Einde inhoudsopgave
Verordening (EU) 2024/1348 tot vaststelling van een gemeenschappelijke procedure voor internationale bescherming in de Unie en tot intrekking van Richtlijn 2013/32/EU
Artikel 59 Het begrip ‘veilig derde land’
Geldend
Geldend vanaf 27-02-2026
- Bronpublicatie:
24-02-2026, PbEU L 2026, 2026/463 (uitgifte: 26-02-2026, regelingnummer: 2026/463)
- Inwerkingtreding
27-02-2026
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
24-02-2026, PbEU L 2026, 2026/463 (uitgifte: 26-02-2026, regelingnummer: 2026/463)
- Vakgebied(en)
Vreemdelingenrecht / Algemeen
1.
Een derde land mag slechts worden aangewezen als een veilig derde land, wanneer in dat land:
- a)
het leven en de vrijheid van onderdanen van derde landen niet worden bedreigd om redenen van ras, religie, nationaliteit, lidmaatschap van een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging;
- b)
onderdanen van derde landen geen reëel risico lopen op ernstige schade als gedefinieerd in artikel 15 van Verordening (EU) 2024/1347;
- c)
onderdanen van derde landen worden beschermd tegen refoulement overeenkomstig het Verdrag van Genève en tegen verwijdering in strijd met het recht op vrijwaring tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of straffen, zoals neergelegd in het internationaal recht;
- d)
de mogelijkheid bestaat om doeltreffende bescherming in de zin van artikel 57 aan te vragen en, indien de voorwaarden vervuld zijn, te krijgen.
2.
Bij de aanwijzing op zowel het niveau van de Unie als nationaal niveau van een derde land als veilig derde land kunnen uitzonderingen worden gemaakt voor specifieke delen van zijn grondgebied of voor duidelijk identificeerbare categorieën personen.
3.
De beoordeling of een derde land mag worden aangewezen als veilig derde land overeenkomstig deze verordening, gebeurt op basis van een reeks relevante en beschikbare informatiebronnen, waaronder informatie van de lidstaten, het Asielagentschap, de Europese Dienst voor extern optreden, de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen, de Raad van Europa en andere ter zake dienende internationale organisaties.
4.
Het begrip ‘veilig derde land’ mag worden toegepast:
- a)
wanneer een derde land op het niveau van de Unie of nationaal niveau is aangewezen als veilig derde land overeenkomstig artikel 60 of artikel 64, of
- b)
indien, met betrekking tot een specifieke verzoeker, het land niet op het niveau van de Unie of nationaal niveau als veilig derde land is aangewezen, mits met betrekking tot die verzoeker aan de voorwaarden van lid 1 is voldaan.
5.
Het begrip ‘veilig derde land’ mag slechts worden toegepast indien:
- a)
de verzoeker in het kader van een individuele beoordeling geen elementen kan verstrekken die rechtvaardigen dat het begrip ‘veilig derde land’ niet op hem of haar van toepassing is;
- b)
aan een van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
- a)
er bestaat een band tussen de verzoeker en het betrokken derde land op grond waarvan het redelijk is dat hij of zij naar dat land gaat;
- b)
de verzoeker is op weg naar de Unie door het betrokken derde land gereisd, of
- c)
er is een overeenkomst of een regeling gesloten tussen de Unie, een of meer lidstaten, of een of meer lidstaten en derde landen enerzijds en het betrokken derde land anderzijds, op grond waarvan de gegrondheid van verzoeken om doeltreffende bescherming die in het betrokken derde land worden ingediend door verzoekers die onder die overeenkomst of regeling vallen, moet worden onderzocht.
Wanneer de Commissie namens de Unie onderhandelingen voor een overeenkomst opent met een derde land (‘overeenkomst op Unieniveau’) met het oog op het sluiten van een overeenkomst zoals bedoeld in de eerste alinea, punt b), iii), houdt zij tijdens de onderhandelingen rekening met bestaande bilaterale of multilaterale overeenkomsten tussen de lidstaten en hetzelfde derde land, alsook met de mogelijke gevolgen van de overeenkomst op Unieniveau voor die bilaterale of multilaterale overeenkomsten en voor de samenwerking van de lidstaten met dat derde land op het gebied van migratie.
Een door de Unie en een derde land gesloten overeenkomst die onder het toepassingsgebied van de eerste alinea, punt b), iii), valt, heeft voorrang op bilaterale of multilaterale overeenkomsten of regelingen die zijn gesloten tussen afzonderlijke lidstaten en hetzelfde derde land, voor zover de bepalingen daarvan onverenigbaar zijn met die van die overeenkomst op Unieniveau.
Een lidstaat stelt de betrokken lidstaten te gelegener tijd in kennis van onderhandelingen over een overeenkomst of regeling als bedoeld in de eerste alinea, punt b), iii), met een derde land dat een gemeenschappelijke grens met die lidstaten deelt.
De lidstaten stellen de Commissie en de andere lidstaten in kennis van alle bilaterale of multilaterale overeenkomsten of regelingen die overeenkomstig de eerste alinea, punt b), iii), zijn gesloten, en wel voordat deze in werking treden, of, indien een overeenkomst of regeling voorlopig moet worden toegepast, voor aanvang van die voorlopige toepassing. Ook worden de Commissie en de andere lidstaten in kennis gesteld van eventuele latere wijzigingen in of van de beëindiging van dergelijke overeenkomsten of regelingen.
6.
Een derde land kan voor een niet-begeleide minderjarige slechts als een veilig derde land worden beschouwd indien dit niet in strijd is met zijn of haar belang en indien de lidstaten vooraf van de autoriteiten van het betrokken derde land de verzekering hebben ontvangen dat de niet-begeleide minderjarige door deze autoriteiten zal worden overgenomen en dat hij of zijn onmiddellijk toegang zal hebben tot doeltreffende bescherming in de zin van artikel 57. De lidstaten passen lid 5, eerste alinea, punt b), iii), niet toe indien de verzoeker een niet-begeleide minderjarige is.
7.
Indien de Unie met een derde land een overeenkomst heeft gesloten op grond van artikel 218 VWEU op grond waarvan migranten die krachtens die overeenkomst zijn toegelaten, bescherming genieten overeenkomstig de toepasselijke internationale normen en met volledige inachtneming van het beginsel van non-refoulement, kan, onverminderd de leden 5 en 6, worden aangenomen dat aan de voorwaarden van dit artikel met betrekking tot de status van veilig derde land is voldaan.
8.
Wanneer het verzoek ingevolge de toepassing van het begrip ‘veilig derde land’ niet-ontvankelijk wordt verklaard, wordt door de beslissingsautoriteit:
- a)
de verzoeker hiervan op de hoogte gebracht overeenkomstig artikel 36, en
- b)
de verzoeker een document verschaft waarin de autoriteiten van het betrokken derde land, in de taal van dat land, ervan in kennis worden gesteld dat het verzoek in de Unie niet inhoudelijk is behandeld als gevolg van de toepassing van het begrip ‘veilig derde land’, onverminderd de toepassing van verschillende procedures voor het in kennis stellen van de autoriteiten van het derde land die zijn vastgelegd in overeenkomsten of regelingen die reeds van kracht zijn tussen de Unie of die lidstaat en het betrokken derde land, als bedoeld in lid 5, eerste alinea, punt b), iii).
9.
Indien het betrokken derde land de verzoeker niet toelaat of niet opnieuw toelaat tot zijn grondgebied, krijgt de verzoeker toegang tot de procedure overeenkomstig de fundamentele beginselen en waarborgen van hoofdstuk II en afdeling I van hoofdstuk III.