Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/42.2
42.2 Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
mr. dr. D.G.J. Sanderink, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. dr. D.G.J. Sanderink
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie ten aanzien van de algemene beginselen van Unierecht ook D.G.J. Sanderink, ‘De doorwerking van het EVRM en het Unierecht binnen het bestuursrecht: een vergelijking’, in: R.J.N. Schlössels e.a. (red.), In het nu….Over toekomstig bestuursrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 415-436 i.h.b. 424-427.
Zie bijv. EHRM 8 april 2008, ECLI:CE:ECHR:2011:0517JUD002115104, AB 2008/224 m.nt. Barkhuysen en Van Emmerik, EHRC 2008/75 m.nt. Backes (Megadat.com SRL/Moldavië), par. 73 (waarin het niet-horen van een directe belanghebbende voor het nemen van een belastend besluit een rol speelde in de proportionaliteitsbeoordeling) en EHRM 14 februari 2012, ECLI:CE:ECHR:2013:0404JUD003543005, EHRC 2012/86 m.nt. Tjepkema (Tkachevy/Rusland), par. 38-50 (waarin de onteigening van een appartement juridisch plaatsvond met een ander doel dan het doel dat uiteindelijk feitelijk was verwezenlijkt).
Zie over het ‘principle of good governance’ D.G.J. Sanderink, ‘Het ‘principle of good governance’ in het bestuursrecht’, Tijdschrift voor de Rechterlijke Macht 2014 afl. 1, p. 10-15 en R.J.N. Schlössels, ‘Constitutionalisering van behoorlijk bestuur. Europees recht als aanjager’, JBplus 2016/4, p. 221-239.
De algemene beginselen van behoorlijk bestuur die in artikel 2:4 Awb en hoofdstuk 3 van de Awb zijn gecodificeerd, zijn het verbod van vooringenomenheid (artikel 2:4 Awb), het zorgvuldigheidsbeginsel (artikel 3:2 Awb), het verbod van détournement de pouvoir (artikel 3:3 Awb), het evenredigheidsbeginsel (artikel 3:4 Awb) en het motiveringsbeginsel (artikel 3:46 e.v. Awb). Met uitzondering van het evenredigheidsbeginsel komen deze beginselen nauwelijks tot uitdruk- king in de rechtspraak van het EHRM. De belangrijkste oorzaak hiervan is dat het EHRM alleen oordeelt over vermeende schendingen van de door het EVRM beschermde grondrechten. De vraag of deze grondrechten geschonden zijn, wordt beantwoord aan de hand van een eigen beoordelingskader. Dit beoordelingskader bestaat bij veel door het EVRM beschermde grondrechten (met name de door artikel 8 tot en met 11 EVRM en artikel 1 EP beschermde grondrechten) uit een beoordeling van de vraag of de aantastende overheidsmaatregel (1) berust op en in overeenstemming is met een nationale rechtsregel die toegankelijk en voldoende precies is (wetmatigheidsvereiste), (2) een gerechtvaardigd doel in het algemeen belang dient (doelvereiste) en (3) noodzakelijk is voor het bereiken van dat doel of een redelijk evenwicht (‘fair balance’) tot stand brengt tussen de door de overheidsmaatregel veroorzaakte aantasting van het grondrechtelijk beschermde belang enerzijds en het met die overheidsmaatregel nagestreefde algemene belang (gerechtvaardigde doel) anderzijds (noodzakelijkheids- of proportionaliteitsvereiste). Het verbod van vooringenomenheid, het zorgvuldigheidsbeginsel, het verbod van détournement de pouvoir en het motiveringsbeginsel zijn derhalve binnen het EVRM geen directe en zelfstandige toetsingsmaatstaven.1 Dit neemt niet weg dat in het kader van de toetsing aan het doelvereiste, noodzakelijkheidsvereiste of proportionaliteitsvereiste door het EHRM soms wel noties van bijvoorbeeld zorgvuldigheid en détournement de pouvoir een rol spelen.2 Het valt mijns inziens, gelet op genoemd beoordelingskader voor het vaststellen van schendingen van veel door het EVRM beschermde grondrechten, niet te verwachten dat die algemene beginselen in de toekomst voor het EHRM directe en zelfstandige toetsingsmaatstaven zullen gaan vormen, maar het is niet uitgesloten dat met die beginselen verbonden noties vaker en duidelijker een rol zullen gaan spelen als elementen in de noodzakelijkheids- of proportionaliteitstoetsing door het EHRM. Daardoor kunnen die algemene beginselen in de toekomst mogelijk meer dan nu invloed gaan ondervinden van de rechtspraak van het EHRM. In dit verband valt erop te wijzen dat in de rechtspraak van het EHRM over artikel 1 EP al enige tijd geleden een ontwikkeling is ingezet, waarbij het EHRM in het kader van de proportionaliteitstoetsing een beroep doet op het ‘principle of good governance’.3 Dit ‘principle’ heeft zeker potentie voor verdere ontwikkeling, ook onder andere bepalingen van het EVRM. Het evenredigheidsbeginsel komt, zoals uit het voorgaande al duidelijk is geworden, wel duidelijk en direct tot uitdrukking in de rechtspraak van het EHRM, doordat het (deels) samenvalt met het genoemde noodzakelijkheids- of proportionaliteitsvereiste. Indien een overheidsmaatregel een aantasting van een door het EVRM beschermd grondrecht (waarop beperkingen zijn toegestaan) tot gevolg heeft, zal die overheidsmaatregel derhalve niet alleen aan het nationale evenredigheidsbeginsel getoetst moeten worden maar ook direct aan het noodzakelijkheids- of proportionaliteitsvereiste van het EVRM. Daarbij blijft het ook in de toekomst van belang dat de toetsing aan het nationale evenredigheidsbeginsel niet onder de minimumbescherming van het EVRM komt.