Einde inhoudsopgave
Regeling bodemkwaliteit 2022
Artikel 5.8 (bepaling samenstelling)
Geldend
Geldend vanaf 31-01-2026
- Bronpublicatie:
26-01-2026, Stcrt. 2026, 2462 (uitgifte: 30-01-2026, regelingnummer: IENW/BSK-2026/12108)
- Inwerkingtreding
31-01-2026
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
26-01-2026, Stcrt. 2026, 2462 (uitgifte: 30-01-2026, regelingnummer: IENW/BSK-2026/12108)
- Vakgebied(en)
Milieurecht / Bodem
1.
De concentraties, gehalten en waarden van de volgens artikel 5.6, tweede lid, te onderzoeken verontreinigende stoffen, andere relevante parameters en het bodemvreemde materiaal in de volgens artikel 5.7, zevende lid, voorbehandelde mengmonsters en monsters worden bepaald met toepassing van de technieken, beschreven in AP 04 of, als hiervoor in AP 04 geen methode wordt beschreven, de best beschikbare technieken.
2.
Als blijkt dat tussen de concentraties, gehalten of waarden van een verontreinigende stof, uitgezonderd asbest, of andere relevante parameter, die volgens het eerste lid, en, wanneer zich een in dat onderdeel omschreven situatie voordoet, onderdeel I van bijlage G, voor de onderscheiden mengmonsters en monsters een verschil van meer dan een factor 2,5 bestaat, wordt artikel 5.9 niet toegepast dan nadat de werkwijze die tot die uitkomst heeft geleid, met inbegrip van de monsterneming en de samenstelling van mengmonsters, op mogelijke fouten is gecontroleerd en daarbij geen fouten zijn gesignaleerd. Deze controle op fouten wordt uitgevoerd met toepassing van de technieken, beschreven in AP 04, of, als hiervoor in AP 04 geen methode wordt beschreven, de best beschikbare technieken.
3.
In afwijking van het tweede lid wordt een factor 2,1 in plaats van 2,5 gehanteerd wanneer de monstername volgens artikel 5.7, derde lid, heeft bestaan uit het nemen van ten minste twaalf grepen.