De Europese Executoriale Titel
Einde inhoudsopgave
De Europese Executoriale Titel (BPP nr. III) 2005/2.5.3:2.5.3 Bevoegdheidsregeling van de verordening
De Europese Executoriale Titel (BPP nr. III) 2005/2.5.3
2.5.3 Bevoegdheidsregeling van de verordening
Documentgegevens:
Mr. M. Zilinsky, datum 02-03-2005
- Datum
02-03-2005
- Auteur
Mr. M. Zilinsky
- JCDI
JCDI:ADS373463:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Art. 12 Vo-BlIbis in de Nederlandse tekstversie verwijst abusievelijk naar art. 5 Vo-BlIbis. Art. 12 dient naar art. 3 Vo-BlIbis te verwijzen.
Wat Nederland betreft wordt de rechtsmacht betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid door art. 4 leden 2 en 3 Rv en art. 5 Rv geregeld, wanneer de rechtsmacht niet kan worden gebaseerd op een verordening dan wel op een verdrag.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De bevoegdheidsregeling van de 'Brussel Ilbis'-Verordening wordt in art. 3 tot en met 15 gegeven. In art. 3 is een regeling van de rechterlijke bevoegdheid inzake de echtscheiding, de scheiding van tafel en bed of de nietigverklaring van het huwelijk opgenomen. De regeling stoelt op twee aanknopingspunten, hetzij de nationaliteit van (een der) partijen, hetzij de gewone verblijfplaats van (een der) partijen. Art. 3 lid 1 geeft een breed scala van bevoegdheidsgronden. De rechter van een lidstaat is ter zake van een echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk bevoegd indien, ongeacht de woonplaats van partijen, beide betrokken partijen de nationaliteit van die lidstaat hebben (sub b). Ingevolge sub a is de rechter van een lidstaat bevoegd indien partijen in die lidstaat een gemeenschappelijke gewone verblijfplaats hebben, dan wel een der partijen aldaar woonplaats heeft, zij het dat in dit laatste geval extra eisen worden gesteld.
De 'Brussel Ilbis'-Verordening koppelt de bevoegdheid van de rechter tot het treffen van maatregelen betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid hetzij aan de echtscheidingsbevoegdheid, hetzij aan de verblijfplaats van het kind. Op basis van art. 8 Vo-BIIbis is de rechter van de gewone verblijfplaats van het kind bevoegd. Overeenkomstig art. 12 is wederom de echtscheidingsrechter bevoegd om kennis te nemen van een verzoek tot het treffen van dergelijke maatregelen.1Art. 13 verklaart de rechter van de feitelijke verblijfplaats van het kind bevoegd, indien de gewone verblijfplaats van het kind niet kan worden vastgesteld dan wel indien geen andere rechter op basis van de verordening bevoegd is. Kan ingevolge deze bepalingen geen bevoegde rechter in een lidstaat worden aangewezen, dan verwijst art. 14 voor het bepalen van de bevoegdheid naar het nationale recht van de aangezochte rechter.2
Art. 5 geeft een regeling voor de tegenvorderingen en art. 6 een regeling voor de rechterlijke bevoegdheid bij de omzetting van een scheiding van tafel en bed in een echtscheiding. Art. 10 en art. 11 regelen de bevoegdheid van de rechter tot het treffen van maatregelen in geval van kinderontvoering.