Einde inhoudsopgave
Richtlijn 2013/34/EU jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen
Artikel 19 bis Duurzaamheidsrapportering
Geldend
Geldend vanaf 18-03-2026
- Bronpublicatie:
24-02-2026, PbEU L 2026, 2026/470 (uitgifte: 26-02-2026, regelingnummer: 2026/470)
- Inwerkingtreding
18-03-2026
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
24-02-2026, PbEU L 2026, 2026/470 (uitgifte: 26-02-2026, regelingnummer: 2026/470)
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Europees belastingrecht (V)
1.
Ondernemingen die op hun balansdatum een netto-omzet van 450 000 000 EUR en een gemiddeld aantal van 1 000 werknemers over het boekjaar overschrijden, nemen in hun bestuursverslag informatie op die nodig is om inzicht te krijgen in de effecten van de onderneming op duurzaamheidskwesties, alsook informatie die nodig is om te begrijpen hoe duurzaamheidskwesties van invloed zijn op de ontwikkeling, de prestaties en de positie van de onderneming.
De in de eerste alinea bedoelde informatie staat duidelijk aangegeven in een deel van het bestuursverslag dat specifiek hierover gaat.
2.
De in lid 1 bedoelde informatie bevat:
- a)
een korte beschrijving van het bedrijfsmodel en de strategie van de onderneming, met inbegrip van:
- i)
de veerkracht van het bedrijfsmodel en de strategie van de onderneming ten aanzien van risico's in verband met duurzaamheidskwesties;
- ii)
de kansen voor de onderneming op het gebied van duurzaamheidskwesties;
- iii)
de plannen van de onderneming, met inbegrip van uitvoeringsmaatregelen en daaraan gerelateerde financiële en investeringsplannen, om ervoor te zorgen dat haar bedrijfsmodel en strategie verenigbaar zijn met de overgang naar een duurzame economie en met de beperking van de opwarming van de aarde tot 1,5 °C in overeenstemming met de in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering op 12 december 2015 aangenomen Overeenkomst van Parijs (‘de Overeenkomst van Parijs’) en de doelstelling om uiterlijk in 2050 klimaatneutraliteit te bereiken zoals vastgesteld in Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad (1), en in voorkomend geval de blootstelling van de onderneming aan steenkool-, olie- en gasgerelateerde activiteiten;
- iv)
de wijze waarop in het bedrijfsmodel en de strategie van de onderneming rekening wordt gehouden met de belangen van de belanghebbenden bij de onderneming en met de effecten van de onderneming op duurzaamheidskwesties;
- v)
de wijze waarop de strategie van de onderneming ten aanzien van duurzaamheidskwesties is uitgevoerd;
- b)
een beschrijving van de door de onderneming vastgestelde tijdgebonden doelstellingen met betrekking tot duurzaamheidskwesties, waaronder, indien van toepassing, de absolute broeikasgasemissiereductiedoelstellingen voor tenminste 2030 en 2050, een beschrijving van de vooruitgang die de onderneming heeft geboekt bij het bereiken van die doelstellingen, en een verklaring die duidelijk maakt of de doelstellingen ten aanzien van milieufactoren van de onderneming gebaseerd zijn op overtuigend wetenschappelijk bewijs;
- c)
een beschrijving van de rol van de bestuurs-, leidinggevende en toezichthoudende organen met betrekking tot duurzaamheidskwesties, en van de daarin aanwezige deskundigheid en vaardigheden met betrekking tot het vervullen van die rol ofwel de toegang die deze organen hebben tot dergelijke deskundigheid en vaardigheden;
- d)
een beschrijving van het beleid van de onderneming met betrekking tot duurzaamheidskwesties;
- e)
informatie over het bestaan van stimuleringsregelingen in verband met duurzaamheidskwesties die aan leden van de bestuurs-, leidinggevende en toezichthoudende organen worden aangeboden;
- f)
een beschrijving van:
- i)
de door de onderneming toegepaste passende zorgvuldigheidsprocedure ten aanzien van duurzaamheidskwesties en, indien van toepassing, in overeenstemming met de vereisten van de Unie voor ondernemingen om een passende zorgvuldigheidsprocedure uit te voeren;
- ii)
de belangrijkste feitelijke of potentiële negatieve effecten die verband houden met de eigen activiteiten en met de waardeketen van de onderneming, met inbegrip van haar producten en diensten, haar zakelijke betrekkingen en haar toeleveringsketen, welke activiteiten zijn ondernomen voor het in kaart brengen en monitoren van die effecten en van andere negatieve effecten die de onderneming op grond van andere vereisten van de Unie met betrekking tot het uitvoeren van een passende zorgvuldigheidsprocedure verplicht is in kaart te brengen;
- iii)
alle door de onderneming genomen maatregelen om feitelijke of potentiële negatieve effecten te voorkomen, te beperken, te verhelpen of te beëindigen, en het resultaat van dergelijke maatregelen;
- g)
een beschrijving van de voornaamste risico's voor de onderneming met betrekking tot duurzaamheidskwesties, met inbegrip van een beschrijving van de belangrijkste afhankelijkheden van de onderneming van die kwesties, en hoe de onderneming die risico's beheert;
- h)
de indicatoren die relevant zijn voor de in de punten a) tot en met g) bedoelde informatieverschaffing.
Ondernemingen rapporteren over het uitgevoerde proces om de informatie in kaart te brengen die zij overeenkomstig lid 1 van dit artikel in het bestuursverslag hebben opgenomen. De in de eerste alinea van dit lid genoemde informatie omvat informatie met betrekking tot tijdhorizonten op korte, middellange en lange termijn, naargelang het geval.
3.
De in de leden 1 en 2 bedoelde informatie bevat, in voorkomend geval, informatie over de eigen activiteiten en over de waardeketen van de onderneming, met inbegrip van haar producten en diensten, haar zakelijke betrekkingen en haar toeleveringsketen.
Voor de toepassing van de derde, vierde en vijfde alinea wordt verstaan onder:
- a)
‘rapporterende onderneming’: een onderneming die verplicht is te rapporteren op grond van lid 1 van dit artikel;
- b)
‘beschermde onderneming’: een onderneming die:
- i)
op haar balansdatum een gemiddeld aantal van 1 000 werknemers over het voorgaande boekjaar niet overschrijdt, en
- ii)
deel uitmaakt van de waardeketen van een rapporterende onderneming;
- c)
‘vrijwillige standaarden’: standaarden voor vrijwillig gebruik zoals bedoeld in artikel 29 quater bis.
Rapporterende ondernemingen kunnen zich baseren op een eigen verklaring van ondernemingen in hun waardeketen om te bepalen of zij beschermde ondernemingen zijn. Rapporterende ondernemingen worden niet verplicht stappen te ondernemen om de in een dergelijke eigen verklaring vervatte informatie te verifiëren. Zij mogen zich echter niet baseren op de eigen verklaring wanneer zij weten of redelijkerwijs geacht kunnen worden te weten dat de verklaring kennelijk onjuist is.
Beschermde ondernemingen hebben het recht om, in antwoord op een verzoek dat is gedaan met het oog op duurzaamheidsrapportering zoals vereist door deze richtlijn, te weigeren informatie te verstrekken die verder gaat dan de informatie die is gespecificeerd in de vrijwillige standaarden. Voorts:
- a)
verlangen rapporterende ondernemingen bij de vaststelling van contractuele en andere regelingen om te voldoen aan de in deze richtlijn vastgestelde vereisten inzake duurzaamheidsrapportering, niet van beschermde ondernemingen dat zij informatie verstrekken die verder gaat dan de informatie die is gespecificeerd in de vrijwillige standaarden;
- b)
zijn contractuele bepalingen die in strijd zijn met punt a) niet bindend, zonder dat dit afbreuk doet aan de bindende aard van de overige bepalingen van het contract;
- c)
waarborgt een rapporterende onderneming, wanneer zij direct of indirect om informatie verzoekt van beschermde ondernemingen met het oog op duurzaamheidsrapportering zoals vereist door deze richtlijn, en een deel van of al die informatie verder gaat dan de informatie gespecificeerd in de vrijwillige standaarden, dat de beschermde ondernemingen worden geïnformeerd over:
- i)
welke informatie verder gaat dan de informatie gespecificeerd in de vrijwillige standaarden, en
- ii)
het wettelijke recht van beschermde ondernemingen om te weigeren de informatie te verstrekken;
- d)
worden rapporterende ondernemingen die de nodige informatie over hun waardeketen rapporteren zonder van beschermde ondernemingen informatie te rapporteren die verder gaat dan de informatie gespecificeerd in de vrijwillige standaarden, geacht te hebben voldaan aan de in de eerste alinea beschreven verplichting om informatie over de waardeketen te rapporteren.
Niets in de vierde alinea:
- a)
is van invloed op informatieverzoeken voor andere doeleinden dan de duurzaamheidsrapportering zoals vereist bij deze richtlijn, met inbegrip van verzoeken om te voldoen aan de vereisten van de Unie ten aanzien van ondernemingen om een procedure inzake passende zorgvuldigheid uit te voeren, of
- b)
legt aan ondernemingen in de waardeketen de verplichting op om duurzaamheidsinformatie te verstrekken of impliceert een dergelijke verplichting.
Gedurende de eerste drie jaar waarin zij onderworpen is aan de vereisten inzake duurzaamheidsrapportering overeenkomstig lid 1 en indien niet alle nodige informatie over haar waardeketen beschikbaar is, legt de onderneming uit welke inspanningen zijn geleverd om de nodige informatie over haar waardeketen te verkrijgen, waarom niet alle nodige informatie kon worden verkregen en welke plannen zij heeft om in de toekomst alle nodige informatie te verkrijgen. Na die overgangsperiode van drie jaar voldoet de onderneming aan de rapporteringsvereisten voor informatie over de waardeketen door gebruik te maken van informatie die zij rechtstreeks heeft verkregen van ondernemingen in haar waardeketen of, in voorkomend geval, schattingen van die informatie.
De in de leden 1 en 2 bedoelde informatie bevat, in voorkomend geval, tevens verwijzingen naar en aanvullende uitleg over de andere informatie die overeenkomstig artikel 19 in het bestuursverslag is opgenomen en de bedragen die in de jaarlijkse financiële overzichten zijn vermeld.
‘Bij het rapporteren van de in de leden 1 en 2 bedoelde informatie kunnen ondernemingen de volgende informatie weglaten:
- a)
in uitzonderlijke gevallen, informatie waarvan de openbaarmaking de commerciële positie van de onderneming ernstig zou schaden, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:
- i)
het weglaten van de informatie staat niet in de weg aan een getrouw en evenwichtig begrip van de ontwikkeling, de prestaties en de positie van de onderneming, of van haar voornaamste risico's of effecten;
- ii)
de onderneming heeft vastgesteld dat het onmogelijk is de informatie openbaar te maken op een wijze die haar in staat zou stellen aan de doelstellingen van de openbaarmakingsvereisten te voldoen zonder haar commerciële positie ernstig te schaden, bijvoorbeeld op geaggregeerde basis;
- iii)
de onderneming rapporteert dat zij van de in deze alinea neergelegde vrijstelling heeft gebruikgemaakt, en
- iv)
de onderneming beoordeelt op elke rapporteringsdatum opnieuw of de informatie nog steeds mag worden weggelaten;
- b)
informatie die overeenstemt met intellectueel kapitaal, intellectuele eigendom, kennis, technologische informatie of de resultaten van innovatie en die kan worden aangemerkt als bedrijfsgeheim zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 1), van Richtlijn (EU) 2016/943 van het Europees Parlement en de Raad (1), mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:
- i)
de onderneming rapporteert dat zij van de in deze alinea neergelegde vrijstelling heeft gebruikgemaakt, en
- ii)
de onderneming beoordeelt op elke rapporteringsdatum opnieuw of de informatie nog steeds mag worden weggelaten;
- c)
gerubriceerde informatie zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 7), van Verordening (EU) 2023/2418 van het Europees Parlement en de Raad (2), mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:
- i)
de onderneming rapporteert dat zij van de in deze alinea neergelegde vrijstelling heeft gebruikgemaakt, en
- ii)
de onderneming beoordeelt op elke rapporteringsdatum opnieuw of de informatie nog steeds mag worden weggelaten;
- d)
andere informatie die moet worden beschermd tegen ongeoorloofde toegang of openbaarmaking op grond van verplichtingen die zijn vastgelegd in andere rechtshandelingen van de Unie of nationale wetgeving of om de privacy of veiligheid van een natuurlijke persoon of de veiligheid van een rechtspersoon te waarborgen, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:
- i)
de onderneming rapporteert dat zij van de in deze alinea neergelegde vrijstelling heeft gebruikgemaakt, en
- ii)
de onderneming beoordeelt op elke rapporteringsdatum opnieuw of de informatie nog steeds mag worden weggelaten.
4.
Ondernemingen rapporteren de in de leden 1, 2 en 3 van dit artikel bedoelde informatie overeenkomstig de op grond van artikel 29 ter vastgestelde duurzaamheidsrapporteringsstandaarden.
5.
Het management van de onderneming informeert de werknemersvertegenwoordiging op het passende niveau en bespreekt met de werknemersvertegenwoordiging de relevante informatie en de manier waarop duurzaamheidsinformatie wordt verkregen en geverifieerd. Het standpunt van de werknemersvertegenwoordiging wordt in voorkomend geval meegedeeld aan de betrokken bestuurs-, leidinggevende of toezichthoudende organen.
6.
Vervallen.
7.
Vervallen.
8.
Ondernemingen die aan de in de leden 1 tot en met 4 van dit artikel bepaalde vereisten voldoen en ondernemingen die een beroep doen op de in lid 6 van dit artikel bedoelde afwijking, worden geacht aan het vereiste van artikel 19, lid 1, derde alinea, te hebben voldaan.
9.
Op voorwaarde dat aan de in de tweede alinea van dit lid bepaalde vereisten is voldaan, is een onderneming die een dochteronderneming is, vrijgesteld van de in de leden 1 tot en met 4 van dit artikel bepaalde verplichtingen (de ‘vrijgestelde dochteronderneming’), indien een dergelijke onderneming en haar dochterondernemingen opgenomen zijn in het overeenkomstig de artikelen 29 en 29 bis opgestelde geconsolideerde bestuursverslag van een moederonderneming. Een onderneming die een dochteronderneming is van een in een derde land gevestigde moederonderneming wordt eveneens vrijgesteld van de in de leden 1 tot en met 4 van dit artikel bepaalde verplichtingen indien een dergelijke onderneming en haar dochterondernemingen zijn opgenomen in de geconsolideerde duurzaamheidsrapportering van die in een derde land gevestigde moederonderneming en indien die geconsolideerde duurzaamheidsrapportering is uitgevoerd overeenkomstig de in artikel 29 ter vastgestelde duurzaamheidsrapporteringsstandaarden of op een wijze die gelijkwaardig is aan die standaarden, zoals bepaald overeenkomstig een op grond van artikel 23, lid 4, derde alinea, van Richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad (4) vastgestelde uitvoeringshandeling inzake de gelijkwaardigheid van duurzaamheidsrapporteringsstandaarden.
Aan de bij alinea 1 verleende vrijstelling zijn de volgende voorwaarden verbonden:
- a)
het bestuursverslag van de vrijgestelde dochteronderneming bevat de volgende informatie:
- i)
de naam en zetel van de moederonderneming die op groepsniveau informatie rapporteert overeenkomstig dit artikel, of op een wijze die gelijkwaardig is aan die waarin de op grond van artikel 29 ter van deze richtlijn vastgestelde duurzaamheidsrapporteringsstandaarden, zoals bepaald overeenkomstig een op grond van artikel 23, lid 4, derde alinea, van Richtlijn 2004/109/EG vastgestelde uitvoeringshandeling inzake de gelijkwaardigheid van duurzaamheidsrapporteringsstandaarden, voorziet;
- ii)
de weblinks naar het geconsolideerde bestuursverslag van de moederonderneming, of, indien van toepassing, naar de geconsolideerde duurzaamheidsrapportering van de moederonderneming, zoals bedoeld in de eerste alinea van dit lid, en naar het in artikel 34, lid 1, tweede alinea, punt a bis), van deze richtlijn bedoelde assuranceoordeel of het in punt b) van deze alinea bedoelde assuranceoordeel;
- iii)
de mededeling dat de onderneming is vrijgesteld van de in de leden 1 tot en met 4 van dit artikel bepaalde verplichtingen;
- b)
indien de moederonderneming in een derde land is gevestigd, worden haar geconsolideerde duurzaamheidsrapportering en het assuranceoordeel over de geconsolideerde duurzaamheidsrapportering dat is uitgebracht door één of meerdere personen of kantoren die uit hoofde het recht waaronder die moederonderneming valt gerechtigd is een oordeel over de assurance van duurzaamheidsrapportering uit te brengen, overeenkomstig artikel 30 van deze richtlijn gepubliceerd, overeenkomstig het recht van de lidstaat waaronder de vrijgestelde dochteronderneming valt;
- c)
indien de moederonderneming in een derde land is gevestigd, wordt de in artikel 8 van Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad (5) bedoelde informatieverschaffing over de activiteiten van de vrijgestelde dochteronderneming die in de Unie is gevestigd, en haar dochterondernemingen, opgenomen in het bestuursverslag van de vrijgestelde dochteronderneming of in de geconsolideerde duurzaamheidsrapportering die door de in een derde land gevestigde moederonderneming is uitgevoerd.
De lidstaat onder wiens nationaal recht de vrijgestelde dochteronderneming valt, kan eisen dat het geconsolideerde bestuursverslag of, in voorkomend geval, de geconsolideerde duurzaamheidsrapportering van de moederonderneming wordt gepubliceerd in een taal die door die lidstaat aanvaard wordt, en dat wordt voorzien in eventueel benodigde vertalingen naar die taal. Elke niet-gewaarmerkte vertaling bevat een verklaring in die zin.
Ondernemingen die overeenkomstig artikel 37 zijn vrijgesteld van het opstellen van een bestuursverslag, zijn niet verplicht de in de tweede alinea, punt a), i), ii) en iii), van dit lid bedoelde informatie te verstrekken, mits die ondernemingen het geconsolideerde bestuursverslag overeenkomstig artikel 37 publiceren.
Voor de toepassing van de eerste alinea van dit lid, en indien artikel 10 van Verordening (EU) nr. 575/2013 van toepassing is, worden kredietinstellingen als bedoeld in artikel 1, lid 3), eerste alinea, punt b), van deze richtlijn die blijvend zijn aangesloten bij een centraal orgaan dat toezicht op hen uitoefent onder de in artikel 10 van Verordening (EU) nr. 575/2013 gestelde voorwaarden, beschouwd als dochterondernemingen van dat centrale orgaan.
Voor de toepassing van de eerste alinea van dit lid worden in artikel 1, lid 3, punt a), van deze richtlijn bedoelde verzekeringsondernemingen die op basis van de in artikel 212, lid 1, punt c), ii), van Richtlijn 2009/138/EG bedoelde financiële banden deel uitmaken van een groep, waarop overeenkomstig artikel 213, lid 2, punten a), b) en c), van die richtlijn op groepsniveau toezicht wordt uitgeoefend, beschouwd als dochterondernemingen van de moederonderneming van die groep.
10.
De bij lid 9 verleende vrijstelling is ook van toepassing op organisaties van openbaar belang waarvoor de vereisten van dit artikel gelden.
Voetnoten
Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 2021 tot vaststelling van een kader voor de verwezenlijking van klimaatneutraliteit en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 401/2009 en Verordening (EU) 2018/1999 (‘Europese klimaatwet’) (PB L 243 van 9.7.2021, blz. 1).
Richtlijn (EU) 2016/943 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende de bescherming van niet-openbaar gemaakte knowhow en bedrijfsinformatie (bedrijfsgeheimen) tegen het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken en openbaar maken daarvan (PB L 157 van 15.6.2016, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2016/943/oj).
Verordening (EU) 2023/2418 van het Europees Parlement en de Raad van 18 oktober 2023 tot vaststelling van een instrument voor de versterking van de Europese defensie-industrie door middel van gemeenschappelijke aanbestedingen (EDIRPA) (PB L, 2023/2418, 26.10.2023, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2023/2418/oj).
Richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2004 betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten en tot wijziging van Richtlijn 2001/34/EG (PB L 390 van 31.12.2004, blz. 38).
Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van een kader ter bevordering van duurzame beleggingen en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/2088 (PB L 198 van 22.6.2020, blz. 13).