffen van voorzieningen en dergelijke. Een afwijkende of aanvullende omgevingswaarde voor zwemwater kan dan ook alleen gelden voor die onderdelen van de fysieke leefomgeving waarvoor de provincie verantwoordelijkheid draagt en bevoegdheden heeft (zie voor meer informatie hierover paragraaf 2.3.3 van deze toelichting en de nota naar aanleiding van het verslag over de Omgevingswet1.).
Voetnoten