Einde inhoudsopgave
Verordening (EU) 2024/1157 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1257/2013 en (EU) 2020/1056 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1013/2006
Artikel 11 Voorwaarden voor overbrenging van voor verwijdering bestemde afvalstoffen
Geldend
Geldend vanaf 20-05-2024
- Bronpublicatie:
11-04-2024, PbEU L 2024, 2024/1157 (uitgifte: 30-04-2024, regelingnummer: 2024/1157)
- Inwerkingtreding
20-05-2024
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
11-04-2024, PbEU L 2024, 2024/1157 (uitgifte: 30-04-2024, regelingnummer: 2024/1157)
- Vakgebied(en)
Milieurecht / Afval
1.
Indien overeenkomstig artikel 5 een kennisgeving met betrekking tot een overbrenging bestemd voor verwijdering wordt ingediend, verlenen de bevoegde autoriteiten van verzending en van bestemming geen toestemming voor die overbrenging binnen de in artikel 9, lid 1, bedoelde termijn van 30 dagen, tenzij aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
- a)
de kennisgever toont aan dat:
- i)
de afvalstoffen niet op technisch haalbare en economisch haalbare wijze nuttig kunnen worden toegepast, of moeten worden verwijderd op grond van wettelijke verplichtingen uit hoofde van het Unie- of internationaal recht;
- ii)
de afvalstoffen niet op technisch haalbare en economisch haalbare wijze kunnen worden verwijderd in het land waar zij werden geproduceerd;
- iii)
de geplande overbrenging of verwijdering in overeenstemming is met de afvalhiërarchie en de beginselen van nabijheid en zelfvoorziening zoals vastgelegd in Richtlijn 2008/98/EG, en de desbetreffende afvalstoffen worden op milieuhygiënisch verantwoorde wijze beheerd overeenkomstig artikel 59;
- b)
de betrokken bevoegde autoriteiten beschikken niet over informatie die inhoudt dat de kennisgever of de ontvanger in de vijf jaar voorafgaand aan de indiening van de kennisgeving is veroordeeld voor het uitvoeren van een illegale overbrenging of voor een andere onwettige handeling in verband met de bescherming van het milieu of de menselijke gezondheid;
- c)
de betrokken bevoegde autoriteiten beschikken niet over informatie die inhoudt dat de kennisgever of de inrichting in de vijf jaar voorafgaand aan de indiening van de kennisgeving bij eerdere overbrengingen herhaaldelijk de artikelen 15 en 16 heeft overtreden;
- d)
de lidstaat van bestemming heeft geen gebruik gemaakt van zijn recht om op grond van artikel 4, lid 1, van het Verdrag van Bazel de invoer van gevaarlijke afvalstoffen of van afvalstoffen die zijn opgenomen in bijlage II bij dat Verdrag te verbieden;
- e)
de geplande overbrenging en verwijdering is in overeenstemming met nationale wetgeving inzake milieubescherming, openbare orde, openbare veiligheid of bescherming van de gezondheid in het land waar de bevoegde autoriteit is gevestigd;
- f)
de geplande overbrenging of verwijdering is niet in strijd met de verplichtingen die voortvloeien uit door de betrokken lidstaat of lidstaten of de Unie gesloten internationale overeenkomsten;
- g)
de afvalstoffen worden verwerkt overeenkomstig juridisch bindende milieubeschermingsnormen met betrekking tot handelingen tot verwijdering uit hoofde van het recht van de Unie of zoals vastgesteld in de op grond van artikel 28 van Richtlijn 2008/98/EG opgestelde afvalbeheerplannen, en indien de inrichting onder Richtlijn 2010/75/EU valt, past zij de beste beschikbare technieken zoals gedefinieerd in artikel 3, lid 10, van die richtlijn toe in overeenstemming met de vergunning van de inrichting;
- h)
de afvalstoffen vormen geen gemengd stedelijk afval dat is ingezameld van particuliere huishoudens, of van andere afvalstoffenproducenten of van beide, en evenmin gemengd stedelijk afval dat een afvalverwerkingshandeling heeft ondergaan die de eigenschappen ervan niet wezenlijk heeft veranderd.
2.
In afwijking van lid 1, punt a), zijn de voorwaarden van lid 1, punten a), ii) en iii), niet van toepassing, indien de kennisgever aantoont dat de totale jaarlijkse hoeveelheid van de betrokken afvalstof die in een lidstaat van verzending wordt geproduceerd dermate klein is dat het economisch niet haalbaar zou zijn om in die lidstaat te voorzien in nieuwe gespecialiseerde inrichtingen voor verwijdering.
3.
Indien een bevoegde autoriteit van doorvoer toestemming verleent voor een overbrenging overeenkomstig artikel 9, lid 1, worden uitsluitend de voorwaarden van lid 1, punten b), c), e) en f) van dit artikel in aanmerking genomen.
4.
Informatie over overeenkomstig lid 1 door de bevoegde autoriteiten verleende toestemmingen wordt vermeld in het verslag overeenkomstig artikel 73. De Commissie stelt alle lidstaten in kennis van de in het voorgaande kalenderjaar verleende toestemmingen.
5.
Uiterlijk op 21 mei 2027 stelt de Commissie een uitvoeringshandeling vast met gedetailleerde criteria voor de uniforme toepassing van de voorwaarden van lid 1, punt a), om te specificeren hoe de technische en economische haalbaarheid zoals bedoeld in punt a), i) en ii), van dat lid door kennisgevers moeten worden aangetoond en door de bevoegde autoriteiten moeten worden beoordeeld. Die uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 81, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.