Box 3

Box 3

Bijgewerkt t/m: 12-05-2026

Harjit Singh LLM

id-09b6b71b-fb5e-4c13-a4d1-01386b4af5fb

Lead Legal Watch Analyst bij ADP & eigenaar Taxingh Consultancy

Deskundige op het gebied van belastingheffing bij aankoop van woningen in het buitenland, emigratie en global mobility

Specialisme: loonbelasting, sociale zekerheid, inkomstenbelasting, internationaal belastingrecht, overdrachtsbelasting

In box 3 wordt het voordeel uit sparen en beleggen forfaitair bepaald. Het inkomen dat een belastingplichtige daadwerkelijk geniet met zijn vermogen, is niet relevant. De belastingplichtige wordt geacht een forfait rendement aan inkomen te genieten dat afhankelijk is van de samenstelling van het vermogen op 1 januari van het desbetreffende belastingjaar. Echter, de afgelopen jaren is box 3 bij diverse gelegenheden ingrijpend gewijzigd. Naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021 heeft het kabinet aangekondigd, dat vanaf 2027 een nieuw stelsel gaat komen waarbij heffing zal plaatsvinden op basis van het werkelijk rendement en de waardestijgingen. Op 13 december 2024 liet de Staatssecretaris weten dat de invoering van het nieuwe stelsel met ingang van 2027 niet mogelijk is en op zijn vroegst vanaf 2028 wordt ingevoerd. Voor de tussenliggende jaren is er overbruggingswetgeving van toepassing. Voor de periode tot en met 2022 wordt rechtsherstel geboden. In dit thema krijgt u antwoord op de vraag hoe de heffing van inkomstenbelasting in box 3 plaatsvindt.

Verleden, heden en toekomst van box 3

Een belastingplichtige die voordeel behaalt uit sparen en beleggen, wordt belast in box 3 op basis van een forfaitair rendement. Over het forfaitaire rendement is met ingang van 1 januari 2021 31% inkomstenbelasting verschuldigd. Met ingang van 2017 is het forfaitaire rendement gebaseerd op een veronderstelde mix van spaartegoed en beleggingsvermogen (de vermogensmix). Het spaardeel kent in 2022 een forfaitair rendement van -0,01% en voor het beleggingsdeel is dit 5,53%. Bovendien geldt voortaan een systeem met drie schijven. Per schijf geldt een andere vermogensmix.

Op 24 december 2021 heeft de Hoge Raad echter geoordeeld dat de vermogensmix op stelselniveau in strijd is met het recht van eigendom en het gelijkheidsbeginsel. Volgens de Hoge Raad is voor het met ingang van 2017 geldende forfaitaire stelsel geen toereikende rechtvaardiging aan te wijzen. De Hoge Raad doet de zaak zelf af en biedt rechtsherstel door alleen het werkelijke rendement in de heffing te betrekken.

Mede naar aanleiding van dit arrest heeft het kabinet aangekondigd dat er vanaf 2027 een nieuw stelsel gaat komen, waarbij heffing gaat plaatsvinden op basis van het werkelijk rendement en de waardestijgingen. Op 13 december 2024 liet de Staatssecretaris weten dat de invoering van het nieuwe stelsel met ingang van 2027 niet mogelijk is en op zijn vroegst vanaf 2028 wordt ingevoerd. Voor de tussenliggende jaren heeft men in het Belastingplan 2023 overbruggingswetgeving aangekondigd. Voor de periode tot en met 2022 wordt er rechtsherstel geboden. Zowel voor het rechtsherstel als voor de overbruggingswetgeving geldt dezelfde systematiek. In deze systematiek wordt het vermogen grofweg gesplitst in banktegoeden, overige bezittingen en schulden. Vervolgens wordt op elke categorie een ander forfaitair rendementspercentage toegepast. Er zijn wel een paar verschillen tussen het rechtsherstel voor de jaren tot en met 2022 en de overbruggingswetgeving in de jaren 2023 tot en met 2027. Zo wordt bij het rechtsherstel de nieuwe berekening vergeleken met de berekening uit het oude stelsel. De berekening die het meest gunstig is voor de belastingplichtige wordt toegepast. Onder de overbruggingswetgeving geldt alleen de nieuwe berekening.

Vanaf 2028 zal er een nieuw stelsel komen, waarbij heffing gaat plaatsvinden op basis van het werkelijk rendement. Hierbij worden twee vormen van heffing geïntroduceerd, afhankelijk van het type vermogen, namelijk een vermogensaanwasbelasting en een vermogenwinstbelasting.

Rendementsgrondslag

De peildatum voor de rendementsgrondslag is 1 januari van het kalenderjaar. Op basis van het oude systeem wordt het rendement berekend over het saldo van bezittingen minus schulden, gebaseerd op de waarde in het economische verkeer. In het systeem, zoals dat wordt toegepast onder het rechtsherstel en de overbruggingswetgeving, gaat men uit van de werkelijke vermogensmix. Er worden drie categorieën vermogensbestanddelen onderscheiden: banktegoeden, overige bezittingen en schulden. Per categorie wordt wel nog steeds een forfaitair rendement gehanteerd. Voor 2026 geldt voor banktegoeden een voorlopig rendement van 1,44%, voor overige bezittingen is dat 6,0% en voor schulden gaat men uit van een rente van 2,61%.

Voor woningen die onder de huurbescherming vallen geldt een afwijkende waarde, te weten de WOZ-waarde vermenigvuldigd met de zogenoemde leegwaarderatio. Met ingang van 2023 worden woningen die via een tijdelijk huurcontract worden verhuurd, uitgesloten van toepassing van de leegwaarderatio.

Voordeel uit beleggen

De kwalificatie van de activiteiten voor een bezitting bepaalt of sprake is van een voordeel uit beleggen. Een bezitting kwalificeert als een belegging als deze wordt aangehouden met het oog op het verkrijgen van de waardestijging en het rendement daarvan, zoals te verwachten bij normaal vermogensbeheer. Deze beoordeling is zeer feitelijk van aard. Als sprake is van meer dan normaal vermogensbeheer dan is het voordeel niet belast in box 3, maar in box 1.

Documenten bij dit thema

Artikel 2.14 Wet inkomstenbelasting 2001

Artikel 5.2 Wet inkomstenbelasting 2001

Artikel 5.3 Wet inkomstenbelasting 2001

Artikel 5.19 Wet inkomstenbelasting 2001

Artikel 5.20 Wet inkomstenbelasting 2001

Artikel 17a Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001

Kennisgroepstandpunt Belastingdienst van 11 maart 2024, ​KG:202:2024:6, Individuele en buitensporige last in box 3

​Kennisgroepstandpunt Belastingdienst van 11 januari 2024, ​KG:202:2023:32​, Derdenrekening notaris in het rechtsherstel box 3

Kennisgroepstandpunt Belastingdienst van 11 januari 2024, KG:202:2023:31, Aandeel in een reservefonds van een Vereniging van Eigenaars in het rechtsherstel box 3

Beantwoording feitelijke vragen naar aanleiding van de uitspraak van de Hoge Raad van 24 decemer 2021 inzake box 3, Brief van Staatssecretaris van Financiën, 1 februari 2022, 2022-0000035345, V-N 2022/8.3, TaxVisions, editie 11 februari 2022

Stand van zaken wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3, Brief van Staatssecretaris van Financiën, 19 juni 2024, 2024-0000351785, V-N 2024/31.9

HR 14 juni 2024, nr. 23/01736, ECLI:NL:HR:2024:857​V-N​​​ 2024/29.5​​​V-N​​​ 2024/29.6​​​NTFR​​​ 2024/1054​​, ​NLF​​​ 2024/1409​​, ​NDFR Nieuws ​​​2024/1050,​​ ​NJB​​​​ 2024/1568​, ​TaxVisions​​​ editie 21 juni 2024

​HR 14 juni 2024, nr. 22/01571, ​ECLI:NL:HR:2024:855​​V-N​​​ 2024/29.7​​​V-N​​​ 2024/29.8​​​NTFR​​​ 2024/1052​​, ​NLF​​​ 2024/1467​​, ​NDFR Nieuws ​​​2024/1046​​, TaxVisions​​​ editie 21 juni 2024

​HR 6 juni 2024, nr. 22/04676, ​ECLI:NL:HR:2024:704​​V-N​​​ 2024/28.3​​​NTFR​​​ 2024/999​​, ​NLF​​​ 2024/1407​​, ​Ondernemingsrechtpraktijk​​​ 2024/189​​, ​Belastingzaken​​​ 2024/644​​, ​Notamail ​​​2024/133​​, TaxVisions​​​ editie 14 juni 2024

H.A.J.P. te Niet, Het beleggingsbegrip in de directe belastingen (Fiscale monografieën, nr. 125), Deventer: Kluwer 2007.

T.M. Berkhout, 'Ondernemen en niet-ondernemen in vastgoed', NTFR 2010/1225

J.P. Boer & H. Vording, 'Keuzes voor een betere vermogensrendementsheffing', WFR 2015/614

J.P. Boer & A.C. Hordijk, 'Uitvoeringsbesluit waardering verhuurde woningen een taxatiefout?', WFR 2015/1037

M. Romyn, 'Hoe Wiebes een ‘Budgetneutrale box 3’ bij elkaar fantaseert', WFR 2015/1528

C. Bruijsten,'Vermogensrendementsheffing: inbreuk op het ongestoord genot van eigendom?', NTFR-B 2016/28

C. Overduin, 'Box 3: Het zal je kind maar wezen', WFR 2020/188

C. Bruijsten, 'Box 3 en het verdragsrechtelijke eigendomsrecht: probeert het kabinet aan een verdragsschending te ontkomen?', WFR 2020/236

'Tegenbewijsregeling box 3 juridisch niet houdbaar volgens staatssecretaris', V-N 2021/29.10

P.H.A. Albert, 'De wetgever waadde door water van gemiddeld één meter diep en verdronk', WFR 2022/6

D.L. Aulia, 'Box 3: eerst genieten, dan belasten!', WFR 2024/177

R.P. van den Dool, 'Inflatiecorrectie in box 3 is nodig', WFR 2024/173

C.B. Bavinck & R.P.C. Cornelisse, 'Heffing over het werkelijk rendement in box 3', WFR 2024/145

Informatiedossier over box 3, TaxLive

Cursus Belastingrecht IB.5.0.1, Gevolgen Kerstarrest en inleiding box 3, Mr. A.J.M. Arends

Cursus Belastingrecht IB.5.0.4, Historie van de vermogensrendementsheffing, Mr. A.J.M. Arends

Cursus Belastingrecht IB.5.0.5, Andere mogelijke oplossingen, Mr. A.J.M. Arends

Cursus Belastingrecht IB.5.0.7.C, Strijdigheid met art. 1 Protocol 1 EVRM, Mr. A.J.M. Arends

Cursus Belastingrecht IB.5.1.2, Het forfaitaire rendement, Mr. A.J.M. Arends

Cursus Belastingrecht, IB.5.1.3, Rendementsgrondslag, Mr. A.J.M. Arends

Vakstudie Inkomstenbelasting, art. 5.2 Wet IB 2001, aant. 1, Voordeel uit sparen en beleggen

Vakstudie Inkomstenbelasting, art. 5.3 Wet IB 2001, aant. 1, Rendementsgrondslag

Fiscale Modellen II.A.8.1, Mededeling inzake het in aanmerking nemen van belastingschulden bij de berekening van de rendementsgrondslag in box 3

Fiscale Modellen II.A.8.2, Verzoek tot vaststelling van het over te brengen bedrag aan vrij te stellen buitenlands voordeel uit sparen en beleggen naar het volgende jaar indien een persoonsgebonden aftrek in mindering komt op het inkomen in box 3