Einde inhoudsopgave
Accijnzen (FM nr. 126) 2008/4.3.2
4.3.2 Aanvullende nationale accijnswetgeving
Mr. dr. W.M.G. Visser, datum 27-03-2008
- Datum
27-03-2008
- Auteur
Mr. dr. W.M.G. Visser
- JCDI
JCDI:ADS305297:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Accijns en verbruiksbelastingen / Accijns
Voetnoten
Voetnoten
Art. 3 Richtlijn energiebelastingen jo. art. 3 Accijnsrichtlijn.
Overweging 33 considerans van de Richtlijn energiebelastingen.
Evaluatieverslag EC 2004, nr. 1.
HvJ EG 13 juli 1989, nrs. 93/88 en 94/88, Wisselink en Co BV en Abemij BV, Jur. 1989, p. 2671, r.o. 20. Conclusie A-G Mischo van 27 april 1989 voor HvJ EG 13 juli 1989, nrs. 93/88 en 94/88, Wisselink en Co BV en Abemij BV, Jur. 1989, p. 2671, r.o. 39-40. S. van Thiel, De BVP is verenigbaar met het Europese recht, althans voorlopig!, WFR 1989/930.
Art. 3 lid 3 Accijnsrichtlijn.
Art. 3 Accijnsrichtlijn en art. 3 Richtlijn energiebelastingen.
HvJ EG 27 november 1985, nr. 295/84, Rousseau Wilmot SA, in receivership vs. Caisse de Compensation de l'Organisation Autonome Nationale de l'Industrie et du Commerce (Organic), Jur. 1985, p. 3759, r.o. 16.
Hetzelfde geldt voor het Europese btw-systeem, waarbij het, in relatie met een met de btw cumulerende belastingregeling, de vraag is of het bestaan of de werking van dit systeem als algemene verbruiksbelasting, strikt evenredig aan de prijs van goederen en diensten ongeacht het aantal transacties, met aftrek van voorbelasting, in gevaar wordt gebracht. HvJ EG 3 maart 1988, nr. 252/86, Gabriel Bergandi vs. Directeur Général des Impôts (Direction des Services Fiscaux de La Manche) (ontmoediging gebruik speelautomaten), Jur. 1988, p. 1343, r.o. 15. Conclusie A-G Mancini 15 december 1987 voor HvJ EG 3 maart 1988, nr. 252/86, Gabriel Bergandi vs. Directeur Général des Impôts (Direction des Services Fiscaux de La Manche) (ontmoediging gebruik speelautomaten), Jur. 1988, p. 1343, r.o. 5-6. HvJ EG 27 november 1985, nr. 295/84, Rousseau Wilmot SA, in receivership vs. Caisse de Compensation de l'Organisation Autonome Nationale de l'Industrie et du Commerce (Organic), Jur. 1985, p. 3759, r.o. 14 en 16. HvJ EG 13 juli 1989, nrs. 93/88 en 94/88, Wisselink en Co BV en Abemij BV, Jur. 1989, p. 2671, r.o. 18. Conclusie A-G Mischo van 27 april 1989 voor HvJ EG 13 juli 1989, nrs. 93/88 en 94/88, Wisselink en Co BV en Abemij BV, Jur. 1989, p. 2671, r.o. 54. HvJ EG 7 mei 1992, nr. C-347/90, Aldo Bozzi vs. Cassa di Previdenza ed Assistenza a Favore degli Avvocati ed Procuratori, Jur. 1992, p. I-2947, r.o. 9. HvJ EG 16 december 1992, nr. C-208/91, Raymond Beaulande vs. Directeur des services fiscaux de Nantes, Jur. 1992, p. I-6709, r.o. 12. HvJ EG 17 september 1997, nr. C-130/96, Fazenda Pública vs. Solisnor-Estaleiros Navais SA, Jur. 1997, p. I-5053, r.o. 13. Zo wordt bijvoorbeeld de draagwijdte van art. 401 BTW-richtlijn (tot 1 januari 2007: art. 33 Zesde BTW-richtlijn) bepaald naar de functie van deze bepaling in het kader van het geharmoniseerde stelsel van omzetbelasting, dat de vorm heeft van een belasting over toegevoegde waarde. Art. 401 BTW-richtlijn (tot 1 januari 2007: art. 33 Zesde BTW-richtlijn) heeft ten doel te beletten dat de werking van het gemeenschappelijke btw-stelsel in gevaar wordt gebracht.
Vgl. Conclusie A-G Rozès van 16 december 1981 voor HvJ EG 5 mei 1982, nr. 15/81, Gaston Schul Douane Expediteur BV (Gaston Schul I) vs. Inspecteur der Invoerrechten en Accijnzen, Roosendaal, Jur. 1982, p. 1437-1441.
Zoals gezegd, hangt het van de kwalificatie van een belasting als belasting met het karakter van accijns af, of die belasting valt onder het accijnsregime van de Accijnsrichtlijn.
De belastingen van energieproducten en elektriciteit die zijn geregeld in de Richtlijn energiebelastingen kwalificeren zich aldus ook als accijnzen. Zij zijn te kwalificeren als accijnzen, omdat zij selectief zijn, ter zake van het verbruik worden geheven, de maatstaf van heffing aan de hoeveelheid product of gewicht is gerelateerd en zij eenmalig ter zake van verbruik in de keten worden geheven. De aansluiting van de Richtlijn energiebelastingen op de Accijnsrichtlijn is de bepaling, dat onder de begrippen minerale oliën en accijnzen in de Accijnsrichtlijn tevens moeten worden verstaan energieproducten, elektriciteit en nationale indirecte belastingen op energieproducten en elektriciteit1, en dat de werkingssfeer van de Accijnsrichtlijn is uitgebreid met energieproducten en elektriciteit.2
Volgens de EC (2004) zijn accijnzen ‘een belasting op het verbruik van goederen zoals alcoholhoudende dranken, tabaksproducten en minerale oliën’.3 Het woord ‘zoals’ geeft aan dat er naast de communautaire accijnzen ook nog andere accijnzen bestaan, zoals die van energieproducten en elektriciteit alsmede nationale accijnzen op andere grondslagen dan alcohol-, energie- en tabaksproducten, zodat ook de EC het materiële accijnsbegrip tot uitgangspunt neemt.
In de procedure voor het HvJ EG die heeft geleid tot het Wisselink-Abemij-arrest (1989), hebben de EC en de Engelse en de Nederlandse regeringen ook het materiële accijnsbegrip gehanteerd. Alle bijzondere verbruiksbelastingen, ook die op duurzame consumptiegoederen, zijn te kwalificeren als accijnzen, omdat zij selectief zijn, omdat zij ter zake van het verbruik ervan worden geheven, omdat de maatstaf van heffing niet aan de omzet maar aan de hoeveelheid product of gewicht is gerelateerd en omdat zij eenmalig in de keten geheven worden.4 Kortom: ook de gemeenschapswetgever huldigt het materiële accijnsbegrip, dat het karakter, de eigenschappen, de werking en de economische effecten bepalend acht, welke factoren in de eerste plaats nuttig zijn voor een goed inzicht in de belastingheffing en verder noodzakelijk zijn om belastingregelingen te toetsen aan het fiscaal discriminatieverbod, het bestemmingslandbeginsel en de voorwaarden van de Accijnsrichtlijn waaronder nationale accijnsheffing kan plaatsvinden.5
Het begrip accijns vindt zijn basis in het gemeenschappelijk accijnsregime van de Accijnsrichtlijn dat op communautair niveau van toepassing is op alcohol-, energie- en tabaksproducten.6 Van deze goederen mogen ook nationale accijnzen met specifieke doeleinden worden geheven, mits daarbij de communautaire voorschriften voor de accijnzen en de btw wat betreft de vaststelling van de maatstaf van heffing en de berekening, de verschuldigdheid en de controle in acht worden genomen. Van andere dan deze goederen en van diensten mogen ook nationale accijnzen worden geheven, mits deze in het handelsverkeer tussen de lidstaten geen aanleiding geven tot formaliteiten die verband houden met het overschrijden van een grens, en mits deze het goederen- en dienstenverkeer niet op eenzelfde wijze treffen als de btw dat doet.7
Artikel 401 BTW-richtlijn is er immers op gericht te beletten dat de werking van het gemeenschappelijk btw-stelsel in gevaar wordt gebracht door nationale fiscale maatregelen.
Zoals gezegd, moeten de eigenschappen van de accijnzen in gemeenschapsrechtelijke zin worden verstaan.8 Het stelsel van de Accijnsrichtlijn in zijn geheel heeft een gemeenschappelijk karakter.9 Uit het in de Accijnsrichtlijn geregelde communautaire accijnsregime kan met zekerheid worden afgeleid welke kenmerken een communautaire accijns moet bezitten.