Einde inhoudsopgave
Verordening (EG) nr. 6/2002 betreffende Uniemodellen
Artikel 25 Nietigheidsgronden
Geldend
Geldend van 08-12-2024 tot 01-07-2026
- Redactionele toelichting
Wordt toegepast vanaf 01-07-2026.
- Bronpublicatie:
23-10-2024, PbEU L 2024, 2024/2822 (uitgifte: 18-11-2024, regelingnummer: 2024/2822)
- Inwerkingtreding
08-12-2024
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
23-10-2024, PbEU L 2024, 2024/2822 (uitgifte: 18-11-2024, regelingnummer: 2024/2822)
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht / Modellen- en merkenrecht
1.
Een Uniemodel kan slechts in de volgende situaties nietig worden verklaard:
- a)
het Uniemodel stemt niet overeen met de definitie in artikel 3, punt 1);
- b)
het Uniemodel voldoet niet aan de voorwaarden van de artikelen 4 tot en met 9;
- c)
de houder van het recht kan krachtens een beslissing van de bevoegde rechter of autoriteit geen aanspraak op het Uniemodel maken uit hoofde van artikel 14;
- d)
het Uniemodel is strijdig met een ouder model dat voor het publiek beschikbaar is gesteld vóór of na de datum van indiening van de aanvraag of, indien er aanspraak op voorrang wordt gemaakt, de datum van voorrang van het Uniemodel, en dat wordt beschermd vanaf een datum vóór de datum van indiening van de aanvraag of, indien aanspraak op voorrang wordt gemaakt, de datum van voorrang van het Uniemodel:
- i)
door een ingeschreven Uniemodel, dan wel door een aanvraag om inschrijving als Uniemodel, onder voorbehoud van inschrijving,
- ii)
door een ingeschreven modelrecht van een lidstaat, dan wel door een aanvraag om een zodanig recht, onder voorbehoud van inschrijving, of
- iii)
door een modelrecht dat is ingeschreven overeenkomstig de Akte van Genève bij de Overeenkomst van ’s-Gravenhage betreffende de internationale inschrijving van tekeningen of modellen van nijverheid van 1999 (‘de Akte van Genève’), met werking in de Unie, of door een aanvraag om een zodanig recht, onder voorbehoud van inschrijving;
- e)
in een later model wordt van een onderscheidend teken gebruikgemaakt en het Unierecht of het recht van de lidstaat dat op dat teken van toepassing is, staat de houder van het recht op het teken toe dat gebruik te verbieden;
- f)
in het model wordt zonder toestemming gebruikgemaakt van een werk dat in een lidstaat auteursrechtelijk is beschermd;
- g)
het model vormt een oneigenlijk gebruik van een van de in artikel 6 ter van het Verdrag van Parijs ter bescherming van de industriële eigendom (‘het Verdrag van Parijs’) genoemde zaken, of van kentekenen, emblemen en wapens die niet onder dat artikel vallen en die in een lidstaat van bijzonder algemeen belang zijn, en de bevoegde autoriteiten geen toestemming voor de inschrijving hebben gegeven.
2.
De in lid 1, punten a) en b), bedoelde nietigheidsgronden kunnen worden ingeroepen door:
- a)
iedere natuurlijke of rechtspersoon, of
- b)
iedere groepering of entiteit die is opgericht om de belangen van fabrikanten, producenten, dienstverrichters, handelaren of consumenten te behartigen, indien die groepering of entiteit uit hoofde van het ter zake geldende recht bevoegd is in eigen naam in rechte op te treden.
3.
De in lid 1, punt c), van dit artikel vermelde nietigheidsgrond kan alleen worden ingeroepen door degene die uit hoofde van artikel 14 aanspraak kan maken op het Uniemodel.
4.
De in lid 1, punten d), e) en f), vermelde nietigheidsgronden kunnen alleen worden ingeroepen door:
- a)
de aanvrager of de houder van het oudere recht;
- b)
de personen die krachtens het Unierecht of het recht van de betrokken lidstaat de rechten kunnen uitoefenen, of
- c)
een licentiehouder die is gemachtigd door een houder van het oudere recht.
5.
De in lid 1, punt g), vermelde nietigheidsgrond kan alleen worden ingeroepen door de persoon of entiteit die is benadeeld door het oneigenlijke gebruik.
6.
In afwijking van de leden 4 en 5 kunnen de lidstaten bepalen dat de in lid 1, punten d) en g), vermelde gronden ook ambtshalve door de bevoegde instantie van die lidstaat kunnen worden ingeroepen.
7.
Een ingeschreven Uniemodel mag niet nietig worden verklaard indien de aanvrager of de houder van een van de in lid 1, punten d) tot en met f), bedoelde rechten uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven tot de inschrijving van het Uniemodel alvorens de vordering tot nietigverklaring of de reconventionele vordering in te stellen.
8.
De aanvrager of een houder van een van de in lid 1, punten d), e) en f), bedoelde rechten die de nietigverklaring van het Uniemodel heeft gevorderd of een reconventionele vordering in een inbreukprocedure heeft ingesteld, mag geen nieuwe vordering tot nietigverklaring of nieuwe reconventionele vordering instellen op grond van een van de andere in die punten vermelde rechten die reeds tot staving van de eerste vordering tot nietigverklaring of reconventionele vordering hadden kunnen worden inroepen.