Einde inhoudsopgave
Verordening (EU) 2024/573 betreffende gefluoreerde broeikasgassen, tot wijziging van Richtlijn (EU) 2019/1937 en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 517/2014
Artikel 5 Lekcontroles
Geldend
Geldend vanaf 12-03-2024
- Bronpublicatie:
07-02-2024, PbEU L 2024, 2024/573 (uitgifte: 20-02-2024, regelingnummer: 2024/573)
- Inwerkingtreding
12-03-2024
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
07-02-2024, PbEU L 2024, 2024/573 (uitgifte: 20-02-2024, regelingnummer: 2024/573)
- Vakgebied(en)
Milieurecht / Lucht
Milieurecht (V)
1.
Exploitanten en fabrikanten van apparatuur die 5 ton of meer CO2-equivalent van de in bijlage I vermelde gefluoreerde broeikasgassen bevat, of 1 kg of meer van de in deel 1 van bijlage II vermelde gefluoreerde broeikasgassen, die niet in schuimen zijn opgenomen, zorgen ervoor dat de apparatuur op lekkage wordt gecontroleerd.
Hermetisch gesloten apparatuur wordt niet op lekken gecontroleerd, mits die is geëtiketteerd als hermetisch gesloten apparatuur en aan een van de volgende voorwaarden voldoet:
- a)
zij bevat minder dan 10 ton CO2-equivalent van de in bijlage I vermelde gefluoreerde broeikasgassen, of
- b)
zij bevat minder dan 2 kg van de in deel 1 van bijlage II vermelde gefluoreerde broeikasgassen.
In afwijking van de tweede alinea wordt, wanneer hermetisch gesloten apparatuur in residentiële gebouwen is geïnstalleerd, die niet op lekken gecontroleerd indien die apparatuur minder dan 3 kg gefluoreerde broeikasgassen bevat, mits die als hermetisch gesloten is geëtiketteerd.
Een elektrische schakelinrichting wordt niet op lekken gecontroleerd mits die voldoet aan een van de volgende voorwaarden:
- a)
zij heeft een getest lekkagepercentage van minder dan 0,1 % per jaar zoals vermeld in de technische specificatie van de fabrikant en is als zodanig geëtiketteerd;
- b)
zij is uitgerust met een toestel voor online druk- of densiteitsmonitoring met een automatisch waarschuwingssysteem terwijl die in bedrijf is;
- c)
zij bevat minder dan 6 kg van de in bijlage I vermelde gefluoreerde broeikasgassen.
2.
Lid 1 geldt voor exploitanten en fabrikanten van de volgende stationaire apparatuur die in bijlage I of in deel 1 van bijlage II vermelde gefluoreerde broeikasgassen bevat:
- a)
koelingapparatuur;
- b)
klimaatregelingsapparatuur;
- c)
warmtepompen;
- d)
brandbeveiligingsapparatuur;
- e)
organische rankinecycli;
- f)
elektrische schakelinrichtingen.
3.
Lid 1 geldt voor exploitanten en fabrikanten van de volgende mobiele apparatuur die in bijlage I of in deel 1 van bijlage II vermelde gefluoreerde broeikasgassen bevat:
- a)
koeleenheden van koelwagens en koelaanhangwagens;
- b)
koeleenheden van lichte koelvoertuigen, van gekoelde intermodale containers met inbegrip van reefers, en van gekoelde treinwagons;
- c)
klimaatregelingsapparatuur en warmtepompen in zware voertuigen, bestelwagens, niet voor de weg bestemde mobiele machines die worden gebruikt voor landbouw-, mijnbouw- en bouwactiviteiten, treinen, metro's, trams en vliegtuigen.
Wat betreft de in de punten a) tot en met e) van lid 2 en in de punten a) en b) van dit lid genoemde apparatuur worden de controles verricht door natuurlijke personen die gecertificeerd zijn overeenkomstig artikel 10.
4.
Wat betreft de in lid 3, punt c), genoemde mobiele apparatuur worden de controles verricht door natuurlijke personen die houder zijn van minimaal een opleidingsattest overeenkomstig artikel 10, lid 1, tweede alinea.
5.
Tot 12 maart 2027 zijn de leden 1 en 6 niet van toepassing op exploitanten van mobiele apparatuur uit hoofde van lid 3, punten b) en c).
6.
De controles op lekken zoals bedoeld in lid 1 worden uitgevoerd met de volgende frequentie:
- a)
bij apparatuur die minder dan 50 ton CO2-equivalent van de in bijlage I vermelde gefluoreerde broeikasgassen bevat, of minder dan 10 kg van de in deel 1 van bijlage II vermelde gefluoreerde broeikasgassen: ten minste om de twaalf maanden, of, wanneer in zulke apparatuur een lekkagedetectiesysteem is geïnstalleerd, ten minste om de vierentwintig maanden;
- b)
bij apparatuur die 50 ton CO2-equivalent of meer, maar minder dan 500 ton CO2-equivalent van de in bijlage I vermelde gefluoreerde broeikasgassen bevat, of 10 kg of meer, maar minder dan 100 kg van de in deel 1 van bijlage II vermelde gefluoreerde broeikasgassen: ten minste om de zes maanden of, wanneer in zulke apparatuur een lekkagedetectiesysteem is geïnstalleerd, ten minste om de twaalf maanden;
- c)
bij apparatuur die 500 ton CO2-equivalent of meer van de in bijlage I vermelde gefluoreerde broeikasgassen bevat, of 100 kg of meer van de in deel 1 van bijlage II vermelde gefluoreerde broeikasgassen: ten minste om de drie maanden of, wanneer in zulke apparatuur een lekkagedetectiesysteem is geïnstalleerd, ten minste om de zes maanden.
7.
Aan de verplichtingen van lid 1 met betrekking tot brandbeveiligingsapparatuur zoals bedoeld in lid 2, punt d), wordt geacht te zijn voldaan indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
- a)
er worden inspecties uitgevoerd volgens een regime dat voldoet aan ISO-norm 14520- of EN 15004, en
- b)
de brandbeveiligingsapparatuur wordt zo vaak als uit hoofde van lid 6 vereist is, geïnspecteerd.
Aan de verplichtingen van lid 1 voor mobiele klimaatregelingsapparatuur en warmtepompen, zoals bedoeld in lid 3, punt c), wordt geacht te zijn voldaan indien de mobiele klimaatregelingsapparatuur en de warmtepompen onderworpen worden aan een regelmatige keuringsregeling die lekcontroles omvat.
8.
De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen vereisten vaststellen voor de controles op lekken die overeenkomstig lid 1 voor elk type apparatuur zoals bedoeld in de leden 2 en 3 moeten worden uitgevoerd, en de apparatuuronderdelen identificeren die het meest waarschijnlijk zullen lekken. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 34, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.