Einde inhoudsopgave
Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers
Artikel 3.2.1 Bezoldiging en uitkeringen
Geldend
Geldend vanaf 01-07-2024
- Bronpublicatie:
03-06-2024, Stcrt. 2024, 17611 (uitgifte: 05-06-2024, regelingnummer: 2024-0000313310)
- Inwerkingtreding
01-07-2024
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
03-06-2024, Stcrt. 2024, 17611 (uitgifte: 05-06-2024, regelingnummer: 2024-0000313310)
- Vakgebied(en)
Ambtenarenrecht / Bijzondere onderwerpen
Staatsrecht / Decentralisatie
1.
De bezoldiging van de burgemeester is afhankelijk van de inwonersklasse waarin de gemeente, waarin hij burgemeester is, op grond van artikel 3.2, eerste lid, is ingedeeld en wordt vastgesteld aan de hand van de volgende tabel:
inwonersklasse | bezoldiging |
|---|---|
1 | € 7.975,69 |
2 | € 8.760,55 |
3 | € 9.539,58 |
4 | € 10.358,31 |
5 | € 11.218,35 |
6 | € 12.152,10 |
7 | € 12.875,98 |
8 | € 13.787,12 |
9 | € 14.760,00 |
2.
De bezoldiging per maand van de burgemeester van meer dan één gemeente wordt bepaald aan de hand van de tabel in het eerste lid, met dien verstande dat wordt uitgegaan van de bezoldiging behorende bij de eerstvolgende inwonersklasse. Voor de toepassing van de eerste volzin worden de gemeenten, waarin betrokkene het ambt van burgemeester vervult, als één gemeente aangemerkt, waarbij de inwoners van deze gemeenten worden samengeteld, en wordt die gemeente ingedeeld aan de hand van de tabel in artikel 3.2, eerste lid.
3.
De bezoldiging per maand van de wethouder is afhankelijk van de inwonersklasse waarin de gemeente, waarin hij wethouder is, op grond van artikel 3.2, eerste lid is ingedeeld en wordt vastgesteld aan de hand van de volgende tabel.
inwonersklasse | bezoldiging |
|---|---|
1 | € 6.110,94 |
2 | € 6.907,67 |
3 | € 7.747,70 |
4 | € 8.281,86 |
5 | € 9.042,33 |
6 | € 9.841,08 |
7 | € 10.735,89 |
8 | € 11.364,41 |
9 | € 12.875,98 |
4.
Indien een gemeente in verband met een wijziging van het aantal inwoners op grond van artikel 3.3, eerste of derde lid, wordt ingedeeld in een hogere inwonersklasse of op grond van een besluit als bedoeld in artikel 3.4 voor een bepaald tijdvak in een hogere inwonersklasse wordt geplaatst, wordt de bezoldiging van de burgemeester en van de wethouders aan de hand van de tabel in het eerste, onderscheidenlijk derde lid aangepast.
5.
6.
De afloop van het tijdvak, bedoeld in artikel 3.4, eerste of tweede lid, is niet van invloed op de bezoldiging van de op de laatste dag van dat tijdvak in functie zijnde burgemeester zolang hij niet is herbenoemd.
7.
Als voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in een collectieve arbeidsovereenkomst een wijziging van het loon is overeengekomen, worden de bedragen, genoemd in het eerste en derde lid bij ministeriële regeling overeenkomstig gewijzigd.
8.
Wanneer de burgemeester of wethouder in de loop van een maand is benoemd of in de loop van een maand is afgetreden, ontslagen of overleden, wordt de bezoldiging voor die maand genoten naar evenredigheid van de periode van uitoefening van het ambt in die maand.
9.
De wethouder die met toepassing van artikel 36, tweede lid, van de Gemeentewet de functie in deeltijd uitoefent, ontvangt de bezoldiging, bedoeld in het derde lid, naar evenredigheid met de vastgestelde tijdsbestedingsnorm, bedoeld in artikel 36, vierde lid, van de Gemeentewet.
10.
Indien een wethouder gedurende een tijdvak als bedoeld in artikel 36b, tweede lid, onder a of b, van de Gemeentewet tevens raadslid is, vervalt gedurende dit tijdvak zijn aanspraak op een vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 3.1.1.
11.
De burgemeesters en de wethouder ontvangen een vakantie-uitkering van 8% van de door hen genoten bezoldiging. De vakantie-uitkering wordt eenmaal per jaar uitbetaald over de periode van twaalf maanden, die is aangevangen met de maand juni van het voorgaande kalenderjaar. Bij ontslag, aftreden of overlijden van de burgemeester of de wethouder vindt betaling plaats over het tijdvak, gelegen tussen het einde van de laatst verstreken periode, waarover de vakantie-uitkering is betaald en de datum van het ontslag, aftreden of overlijden.
12.
De burgemeester en de wethouder ontvangen een eindejaarsuitkering van 9,8 onderscheidenlijk 8,3% van de door hen genoten bezoldiging. De eindejaarsuitkering wordt jaarlijks uitbetaald in de maand november en wordt berekend over de periode van twaalf maanden die is aangevangen met de maand december van het voorgaande kalenderjaar. Bij ontslag, aftreden of overlijden van de burgemeester of de wethouder vindt betaling plaats over het tijdvak gelegen tussen het einde van de laatst verstreken periode waarover de eindejaarsuitkering is betaald en de datum van het ontslag, aftreden of overlijden.
13.
Indien voor de ambtenaren, bedoeld in het zevende lid, in een collectieve arbeidsovereenkomst een eenmalige uitkering is overeengekomen, ontvangen de burgemeester en de wethouder een uitkering op dezelfde voet.
14.
De burgemeester ontvangt ter aanvulling van de eindejaarsuitkering, bedoeld in het twaalfde lid, jaarlijks een bedrag van € 450, met dien verstande dat, indien de eindejaarsuitkering over minder dan twaalf maanden is opgebouwd, dit bedrag naar evenredigheid wordt verminderd.